adventskalender

19 december

Tel met WPG mee af naar het nieuwe jaar met onze digitale adventskalender! Iedere dag van december krijg je van ons een kleine verrassing. Vandaag geven we je een leesfragment uit het bekroonde boek De acht bergen van Paolo Cognetti. Hij vertelt het verhaal van Pietro, een stadsjongen uit Milaan. Zijn ouders delen een liefde voor de bergen, dat is waar ze elkaar ontmoetten, waar ze verliefd werden en waar ze trouwden in een kerkje aan de voet van de berg. Dan ontdekken ze een dorpje in het Noord-Italiaanse Val d’Aosta, waar het gezin vanaf dat moment iedere zomer zal doorbrengen. De elfjarige Pietro raakt er bevriend met de even oude Bruno, die voor de koeien zorgt. Hun zomers vullen zich met eindeloze wandelingen door de bergen en zoektochten door verlaten huizen en oude molens, en er bloeit een ogenschijnlijk onverwoestbare vriendschap op.

Winnaar van de Premio Strega en Prix Médicis étranger.

Ik weet niet exact waar ze die dag waren. Misschien was het Macugnaga, of Alagna, Gressoney of Ayas. Ten gevolge van het nomadisme van mijn rusteloze vader gingen we toentertijd elk jaar naar een andere plek, altijd in de buurt van de berg die hem had veroverd. Meer nog dan de dalen herinner ik me de huizen, als je ze zo kunt noemen: we huurden een bungalow op een camping of een kamer in een of ander dorpspension, en daar bleven we dan twee weken. Er was nooit genoeg ruimte om het er gezellig te maken, en ook niet genoeg tijd om je ergens aan te hechten, maar die dingen interesseerden mijn vader niet – hij merkte ze niet eens op. Zodra we er waren, kleedde hij zich om: hij haalde zijn geblokte overhemd, ribfluwelen broek en wollen trui uit zijn tas, en als hij zijn oude plunje weer aanhad, werd hij een ander mens. In die korte vakanties was hij voortdurend op pad: hij ging ’s ochtends vroeg de deur uit en kwam pas ’s avonds weer terug, of de volgende dag, stoffig, zonverbrand, moe en gelukkig. Tijdens het avondeten vertelde hij ons over gemzen en steenbokken, nachten in een bivak, sterrenhemels, sneeuw die hoog in de bergen ook in augustus viel, en als hij echt tevreden was besloot hij met: ik wou dat jullie erbij waren geweest.

’s Avonds, nadat er was afgeruimd, vouwde mijn vader een topografische kaart open, legde die op tafel en begon het pad van de volgende dag te bestuderen.

Het punt was dat mijn moeder weigerde gletsjers op te gaan. Ze had er een irrationele en onoverkomelijke angst voor: ze zei dat de bergen voor haar ophielden bij drieduizend meter, de hoogte van haar Dolomieten. Ze had liever tweeduizend meter – de weiden, de bergbeken, de bossen – en ze hield ook erg van duizend meter, het leven in die dorpen van hout en steen. Als mijn vader weg was, vond ze het leuk om met me te gaan wandelen, een kop koffie te drinken op het plein, ergens in een wei te gaan zitten en me een boek voor te lezen, een praatje aan te knopen met voorbijgangers. Ze leed nogal onder onze voortdurende verplaatsingen. Ze had liever een huis gehad dat ze tot het hare kon maken en een dorp waar ze naartoe terug kon keren. Ze vroeg het mijn vader vaak: hij zei dat er geen geld was om nog meer huur te betalen, naast die van het huis in Milaan; zij marchandeerde met hem over een bedrag waaraan ze genoeg zou hebben, en ten slotte gaf hij haar toestemming om iets te gaan zoeken.

’s Avonds, nadat er was afgeruimd, vouwde mijn vader een topografische kaart open, legde die op tafel en begon het pad van de volgende dag te bestuderen. Een grijs boekje van de Italiaanse Alpenclub binnen handbereik, evenals een half glas grappa waaraan hij af en toe nipte. Mijn moeder benutte haar moment van vrijheid door in een leunstoel of op bed te gaan zitten en in een roman te duiken: ze ging er een uur of twee helemaal in op en dan leek het of ze heel ergens anders was. Ik klom bij mijn vader op schoot om te zien wat hij aan het doen was. Hij was vrolijk en spraakzaam, volstrekt tegengesteld aan de vader uit de stad aan wie ik gewend was. Hij liet me maar al te graag de kaart zien en leerde me hoe je die moest lezen. Dit is een bergbeek, wees hij aan, dat een meertje, en dat daar is een almdorp. Hier kun je aan de kleur zien wat bos is, wat alpenweide, puinhelling of gletsjer. Deze kromme lijnen geven de hoogte aan: hoe dichter ze op elkaar staan, hoe steiler de berg, tot die zo steil wordt dat je niet verder omhoog kunt; hier waar ze meer uit elkaar liggen is de hellingshoek flauwer, en daar lopen de paden, zie je?Deze puntjes waar een hoogtegetal bij staat zijn de toppen. Die toppen, daar gaan we heen.We gaan pas weer naar beneden als we ergens komen waar we niet verder omhoog kunnen. Snap je?

Ik wil met jou mee, had ik geantwoord, althans, dat beweerde hij: maar misschien zei hij het alleen omdat hij zich dat graag herinnerde.
Nee, ik snapte het niet. Ik moest het zien, die wereld die hem zo gelukkig maakte. Jaren later, toen we er samen op uit begonnen te trekken, zei mijn vader dat hij zich precies herinnerde hoe mijn roeping zich had gemanifesteerd. Toen hij op een ochtend op het punt stond de deur uit te gaan – mijn moeder sliep nog – en bezig was de veters van zijn bergschoenen te strikken, stond ik opeens aangekleed en wel voor hem, klaar om met hem mee te gaan. Ik had waarschijnlijk in bed al voorbereidingen getroffen. Het was nog donker en hij schrok van me, alsof ik groter was dan mijn zes of zeven jaar: ik was in zijn versie toen al degene die ik later zou worden, de voorbode van een volwassen zoon, een schim uit de toekomst.

Wil je niet nog even slapen? had hij gevraagd, op gedempte toon om mijn moeder niet wakker te maken.

Ik wil met jou mee, had ik geantwoord, althans, dat beweerde hij: maar misschien zei hij het alleen omdat hij zich dat graag herinnerde.

Overzicht

Overzicht

Overzicht

Overzicht

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief