Tel met WPG mee af naar het nieuwe jaar met onze digitale adventskalender! Iedere dag van december krijg je van ons een kleine verrassing. Vandaag geven we je een leesfragment uit De mensengenezer van Koen Peeters, winnaar van de ECI Literatuurprijs 2017De mensengenezer gaat over een verdwijnend boerenbestaan, een koloniaal en schuldbeladen verleden en het rusteloze verlangen naar het onbekende in het menselijk hart. De jonge Remi, voorbestemd om zijn vader als boer op te volgen, wordt achtervolgd door ontembare dromen en stemmen. Zijn oom fluistert hem vreemde, hevig beroerende verhalen in over de oorlog, over een geest en over een zwarte soldaat.

Telkens als mijn nonkel Marcel begon over de geest kon ik niet slapen. Mijn kamer baadde in het warme, grijze licht van de volle maan. Een verre hond blafte drie keer schor. Naast het huis smeulde het vuur van aardappelloof nog na; ik rook de aardse geuren ervan tot in mijn bed.
Buiten wapperden de beddenlakens, aangeblazen door de nachtwind. De geest. In het wasgoed fluistert de geest, dacht ik.
De adem van dode soldaten, had nonkel Marcel het genoemd.
Misschien had mijn oom gelijk. Misschien bestond er zoiets. Het was die vreemde mist. Als je ’s avonds langs de akkers liep, stond er ineens een onwaarschijnlijke toren van dansende muggen boven je hoofd. Dondervliegjes die je plots aanvielen. Zwermen van spreeuwen en flikflakkende kieviten die nerveuze tekeningen maakten in de lucht.
Wat zeggen die tekens?
Hoe noem je de tekens als ze zo schimmig of koppig verschijnen? Spoken?
Misschien hoor je de geest ook spreken in doodsklokken in de verte.
Als de braambessen rijp waren zaten die vol zwart bloed, geloofde ik. Alleen al door die zwarte gedachte durfde ik geen braambessen meer te eten. Als het hard waaide over de velden, altijd vanuit het westen, dan dacht ik ook aan de geest.
Bang reed ik op mijn fiets langs de beschuttende meidoornhagen.

Smokkelaars droegen brede blauwe jassen, met daarin grote binnenzakken genaaid; ze propten die vol met witte bonen, tabak en flessen.Telkens schrok ik me rot als in de schemering een smokkelaar opdook met zijn tassen van lijnwaad op buik en rug.

Onze hoeve lag afgelegen, in het gehucht Den Abeele. Vierhonderd meter verwijderd van de openbare weg. De meest nabije buren woonden een halve kilometer verderop. Achter onze boerderij lag op tweehonderd meter de landsgrens met Frankrijk. Je kon het aflezen aan de kleur van de daken: de blauwgrijze dakpannen waren Frans, de rode Belgisch. Het was er eenzaam, ook al werd in het grensgebied ijverig gesmokkeld op de landweggetjes. Smokkelen was in deze streek een sport, een eerbare bijverdienste voor de knechten op de boerderijen.

Pagina's van Pagina's van Peeters-De mensengenezer (schoon)

‘Smokkelaars? Ik weet van die mensen geen verkeerde zaken,’ zei mijn vader.
Iedereen was een beetje corrupt, wist hij. Onopvallend beschermden boeren als hij de kleine smokkelaars. De douaniers dronken zich dood aan traktaties en fooien.
Smokkelaars droegen brede blauwe jassen, met daarin grote binnenzakken genaaid; ze propten die vol met witte bonen, tabak en flessen. Telkens schrok ik me rot als in de schemering een smokkelaar opdook met zijn tassen van lijnwaad op buik en rug. Soms verschenen er vier of vijf tegelijk op ons erf. Ze verdwenen zwijgend in de schuur; ze zaten er weggedoken in het kaf en wachtten.
‘Er hangt daar een rare stilte,’ zei ik tegen mijn vader.
Vader zei niets.
‘Wat zou dat zijn?’ drong ik aan.
‘Niets. Als het stil is, is het niets.’
‘Maar soms hoor ik toch iets.’
‘Een broedende kip. Of een ratje op zoek naar een liefje.’
Als het stormde, kreunde het gebinte van onze schuur als een mens.

Vlak bij de grens baatten mijn vader en moeder, Omer en Bertha, hun gemengde landbouwbedrijf uit. Ze hadden drie kinderen: dochter Agnes en twee zonen, Joris en ik, van wie ik de jongste was. Nonkel Marcel was de oudere ongetrouwde broer van mijn vader Omer, en hielp mee als vaste knecht op de boerderij. Hij was ook mijn peetoom.

Ik hielp mijn vader als hij de stier uit de stal haalde. Het prikkelbare dier brieste: een koe werd op het erf voorgeleid. Vader bedwong de bul met een metalen stang, verbonden met zijn neusring.

’s Morgens bekeek mijn vader zich in de spiegel. Zijn kin vooruit. ‘Goeiemorgen,’ zei hij hardop tegen zijn eigen ronde gezicht. Blauwe ogen, kortgeknipt donker haar. Hij lachte naar zichzelf. Direct daarna dook hij onder zijn koeien om ze te melken. In de stal stonden vierentwintig stuks melkvee met katholieke vrouwennamen. Er stond ook een kampioenstier, apart. Beste dekstier uit de omtrek. Duizend kilo zwaar, eerste prijsstier van West-Vlaanderen.

Mijn vader kon aan de ogen van zijn dieren zien of ze ziek of bronstig waren. ’s Nachts stond hij aan de zijde van de veearts, bij snel uitgevoerde keizersneden, bij de scheurende koeien en veel te grote dikbilkalveren. Als ze het kalf uit de koe moesten zagen, stroomde het bloed. Mijn vader hield van dat harde, vruchtbare werken, en van zijn koppige rundvee.
Ik hielp mijn vader als hij de stier uit de stal haalde. Het prikkelbare dier brieste: een koe werd op het erf voorgeleid. Vader bedwong de bul met een metalen stang, verbonden met zijn neusring. Hij wrong het geile, gevaarlijke beest tot gehoorzaamheid. Plichtsgetrouw, met toewijding besteeg de stier de koe, die met de achterpoten in een ondiepe put stond. Ik keek naar het steunen en schokken van het monsterlijke lijf. Er was iets vreemds in die krampen. Wijdbeens stond ik naast mijn vader. Groot en honderd kilo zwaar was hij. Vaardig manoeuvreerde hij de stier, hield de drift van het dier onder controle. Even zag ik vader kijken naar de vlekken en spatten op zijn kleren. Zag hij de koeienstront of zag hij die niet?

Lees méér van Standaard Uitgeverij