Met Het tijdperk van de tovenaars schreef Wolfram Eilenberger een epos over de jaren twintig: de tijd van Ludwig Wittgenstein, Walter Benjamin, Ernst Cassirer en Martin Heidegger. Eilenberger ziet in de levens en de ideeën van deze denkers de oorsprong van onze huidige wereld. Het resultaat is een prachtig vertelde ideeëngeschiedenis.

Hemelbestormer

Aangekomen in de eigenlijke betekenis van het woord voelde Martin Heidegger zich misschien, toen hij op 17 maart van hetzelfde jaar de feestzaal van het Grand Hôtel & Belvédère in Davos binnenging. Want dat is het ongetwijfeld, het grote filosofische podium, en de intussen 39-jarige denker uit het Zwarte Woud zag zich al vanaf zijn vroege jeugd uitverkoren om dat te veroveren. Niets aan zijn optreden moest daarom als toevallig worden gezien. Niet zijn sportief strak gesneden pak, dat contrasteerde met het klassieke rokkostuum van de genodigde hoogwaardigheidsbekleders, niet zijn strak naar achteren gekamde haren, niet zijn door de hoogtezon gebruinde gelaat, niet de verlate aankomst in de zaal, en al helemaal niet het feit dat hij niet op de speciaal voor hem gereserveerde plaats voor in de zaal ging zitten, maar zonder zichtbare aarzeling tussen de eveneens in groten getale toegestroomde studenten en jonge onderzoekers midden in de zaal. Er kon geen sprake van zijn dat hij zich zou onderwerpen aan de heersende conventies zonder een taboe te schenden. Want voor iemand als Heidegger kon er nu eenmaal geen juist filosoferen in een onechte sfeer bestaan. En onecht, dat moest hem op zo’n soort geleerde bijeenkomst in een chic Zwitsers hotel zo ongeveer alles lijken.

Nu was hij, Martin Heidegger, in 1929 een van de hoofdsprekers
Dat voorjaar had Albert Einstein de openingsrede voor de ‘Davoser Hochschulkurse’ gehouden. Nu was hij, Martin Heidegger, in 1929 een van de hoofdsprekers. Hij zou de daaropvolgende dagen drie voordrachten houden, en afsluitend een openbaar twistgesprek voeren met Ernst Cassirer – het tweede filosofische zwaargewicht op de conferentie. De uiterlijke omstandigheden mochten dan dus nog zo onaangenaam zijn, het daarmee gepaard gaande respect en de waardering kwamen wel tegemoet aan Heideggers diepste verlangens.

Pas twee jaar eerder, in het voorjaar van 1927, had hij met Zijn en tijd een werk gepubliceerd dat binnen enkele maanden werd erkend als een nieuwe mijlpaal in het denken. Door zijn grote succes bevestigde de zoon van de koster uit het Badense Meßkirch intussen een reputatie die in de voorafgaande jaren al had aangetoond dat hij de ‘heimelijke koning’ van de Duitstalige filosofie was, om het in de woorden van zijn toenmalige leerlinge (en minnares) Hannah Arendt te zeggen. Heidegger had dat werk in 1926 onder enorme tijdsdruk geschreven – en het eigenlijk maar voor de helft voltooid. Met Zijn en tijd, een baanbrekend werk, had hij de formele voorwaarden geschapen om vanuit zijn ongeliefde Marburg terug te keren naar zijn alma mater in Freiburg. In 1928 neemt Martin Heidegger daar de prestigieuze leerstoel van zijn vroegere leraar en beschermer over, de fenomenoloog Edmund Husserl.

Heidegger is er. We kunnen beginnen.
John Maynard Keynes had naar aanleiding van de terugkeer van Wittgenstein naar Cambridge nog het transcendente register van een ‘God’ gekozen, maar Arendt verwijst met haar keuze voor ‘koning’ naar een wil om macht uit te oefenen en daarmee naar een sociale dominantie die in het geval van Heidegger al na enkele seconden voor iedere waarnemer duidelijk was. Waar hij ook optreedt of verschijnt: Heidegger is nooit een onder velen. In de feestzaal te Davos staaft hij die pretentie met de symbolische weigering om bij de andere hoogleraren filosofie te gaan zitten op de voor hem gereserveerde plaats. Er wordt gefluisterd en gemurmeld, mensen draaien zich zelfs speciaal op hun stoel om: Heidegger is er. We kunnen beginnen.

 

Contenance bewaren

Het is meer dan onwaarschijnlijk dat ook Ernst Cassirer meedeed aan het algehele gefluister en gemompel in de zaal. Niets laten merken, vormelijk blijven – en vooral je houding bewaren. Zo luidt het credo van zijn leven. En het is ook de kern van zijn filosofie. Waar had hij welbeschouwd ook bang voor moeten zijn? Per slot van rekening is de 55-jarige hoogleraar aan de universiteit van Hamburg met weinig méér vertrouwd dat met het ceremoniële karakter van een academische massabijeenkomst. Hij bekleedt zijn leerstoel nu precies tien jaar. In het wintersemester 1929/1930 zal hij zelfs het rectoraat van zijn hogeschool op zich nemen – als de pas vierde Jood in de geschiedenis van het Duitse universitaire leven. Als telg van een welgestelde Berlijnse koopmansfamilie is Cassirer waarschijnlijk vanaf zijn vroegste kinderjaren ook vertrouwd met de aanduiding ‘chic Zwitsers hotel’. Zoals gebruikelijk in zijn kringen reisde hij met zijn vrouw Toni elk jaar in de zomermaanden naar de Zwitserse bergen om er te kuren. En ook Cassirer bevindt zich in 1929 in het zenit van zijn roem, op het hoogtepunt van zijn werkzame leven. In de voorafgaande tien jaar had hij zijn driedelige Philosophie der symbolischen Formen (Filosofie van de symbolische vormen) geschreven. Door de encyclopedische weidsheid en de systematische originaliteit van het werk – waarvan het derde en laatste deel slechts enkele weken voor de bijeenkomst in Davos was verschenen – vestigde Cassirer zijn naam als de onbetwiste leider van het neokantianisme en daarmee van de toonaangevende academische stroming in de Duitse filosofie.

Zijn volle haardos is waardig grijs geworden, zijn blik is geconcentreerd op de sprekerslessenaar gericht.
Anders dan Heidegger is Cassirer niet als een komeet omhooggeschoten naar de status van superieur denker. Zijn reputatie was langzaam maar gestaag gegroeid in de decennia waarin hij zich wijdde aan filosofisch-historisch werk. Hij heeft het verzameld werk van Goethe en van Kant bezorgd en als privaatdocent in Berlijn bovendien een omvangrijk werk over de geschiedenis van de moderne filosofie gepubliceerd. Zijn optreden wordt niet gekenmerkt door charismatische uitstraling en retorische roekeloosheid, maar vooral door een indrukwekkende belezenheid en een soms schier bovenmenselijk geheugen, dat hem desgewenst in staat stelt hele bladzijden van belangrijke passages uit de grote filosofische en literaire klassieken uit het hoofd te citeren. Cassirers evenwichtige persoonlijkheid, dat altijd op bemiddeling en matiging is gericht, is bijkans berucht. Hij belichaamt – en dat weet hij heel goed – in Davos de soort filosofie en het soort academisch establishment dat Heidegger met zijn dankzij genereuze reissubsidies bijna volledig opgekomen stoottroep van leerlingen en promovendi koste wat het kost wil choqueren. Op de foto van de openingsplechtigheid zit Cassirer – tweede rij links – naast zijn vrouw Toni. Zijn volle haardos is waardig grijs geworden, zijn blik is geconcentreerd op de sprekerslessenaar gericht. De stoel links voor hem is vrij. Een op de rugleuning bevestigd kaartje meldt dat die reservé is. Het is de plaats van Heidegger.

 

Mythe Davos

Zoals uit latere aantekeningen blijkt, bleef Heideggers bewuste schending van de etiquette in Davos bepaald niet zonder gevolgen. Toni Cassirer was zo verstoord over de bijeenkomst dat ze die maar liefst twee jaar verkeerd dateert in haar memoires, die ze in 1941 in New Yorkse ballingschap onder de titel Mein Leben mit Ernst Cassirer publiceert. In het boek herinnert ze zich ‘een kleine, onopvallende man, zwart haar en priemende donkere ogen’, die haar – de koopmansdochter uit de hoogste Weense kringen – ‘meteen aan een handarbeider uit het zuidelijke Oostenrijk of Beieren’ deed denken, een indruk die bij het latere galadiner ‘kort erna door zijn dialect werd bevestigd’. Toen al vermoedde ze sterk met wie haar echtgenoot te doen zou krijgen: ‘Heideggers hang naar antisemitisme,’ zo besluit ze haar herinneringen aan Davos, ‘kwam ons niet vreemd voor.’

De beslissende ‘tweesprong van de filosofie in de twintigste eeuw’.
Het wetenschappelijk debat in Davos tussen Ernst Cassirer en Martin Heidegger wordt tegenwoordig beschouwd als een baanbrekende gebeurtenis in de geschiedenis van het denken. In de woorden van de Amerikaanse filosoof Michael Friedman is het zelfs de beslissende ‘tweesprong van de filosofie in de twintigste eeuw’. Het besef getuige te zijn van een belangwekkende verandering drong toen al tot de aanwezige deelnemers door. Zo viert een student van Heidegger, Otto F. Bollnow (die in de jaren na 1933 zou opklimmen tot een van de toonaangevende nazifilosofen), in zijn dagboek het ‘verheven gevoel […] een historisch mo ment te hebben bijgewoond, helemaal zoals Goethe het in zijn Kampagne in Frankreich had verwoord: “Van het hier en het nu gaat een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de wereld uit” – in dit geval van de geschiedenis van de filosofie – en jullie kunnen zeggen dat jullie erbij zijn geweest.’

Inderdaad. Als Davos niet had plaatsgevonden, dan hadden toekomstige ideeënhistorici het achteraf moeten uitvinden. Tot in de kleinste details worden in die belangwekkende gebeurtenis de bepalende contrasten van het hele decennium weerspiegeld. De Joodse industrietelg uit Berlijn stuit op de katholieke kosterszoon uit de provincie Baden, hanzeatische contenance op onverbloemde boersheid. Cassirer is het hotel, Heidegger de hut. Onder de glinsterende zon ontmoeten ze elkaar op een plek waar de werelden waarvoor ze staan op een onwezenlijke manier in elkaar overvloeien.

De droomachtige, insulaire sfeer van een kuurhotel in Davos was ook wat Thomas Mann in zijn in 1924 verschenen roman Der Zauberberg had geïnspireerd. Het twistgesprek in Davos van 1929 kan de deelnemers daarom weleens zijn voorgekomen als de concrete vertaling van een fictief voorbeeld in de praktijk. Met een welhaast onheilspellende precisie voegden Cassirer en Heidegger zich naar de ideologische sjablonen van een Lodovico Settembrini en Leo Naphta, die Thomas Mann in zijn boek voor dat hele belangwekkende tijdperk heeft uitgewerkt.

Lees méér van Standaard Uitgeverij