Tel met WPG mee af naar het nieuwe jaar met onze digitale adventskalender! Iedere dag van december krijg je van ons een kleine verrassing. Vandaag geven we je een proevertje uit indrukwekkende finale van het vierluik Het Kerkhof der Vergeten Boeken van Carlos Ruiz ZafónHet labyrint der geesten is een wervelend verhaal vol passie en intrige in het mysterieuze Barcelona. Opnieuw trakteert Carlos Ruiz Zafón ons op een wonderlijke, onvergetelijke reis door zijn magische universum dat hij met De schaduw van de wind introduceerde. Alle delen van Het Kerkhof der Vergeten Boeken zijn los en in willekeurige volgorde van elkaar te lezen.

Die nacht droomde ik dat ik terugkeerde naar het Kerkhof der Vergeten Boeken. Ik was weer tien jaar oud en werd wakker in mijn oude slaapkamer, in het bewustzijn dat de herinnering aan het gezicht van mijn moeder me was ontglipt. En, zoals je in een droom alles weet, zo wist ik dat de schuld bij mij lag, omdat ik het niet had verdiend het me te herinneren en omdat ik niet in staat was geweest haar recht te doen.

Kort daarna kwam mijn vader binnen, gealarmeerd door mijn angstschreeuw. In mijn droom was hij nog jong, was hij het die op alle vragen van de wereld een antwoord had. Troostend omhelsde hij me. Daarna, toen het eerste licht een Barcelona gehuld in nevelen schilderde, wilden we de straat op lopen, maar om een voor mij onduidelijke reden vergezelde mijn vader me slechts tot de voordeur. Daar liet hij mijn hand los, als om me te kennen te geven dat dit een reis was die ik alleen moest maken.

Traag, alsof ik probeerde te lopen onder water, slaagde ik erin binnen te dringen in die bezwering van een in de tijd gestold Barcelona, tot ik de ingang naar het Kerkhof der Vergeten Boeken bereikte.

Ik begon te lopen, maar ik herinner me dat mijn kleding, mijn schoenen en zelfs mijn huid me zwaar wogen. Elke stap die ik zette kostte meer inspanning dan de vorige. Toen ik bij de Ramblas aankwam, zag ik dat de stad in een moment van oneindigheid was blijven hangen. De mensen stonden er bevroren als de figuren op een oude foto. De vleugelslag van een opvliegende duif was niet meer dan een wazige schets. Flarden pollen hingen onbeweeglijk als gepulveriseerd licht in de lucht. Het water in de Canaletas-fontein glinsterde in de leegte als een ketting van glazen tranen.

Traag, alsof ik probeerde te lopen onder water, slaagde ik erin binnen te dringen in die bezwering van een in de tijd gestold Barcelona, tot ik de ingang naar het Kerkhof der Vergeten Boeken bereikte. Daar bleef ik uitgeput staan. Ik begreep niet wat voor onzichtbare last ik meetorste, waaronder ik me amper bewegen kon. Ik greep de zware deurklopper en liet hem tegen de poort vallen, maar niemand kwam opendoen. Telkens weer hamerde ik met mijn vuisten op de grote houten poort, maar de bewaker negeerde mijn dringende smeekbedes. Krachteloos zakte ik ten slotte op mijn knieën. Pas toen, toen ik de beheksing bekeek die ik meegesleept had, overviel me de gruwelijke zekerheid dat de stad en mijn lot voor altijd in deze nachtmerrie bevroren zouden blijven en ik me nooit meer het gezicht van mijn moeder voor de geest zou kunnen halen.

Toen ik alle hoop al wilde laten varen, ontdekte ik het. Het stuk metaal zat weggestopt in de binnenzak van mijn schooljasje met daarop de in blauw geborduurde initialen. Een sleutel. Ik vroeg me af hoe lang ik die al bij me droeg zonder het te weten. Hij was roestig en woog bijna net zo zwaar als mijn geweten. Met veel moeite wist ik hem met twee handen op te tillen tot in het slot, hem draaien kostte me mijn laatste krachten. Toen ik al dacht dat het me nooit zou lukken, gaf het slot mee en gleed de poort naar binnen open.

Haar huid zo bleek als het witte gewaad dat haar lichaam omhulde. Haar lippen waren als verzegeld, de ogen gesloten. Levenloos lag ze daar, in de afwezige rust van dode dingen en verloren zielen. Ik stak mijn hand uit om haar gezicht te strelen. Koud als marmer was haar huid.

Een kronkelige galerij voerde naar het oude paleis, een spoor van brandende kaarsen markeerde de weg. Ik dook onder in dat flakkerende duister en hoorde hoe de deur zich achter mij weer vergrendelde. Toen herkende ik de gang waarin ik was beland, met fresco’s van engelen en fabelwezens, die naar me loerden vanuit de schaduw en gelijktijdig naar mij toe leken te bewegen. Ik liep de gang door tot een arcade, waarachter een enorm gewelf opdoemde, en daar bleef ik staan. Voor me verhief zich het grote labyrint als een oneindige luchtspiegeling. Een werveling van trappen, tunnels, bruggen en bogen vervlocht zich tot een eeuwige, met alle boeken van de wereld gebouwde stad en steeg omhoog naar een reusachtige glazen koepel.

Daar, aan de voet van die constructie, wachtte mijn moeder. Ze lag in een open doodskist, de handen over de borst gekruist, haar huid zo bleek als het witte gewaad dat haar lichaam omhulde. Haar lippen waren als verzegeld, de ogen gesloten. Levenloos lag ze daar, in de afwezige rust van dode dingen en verloren zielen. Ik stak mijn hand uit om haar gezicht te strelen. Koud als marmer was haar huid. Plots sloeg ze haar ogen op, en haar door herinneringen betoverde blik boorde zich in mijn ogen. Toen ze haar donkere lippen opende en sprak, klonk haar stem zo donderend dat ze op me af raasde als een vrachttrein, me van de vloer rukte en in een eindeloze val in de lucht liet zweven, terwijl de echo van haar woorden de wereld tot smelten bracht.

Je moet de waarheid vertellen, Daniel.

Lees méér van Standaard Uitgeverij