leesfragment

[Leesfragment] ‘De buitenjongen’ van Paolo Cognetti

De acht bergen betekende de definitieve doorbraak van Paolo Cognetti, maar vóór dit succes verschenen er ook al een paar pareltjes van boeken van zijn hand. Één daarvan is De buitenjongen, nu eindelijk ook in Nederlandse vertaling. Hier lees je het eerste hoofdstuk!

Winter. Seizoen van slaap.

In de stad

Een paar winters geleden maakte ik een moeilijke tijd door. Het heeft nu denk ik weinig zin om te memoreren waar dat toenmalige gevoel van onbehagen uit voortkwam. Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt als iets wat je onderneemt op niets uitloopt. In mijn ogen was de toekomst op dat moment net zoiets onbestaanbaars als de gedachte dat je op reis gaat wanneer je ziek bent en het buiten regent. Ik had veel van mezelf gegeven, en waaruit bestond mijn beloning? Ik sleet mijn dagen in boekhandels, in ijzerwinkels, in het café tegenover mijn huis en op bed, waar ik door het raam naar de witte lucht van Milaan staarde. En vooral schreef ik niet, wat voor mij gelijkstaat aan niet slapen of niet eten: het was een leegte zoals ik die nog nooit eerder had ervaren.

Romans stonden me in die maanden tegen
Romans stonden me in die maanden tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen in waren gegaan om de eenzaamheid te ervaren. Ik las Walden van  Henry David Thoreau en Geschiedenis van een berg van Élisée Reclus. Ik werd met name getroffen door de reis van Chris McCandless, die door Jon Krakauer is beschreven in De wildernis in. Misschien wel omdat Chris geen negentiende-eeuwse filosoof was, maar een tijdgenoot van me die op zijn tweeëntwintigste afscheid had genomen van de stad, zijn familie, zijn studie en een op klassieke westerse leest geschoeide briljante toekomst, en helemaal alleen aan een eenzame zwerftocht was begonnen die zou eindigen met zijn hongerdood in Alaska.

Toen het verhaal bekend werd, meenden veel mensen dat hij waarschijnlijk uit idealisme had gehandeld, dat het een vlucht uit de werkelijkheid was geweest, of dat hij wellicht tot zelfmoord neigde. Ik had het gevoel dat ik zijn keuze begreep, en inwendig bewonderde ik hem erom. Chris had niet genoeg tijd gehad om een boek te schrijven, misschien was hij dat niet eens van plan geweest, maar hij hield van Thoreau en had diens manifest overgenomen: ‘Ik ging de bossen in omdat ik bewust wilde leven, omme alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat ik niet geleefd had. Ik wenste niet te leven wat niet het leven was, en ook wilde ik
me niet overgeven aan berusting, tenzij dat noodzakelijk was. Ik wilde het leven diep doorleven en alle merg eruit zuigen, om zo dapper en spartaans te leven dat ik alles wat niet het leven was kon verdrijven, om het kort af te maaien in een breed zwad, om het leven in een hoek te drijven en het terug te brengen tot het geringste wat het vereiste en, als het minderwaardig bleek te zijn, dan ook de hele, ware minderwaardigheid ervan te ervaren en de wereld te laten weten hoe minderwaardig het is; of om het, als het subliem zou zijn, uit eigen ervaring te leren kennen en in staat te zijn er een waarachtig verslag van te doen inmijn komende reisverslag.’

Ik was al in geen tien jaarmeer in de bergen geweest.
Ik was al in geen tien jaarmeer in de bergen geweest. Tot mijn twintigste had ik er elke zomer doorgebracht. Voor mij, stadskind, geboren en getogen in een appartement, opgegroeid in een wijk waarin je niet op een binnenplaats kon spelen of de straat op kon, waren de bergen altijd de meest volmaakte belichaming van het begrip vrijheid geweest. Ik had me er leren verplaatsen, aanvankelijk onbeholpen maar later heel natuurlijk, zoals andere kinderen leren zwemmen omdat een volwassene ze in het water gooit: op mijn achtste of negende was ik begonnen over gletsjers te lopen en rotsen te beklimmen, en al snel was ik meer op mijn gemak op bergpaden dan in de straten van mijn eigen stad. Tien maanden per jaar voelde ik me gevangen in nette kleren en in een gezagssysteem vol regels waaraan je je diende te houden; in de bergen schudde ik dat allemaal van me af en gaf ik mijn ware aard de ruimte. Het was een ander soort vrijheid dan de vrijheid om te kunnen reizen en mensen te ontmoeten, of nachtenlang te drinken, te zingen en vrouwen te versieren, of vrienden bereid te vinden grootse dingen te ondernemen. Allemaal vormen van vrijheid die ik dermate waardeer dat ik op mijn twintigste meende ze allemaal uit-en-ter-na te moeten onderzoeken, en zo was ik op mijn dertigste bijna vergeten hoe het was om alleen in een bos te zijn, of in een bergbeek te liggen, of over een bergkam te lopen met daarachter louter de lucht. Die dingen had ik allemaal gedaan, en dat waren mijn gelukkigste herinneringen. Ik had het gevoel dat die buitenjongen en de grootsteedse jongeman die ik was geworden in alles elkaars tegenpool waren, en aan dat gevoel ontsproot mijn verlangen naar hem op zoek te gaan. Ik had niet zozeer behoefte om te vertrekken, als wel om terug te keren; niet om een onbekend gedeelte van mezelf te ontdekken, als wel om een oud, diepgeworteld gedeelte terug te vinden dat ik naar mijn idee was kwijtgeraakt.

***

Ik had wat geld opzijgelegd, genoeg om een paar maanden van te leven zonder te hoeven werken. Ik ging op zoek naar een huis ver van de bewoonde wereld, dat zo hoog mogelijk lag. Er bestaan geen grote verlaten gebieden in de Alpen, maar om datgene te ervaren waar ik naar verlangde, hoefde je niet naar Alaska. In de lente vond ik de juiste plek in het dal naast dat waarin ik was opgegroeid: een almhut van hout en steen op negentienhonderdmeter hoogte, waar de laatste coniferenbossen plaatsmaken voor zomerweiden. Een plek waar ik nog nooit was geweest, maar een landschap dat ik goed kende, aan de andere kant van de bergen waar ik als kind rondstruinde. De hut lag op ongeveer tien kilometer van het dichtstbijzijnde dorp en op een paarminuten afstand van een vakantieoord dat ’s zomers en ’s winters volstroomde, maar dat toen ik er op 25 april aankwam volstrekt uitgestorven was. De veldenwaren nog in winterslaap, bruin en oker gekleurd door de dooi; op de schaduwhellingen van de bergen lag nog sneeuw. Ik liet de auto staan waar het asfalt ophield, deed mijn rugzak om en liep het ezelpad op, omhoog door een bos en daarna over een besneeuwd weiland tot aan een groepje vervallen almhutten – op één opgeknapte na, die ik had gehuurd. Toen ik bij de deur was, draaide ik me om: rondom me was er niets dan bos, velden en die paar verlaten bouwvallen, met in de verte de bergen die het Aostadal aan de zuidkant begrenzen, richting Gran Paradiso; en verder een uitgeholde boomstam waarboven een waterslang was bevestigd, de resten van een stapelmuurtje en een klaterend stroompje. Dat zou mijn wereld zijn voor een periode die ik, omdat ik niet wist wat me te wachten stond, niet had vastgelegd. Die dag was de lucht somber en grijs, een ijskoude ochtend zonder licht. Het lag geenszins in mijn bedoeling mezelf aan een kwelling te onderwerpen: als die plek me iets goeds bracht, zou ik blijven, maar het zou ook kunnen dat ik er tot nog grotere wanhoop verviel, en in dat geval zou ik onmiddellijk mijn biezen pakken. Ik had boeken en schriften meegenomen. Ik hoopte mettertijd weer aan het schrijven te gaan. Maar nu had ik het koud; ik moest een trui aantrekken en het vuur aanmaken, en dus duwde ik de deur open en ging mijn nieuwe huis binnen.

Ontdek hier meer over het boek:

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief