Op een feestje krijgt Lina een beroerte die haar blind maakt. Tijdelijk of permanent, dat weet ze niet. In haar autobiografische roman Rood zien vertelt Lina Meruane wat er met je gebeurt als je lichaam je verraadt. Is onvoorwaardelijke liefde dan nog mogelijk?

uitbarsting

Het gebeurde. Op dat moment.
Het gebeurde. Op dat moment. Ik was er allang voor gewaarschuwd en toch. Ik versteende, mijn klamme handen gebald in de lucht. In de huiskamer praatten en lachten de mensen gewoon door, zelfs fluisteren deden ze veel te hard, terwijl ik. Iemand schreeuwde boven de rest uit zet het geluid eens wat zachter, maak niet zo’n herrie, klokslag twaalf uur bellen de buren de politie. Ik focuste op die schreeuwerige stem die schijnbaar onvermoeibaar herhaalde dat de buren ook op zaterdag vroeg naar bed gingen. Die gringo’s waren geen nachtbrakers zoals wij, en fuifnummers waren het zeker niet. Het waren protestanten die zeker zouden protesteren als wij hen uit hun slaap hielden. Aan de andere kant van de muren, boven onze hoofden, onder onze voeten, lagen die gringo’s te woelen, gewend als ze waren om bij dag en dauw met hun sokken aan en hun veters gestrikt naast hun bed te staan. Gringo’s die elke ochtend in smetteloos wit ondergoed en met een uitgestreken gezicht aan hun ontbijt van koude melk met muesli schoven. Maar niemand bekommerde zich om de buren, hun hoofd verstopt onder het kussen, hun strot vol pillen die geen verlichting zouden brengen zolang wij met ons gestamp hun nachtrust verstoorden. Zij daar, in de huiskamer. Ik niet. Ik stond voorovergebogen in de slaapkamer, mijn arm uitgestrekt naar de vloer. En ik bedacht ineens hoe vreselijk het was dat die arme buren daar wakker moesten liggen, ik stelde me voor hoe ze het licht uitknipten nadat ze hun hard geworden siliconen oordopjes in hun oren hadden gestopt, zo diep dat het spul bijna verpulverde. Ik bedacht dat ik liever die vrouw was met de aan gort gedrukte oordopjes, met de door silicoonflinters geperforeerde trommelvliezen. Liever was ik dat oude mens dat resoluut het slaapmaskertje over haar oogleden trekt om het meteen weer af te doen en het licht aan te knippen. Dat wenste ik, want mijn nog hangende hand vond niets. Alleen benevelde lachsalvo’s waarvan de speekselspetters dwars door de muren heen over me neerdaalden. Alleen Manuela’s schelle stem die boven de herrie uit bleef schreeuwen kom op, jongens, doe eens een beetje rustig. Nee, alsjeblieft, zei ik bij mezelf, blijf praten, blijf schreeuwen, brullen, grommen als het moet. Sterf van het lachen. Dat zei ik bij mezelf met mijn stramme lijf, hoewel er amper een paar seconden verstreken waren. Ik was pas net in die slaapkamer, ik had me nog maar net voorovergebogen om mijn tas met mijn spuit te zoeken. Ik moest stipt om twaalf uur injecteren, maar dat zou ik niet meer redden omdat mijn tas onder een schuivende stapel jassen naar de grond was gegleden, omdat ik, in plaats van voorzichtig stil te blijven staan, bukte en mijn arm uitstrekte om hem op te rapen. Dat was het moment waarop het vuurwerk in mijn hoofd losbarstte. Maar wat ik zag was geen vuurwerk, het was bloed dat mijn oog in liep. Het meest huiveringwekkend mooie bloed dat ik ooit gezien heb. Ongehoord. Angstaanjagend. Ik bloedde verschrikkelijk maar alleen ik merkte dat. Heel duidelijk zag ik hoe het dikker werd, hoe de druk toenam, hoe ik duizelig werd, hoe mijn maag zich omdraaide en ik moest kokhalzen, en toch. Ik stond niet op, ik verroerde geen vin, ik deed niet eens mijn best om door te ademen gedurende het hele schouwspel. Want het was het laatste wat ik zou zien, die avond, door dat oog: diepzwart bloed.

donker bloed

Geen raadgevingen meer in de wind slaan. Stoppen met roken, dat als eerste, en daarnaast mocht ik mijn adem niet inhouden, niet hoesten, in geen geval dozen, pakketten of koffers tillen. Absoluut niet bukken of in het water duiken. Vleselijke driften waren uit den boze, zelfs een vurige zoen kon mijn bloedvaten doen springen. Het waren heel broze bloedvaatjes die in mijn netvlies waren ontsprongen en zich kronkelend door het geleiachtige oogvocht hadden verspreid. Er moest worden geobserveerd hoe deze kluwen van vaatjes en kanaaltjes zich van dag tot dag millimeter voor millimeter vertakte. Dat was eraan te doen: nauwlettend volgen hoe deze wirwar van adertjes zich naar het midden van mijn oog bewoog. Dat was alles en meer dan genoeg, vond de oogarts, juist ja, juist, herhaalde hij, terwijl zijn ogen naar de enorme stapel papier gingen waartoe mijn klinische geschiedenis was uitgegroeid, een handgeschreven dossier van wel duizend pagina’s, samengeperst in een dikke, papieren map. Met zijn grijzende wenkbrauwen in een frons tekende Lekz het volledige levensverhaal van mijn netvliezen en hun onzekere prognose op. Daarna schraapte hij zijn keel en legde me gedetailleerd de nieuwste onderzoeksprotocollen uit. Hij liet de woorden transplantaties in experimentele fase vallen. Alleen kwam ik voor geen enkele test in aanmerking: of ik was te jong, of mijn bloedvaten waren te dik, of de ingreep was te riskant. We moesten afwachten tot de resultaten in specialistische tijdschriften verschenen en de overheid de nieuwe medicijnen zou goedkeuren. Ook de tijd woekerde voort als een willekeurig aderstelsel, maar de oogarts sprak aan één stuk door en negeerde mijn ongeduld. Maar als er nou een bloeding zit, dokter, zei ik, zijn protocollen tussen mijn kiezen vermalend. Daar hoefden we niet aan te denken, zei hij, liever nog moesten we helemaal niets denken, alleen volgen wat er gebeurde en aantekeningen bijhouden die hij later zelf niet eens kon teruglezen. Maar al snel keek hij weer op van zijn onleesbare handschrift om toe te geven dat mocht dat toch gebeuren, mocht het zover komen, mocht zich daadwerkelijk zoiets voordoen, we dan wel weer verder zouden zien. U zult wel zien, ja, antwoordde ik van achter een schild van haat, zonder er een letter van uit te spreken, ik mag hopen dat u nog iets kunt ontwaren als ik het niet meer kan. En nu was het dus gebeurd. Met één oog zag ik alleen nog maar bloed. Hoe lang zou het andere oog het nog houden? Eindelijk was ik dus in die doodlopende straat aanbeland, een donker steegje waarin slechts geroep van anonieme gevangenen klonk. Of nee, misschien ook niet, zei ik bij mezelf, terwijl ik vastgeklampt aan mijn eigen lichaam op de jassen in Manuela’s slaapkamer ging zitten en mijn tenen kromde zodat mijn schoenen als twee lijken aan mijn voeten bungelden. Nee, zei ik, want nu mijn ogen toch kapot waren kon ik weer dansen, springen, tegen deuren aan trappen zonder bang te hoeven zijn dat ik zou gaan bloeden; ik kon van het balkon springen, een schaar tussen mijn wenkbrauwen planten. De baas worden in dat doodlopende steegje of zien hoe ik eruit kwam. Ik dacht het in een flits, zonder erbij na te denken. Ik begon de lades te doorzoeken naar een vergeten pakje sigaretten en een aansteker. Ik zou mijn nagel branden bij het opsteken van die sigaret,

En nu was het dus gebeurd. Met één oog zag ik alleen nog maar bloed.
 ik zou volgezogen met tabak bij de dokter verschijnen en zodra de rook naar mijn hoofd was gestegen tegen Lekz zeggen vertel me eens wat u nu ziet, dokter, nou?, koel, dwingend, verstikt van wrok, alsof hij dat zieke oog er persoonlijk met zijn latexhandschoenen had uitgerukt: vertel nu maar, vertel maar wat u wilt want hij kon me toch niets vertellen. Het was zaterdagavond, eigenlijk al zondag, en de oogarts was niet te bereiken. Wat had hij trouwens kunnen zeggen wat ik niet zelf al wist: dat er liters wrok in mijn oog opwelden?

‘Weerbarstig, aanstootgevend, wonderschoon.’ – The New Yorker

Lees méér van Standaard Uitgeverij