Het nieuwste boek van Rudi Hermans, Kattenmoeder is net verschenen. Nog meer dan in zijn vorige boeken gaat hij persoonlijke gebeurtenissen en pijnlijke herinneringen niet uit de weg. Kattenmoeder is een nieuw, ontluisterend hoofdstuk in de omvangrijke familiesaga waartoe het oeuvre van Hermans is uitgegroeid. We delen met jullie graag een tekenend fragment.

De pers over zijn vorige novelle De man van Marie:

‘In alle stilte werkt Rudi Hermans aan een oeuvre waar veel literaire auteurs alleen maar voor kunnen applaudisseren.’ – Pieter Aspe

‘Een topstilist over hoe het leven je overkomt, in de traditie van Louis Paul Boon.’ – ****De Limburger

‘Rauw en eerlijk. Hermans hakt alle decorum van het huwelijk weg.’ – **** Het Nieuwsblad

Toen ik ’s nachts werd gewekt door mijn moeder omdat ze hoognodig moest, trapte ik in de smurrie van water en wortelstamppot, in het donker mijn weg zoekend naar de po aan haar kant van het bed. Het verbod van de dokter om op te staan werd overstemd door haar dwingend gebod haar de pispot te helpen bereiken. Op mijn vraag of het licht aan mocht, klonk het antwoord ‘in geen geval’. Ik schuifelde blind door de kamer, en pas toen mijn blote voeten iets kouds en papperigs raakten, schoot het me weer te binnen wat er voordien was gebeurd. Ik had gelukkig nog niet op een scherf getrapt. Een tweede snee in mijn lichaam vermijden werd belangrijker dan de nood van mijn moeder. Ik legde mezelf geen ijltempo op, niet gehaast door het vooruitzicht van wat me te wachten stond. Boven noch onder was er in huis een wc. Er stond een houten gemakhuisje buiten, een huisje waaraan het gemak ontbrak zich gerieflijk te kunnen ontlasten. Het enige, ruikbare voordeel was een weergaloze luchtverversing, langs reten en kieren, en door het hartvormige gat in de deur. Dook in het hartje een oog op, dan diende er voortgemaakt voor de volgende in de rij, zeker als de volgende een pispot droeg die soms tot de rand was gevuld. Niemand ontsnapte aan de corvee om niet alleen zijn eigen pispot, maar ook de po van een ander te legen. Naast het mes en het glas ontstond op den duur ook de pispot, omdat ze er allemaal eender uitzagen en de plas van een ander niet harder stonk dan de pis in mijn eigen pot.

Hoe mijn moeders urine rook wist ik dus al toen ik die nacht in haar slaapkamer naar haar kant van het bed onderweg was. Het was me alleen een raadsel hoe ze op de pot zou gaan. Zelf deed ik dat soms op mijn knieën, als ik nog te slaapdronken was om rechtstaand mijn straal juist te richten. Ik vond mijn piemel een nuttig pipet dat, toen ik eenmaal geleerd had te schrijven, mij in staat stelde om, niet in schoonschrift, mijn voornaam of letters daarvan in een ongerept sneeuwdek te plassen. Of een meisje dat ook kon, was me destijds niet bekend. Ze waren anders dan jongens, dat wist ik al wel, omdat ik het zag aan hun uiterlijk. Ze droegen hun haren lang, en liepen rond in een jurk, waardoor ze nog sneller dan ik, dacht ik toen, hun pipet uit hun onderbroek haalden. Ik dacht toen van alles, maar had nog niet veel gezien, en al zeker geen halfnaakt meisje.
‘Zet de pot bij de rand van het bed.’
Ik deed de deur van het nachtkastje open. De pot was nog leeg. Ik zette hem neer bij de rand van het bed. Moeizaam sloeg ze de dekens terug.
‘Pak mijn enkels vast.’
Intussen gewend aan het duister, zag ik haar enkels en voeten onder haar nachtjapon uitsteken.
‘Schuif mijn benen tot over de rand.’
Ze probeerde zich op te richten, een poging die kreunend gestaakt werd en zonder mijn hulp niet werd hervat.
‘Trek me omhoog.’
Ze stak haar handen uit, en die ene seconde dat ik aarzelde, was het alsof ze besefte dat ik bang was de handen te grijpen die, meer dan tot strelen, tot tuchtigen voorbestemd leken.
‘Toe,’ zei ze, ‘help me, kind.’
Ik vroeg me af waar mijn vader was, waarom ik stond bij een bed dat het mijne niet was, bij een moeder die, als ik mijn voeten wou warmen, mij toeriep die moet uit mijn slaapkamer blijven.
Toe, help me kind. Ik heb die smeekbede later niet vaak meer gehoord, en als ze uitzonderlijk toch werd geuit, dan gaf ik niet thuis, of ik bediende me van een excuus dat ik ter plekke verzon zonder van schaamte te blozen. Liegen alsof het gedrukt staat. Het begon toen ik leerde schrijven.
‘Ik ben niet sterk genoeg’, zei ik.
Ik had haar handen al vast en wekte de indruk te trekken.
‘Trek harder. Vooruit.’
Ik gaf een ruk aan haar armen, waardoor ze naar voren schoot zodat ik haar zure adem rook. Later nam ze daar muntjes voor, maar die nacht drong haar adem nog puur in mijn neus. Het kan zijn dat ik daardoor al afstand nam, een kloof die we beiden niet dichtten.

Ze probeerde rechtop te zitten, maar de pijn in haar borst deed haar krimpen.
‘Laat me maar even’, steunde ze. ‘Ga maar weer liggen en slaap.’
Intussen was ik klaarwakker. Behoedzaam de scherven vermijdend, liep ik terug naar mijn kant van het bed. Er lag een vloermatje op het linoleum waaraan ik mijn voeten afveegde. De stamppot die ik van tussen mijn tenen peuterde, smaakte naar wortel en ui.

Lees meer en ontdek meteen hoe je het boek in huis kan halen:

Lees méér van Standaard Uitgeverij