Dit is de love story van Yelien en Blue Boy, de jongen met de adembenemende blauwe ogen die haar hart op hol doet slaan.

Eigenlijk heet Blue Boy Constantijn. Maar alleen zijn moeder noemt hem zo. Zijn vrienden noemen hem Stan. Stan klinkt lekker stoer, dat vinden zijn vrienden Jits, No en Charlie ook. Vriendinnen hebben de jongens niet. Ze kennen wel een paar meisjes op school, maar die doen meestal nogal raar en geheimzinnig. Nee, ze vinden voetballen en grappen uithalen veel spannender dan meisjes. Zou de love story van Yelien en Stan dan wel goed aflopen? Of blijft het bij een dagdroom? Eline, Ellen, Emma en Kato hopen natuurlijk op een happy end. Maar wat denken Stan en zijn vrienden ervan?

Hoofdstuk 1

Vandaag is het Valentijnsdag, de meest romantische dag van het jaar. De dag van geheime aanbidders en stille liefdes. De dag van kaarten met hartjes, rode rozen en liefdesgedichten. Al weken regent het reclameblaadjes in de brievenbus, vol vlammend rode harten. Er zijn zelfs hartvormige dozen vol bonbons. Een superspannende dag dus. Want: wat zou ik krijgen?

Hoeveel kaarten en liefdesgedichten zouden er vandaag op mijn deurmat vallen?
Het waren er vier, vier kaarten. Maar dat wist ik van tevoren, want met Eline, Ellen, Emma en Kato had ik afgesproken dat we elkaar een zelfgemaakte Valentijnskaart zouden sturen. Die vier kaarten waren dus van hen.

Verder kreeg ik niets. Er is dus niemand verliefd op mij, denk ik. Anders had ik wel een kaart, een gedicht of een roos gekregen. Alhoewel, jongens kunnen soms zo’n sukkels zijn. Zelfs als ze verliefd zijn staan ze nog een potje stoer te doen, in plaats van een mooi gedicht te schrijven. Dat snap ik niet. Maar gelukkig heb ik Twinky. Ik pakte zijn halsband en zei: ‘Ga je mee?’

Zijn oren schoten omhoog en zijn staart kwispelde toen hij op op me af kwam rennen. Twinky doet niet aan Valentijnsdag, hij houdt gewoon elke dag van me. Ik deed hem zijn halsband om en stak de straat over om het park in te gaan.
Kwaak-kwaak, kwaak-kwaak, schreeuwden de eenden. Twinky gedroeg zich als een gevaarlijke jachthond. Wat een druktemaker. Het kostte me wat moeite om hem in bedwang te houden. Maar hij luisterde. Als beloning ging ik een extra rondje met hem wandelen, tot helemaal achterin het park. En toen we ver genoeg van huis waren heb ik zijn halsband losgemaakt. Dat vond hij een feest.
Ik vond een stevige tak en gooide die weg. Twinky rende er achteraan en bracht hem terug. Zo ontdekte ik het bankje. Het viel nauwelijks op tussen de struiken, het leek wel een groen kamertje. Ik ging er zitten. Niemand zag me. Het was een jn plekje, hier wilde ik wel met mijn vriendinnen heen.

Opeens hoorde ik stemmen, jongensstemmen. Ze lachten en overschreeuwden elkaar. Ik zat daar op mijn bankje in mijn groene kamertje van struiken. Ze zagen mij niet, maar ik zag hen wel. Ze waren met z’n tweeën en trapten een balletje. De ene jongen had rode krullen. Hij zag eruit als een echte atleet. En voetballen kon hij ook. Hij wipte de bal van zijn ene voet op zijn andere en telde daarbij hardop. Toen hij bij zevenentwintig was riep die andere jongen: ‘Hela, Charlie, krijg ik die bal ook nog?’

Met een knal schoot Charlie de bal naar de andere jongen. ‘Vangen, Stan!’
Ik keek naar de jongen die Stan genoemd werd. Toen kwam ik even in ademnood. Wat zag hij er leuk uit! Alsof hij uit een modeblad was gestapt. Hij was nog een beetje bruin van de zomerzon en had een prachtige bos donker haar. Eline zou hem ook heel leuk vinden, dat wist ik wel zeker. Maar gelukkig was Eline er niet.
Vanuit mijn groene kamertje moest ik onophoudelijk naar hem kijken. Stan heette hij dus.

Zou hij vandaag een meisje verrast hebben met een kaart of een gedicht? Dat zou best kunnen. Ik schoof wat op het bankje heen en weer. Van zo’n jongen zou ik wel een kaart met een hartje willen. Maar het is niet de bedoeling dat je je naam op een Valentijnskaart zet. Dan weet je dus nog niet van wie de liefdesverklaring komt. Ik bleef stilletjes zitten en luisterde naar het trappen tegen de bal. Toen drong het tot me door dat ik Twinky al even niet meer had gezien. Waar zou hij zijn? Ik klakte met mijn tong. En daar kwam hij aan. Hij keek zo ondeugend, hij had vast iets uitgespookt. Ik lijnde hem aan.

Zo onopvallend mogelijk probeerde ik uit mijn groene kamertje te ontsnappen. Zouden ze me zien? Vast niet.
Pas toen ik aan het einde van het pad was, hoorde ik hen schreeuwen. Ik keek over mijn schouder. Ze zwaaiden. Toch zeker niet naar mij?

Ik stak gauw over naar huis.

Lees méér van Standaard Uitgeverij