Selahattin Demirtas’  Morgenlicht bestaat uit 12 verhalen waarin vrouwen de hoofdrol spelen: ieder op zoek naar vrijheid, het doorbreken van sociale conventies en het recht om lief te hebben. Lees hier alvast het eerste verhaal!

De man in ons

Onze luchtplaats is een soort rechthoekige betonnen put. Zo’n vier bij acht meter. Eindeloos kun je erin rondlopen. Als je ’s ochtends begint, ben je ’s avonds nog nergens. We gebruiken de ruimte met z’n tweeën, dat wil zeggen, met twee mensen: Abdullah Zeydan, parlementariër voor onze partij, en ik. Maar we hebben niet het alleenrecht op de luchtplaats, we delen hem met mieren en spinnen. Of beter gezegd, zij gedragen zich tegenover ons alsof de ruimte eigenlijk van hen is, aangezien de gevangenis boven op hun nesten is gebouwd. Eigenlijk hebben ze daar ook niet helemaal ongelijk in. En wij maken daar geen punt van, onze relatie is gebaseerd op wederzijds respect.

Wens je ze bijvoorbeeld een goede morgen, dan krijg je geen enkele reactie, het interesseert ze geen draad.
Het vastberaden geploeter van de mierenkolonie en de geweldige samenwerking die daaraan ten grondslag ligt, vervult je met levensvreugde. Vol geestdrift leveren de mieren strijd, ze verzaken geen moment. Zo bouwen ze in de naargeestige hoeken van de gevangenis in alle stilte een imposant leven op. Vergeleken met de mieren zijn de spinnen wat onverstoorbaarder. Ze verroeren zich nauwelijks. Wens je ze bijvoorbeeld een goede morgen, dan krijg je geen enkele reactie, het interesseert ze geen draad. Alleen draad voor een web interesseert ze.

En dan zijn er natuurlijk nog mussen. Beter gezegd: een mussenpaar, het heeft een nest gebouwd in een kier die ze bij de dakrand hebben ontwaard. Dagenlang zijn ze met takjes en twijgjes af en aan gevlogen. Het vrouwtje werkte inderdaad veel harder. Het mannetje hing af en toe met een takje rond. Hij zat hoogstens interessant te doen op het prikkeldraad bij de ingang van het nest. Maar ik wil hem geen onrecht doen, misschien was dat juist zijn taak.

De bouw van het nest nam zo’n tien dagen in beslag. Ik hielp een handje mee door water en broodkruimels in het raamkozijn achter te laten. ‘Moge God het u lonen,’ zei het vrouwtje op een gegeven moment, ‘als het aan die slomerik van mij had gelegen, dan kon ik ook nog achter eten aan, anders leden we honger.’ ‘Hebt u het tegen mij?’ vroeg ik verbaasd. ‘Jazeker,’ zei ze. ‘Begrijpt u me?’ Ik kon mijn oren niet geloven. Als kind hadden we onze eigen vogeltaal verzonnen, kennelijk was ik die nog niet vergeten. ‘Geen dank hoor, mevrouw,’ zei ik. ‘Ik dacht, u hebt het al druk genoeg met bouw en transport, ik wilde niet dat u zich ook nog met het eten moest bemoeien. Laat het rustig weten als u nog iets nodig hebt. We zijn tenslotte buren,’ voegde ik eraan toe. Ze bedankte me. Terwijl wij in gesprek waren, kwam het mannetje uit het nest. ‘Met wie sta je daar te praten, meid?’ vroeg hij aan zijn vrouw. ‘Niks,’ zei ze, ‘ik bedankte de buurman even voor het eten.’ ‘Naar binnen jij!’ viel hij tegen haar uit. Om de zaak niet erger te maken deed ze er het zwijgen toe en ging het nest in. Haar man keek me nors aan. ‘Had je soms wat?’ brieste hij. ‘Nee hoor, buurman, ik zei je vrouw alleen dat als ze iets nodig…’ ‘Zo is het wel genoeg, als er iets is, dan zeg je het tegen mij!’ baste hij. ‘Natuurlijk, buurman, goedendag dan,’ zei ik en ik deed het raam achtjes dicht.

Ik hoopte maar dat ze niet op hun vader zouden lijken.
Een paar dagen later zag ik dat de buurvrouw was bevallen: er lagen twee eieren in het nest. Onze buren kregen een tweeling, een twee-eiige tweeling. Ik hoopte maar dat ze niet op hun vader zouden lijken. Normaal gesproken zijn ongekookte eieren in de gevangenis niet toegestaan. Maar uit een gekookt ei komt geen kuiken. Kennelijk zou het leven hier uit allerlei verboden voortkomen. Ondertussen had de buurvrouw, zwanger en wel, een heel nest gebouwd. Meneer hoefde niet meer te doen dan iedereen te koeioneren.

Pasgeleden werd ik ’s ochtends wakker van een enorm mussengekwetter. De deur naar onze luchtplaats was nog niet open. Maar door het raam op de bovenste verdieping heb je een beter zicht op het nest. Ik ging kijken wat er aan de hand was. Het kabaal was oorverdovend. Je zou denken dat er ergens een betoging gaande was, de politie een charge uitvoerde en iemand riep dat ze geen traangas moesten inzetten. Vier mannetjesmussen hadden het nest omsingeld en zaten eendrachtig te tsjilpen. Het buurpaar probeerde het uit alle macht te verdedigen.

Voor zover ik uit het lawaai kon opmaken, stonden er ‘hoge pieten’ voor de deur. Eentje had een dik verenpak, dat moest de commandant wel zijn. ‘Luister!’ baste de vogel op ambtelijke toon. ‘Jullie hebben hier zonder vergunning een nest gebouwd. Je kunt nu kiezen: óf we breken zonder pardon dat nest af, óf jullie staan, zodra er een ei is uitgebroed, bij wijze van boete een van de jongen af aan de vogelstaat.’ De andere drie pietjes vielen hem bij. ‘Over mijn lijk!’ klonk het onverzettelijk, dat was het vrouwtje, ze zat bij de ingang van het nest, haar vleugels half gespreid. ‘Jullie krijgen mijn nest niet en mijn kinderen niet!’ Het mannetje koos een andere toon, het was moeilijk te zeggen of hij bezwaar maakte dan wel smeekte: ‘Mijn vrouw heeft gelijk, over haar lijk, jullie krijgen onze jongen niet.’

‘Ik verzet me tot mijn laatste adem!’ riep het vrouwtje dapper.
De commandant en de slopersploeg drongen nog dichter op het mussenpaar. ‘Ik waarschuw jullie nu voor de laatste keer,’ zei de commandant. ‘Als jullie geen gehoor geven aan de bevelen van de regering, dan laat ik jullie alle twee vastzetten.’ De twee draaiden tegelijkertijd hun kopjes om, onze blikken kruisten elkaar. ‘Wat denk jij, buurman, wat moeten we nou?’ leken ze te zeggen. Ik probeerde hun duidelijk te maken dat ik me zou verzetten. ‘Ik verzet me tot mijn laatste adem!’ riep het vrouwtje dapper. ‘Vrouw, verzet je tot je laatste adem!’ voegde het mannetje daar nog luider aan toe. Ze aarzelde geen moment en stortte zich met haar hele hebben en houden op die stramme pieten. Tussen het prikkeldraad barstte een enorm tumult los, één grote chaos was het. Terwijler legendarisch verzet werd geleverd door het vrouwtje, dat zich tegen vier officiële vogels teweerstelde, hupte meneer aan de zijlijn heen en weer. ‘Momentje commandant, momentje.’ Het klonk haast smekend. ‘Laten we geen toestanden maken. Twee kinderen is voor ons toch veel te veel.’ De blik die het vrouwtje hem midden in de strijd toewierp, liet niet veel meer van hem over dan een hoopje veren. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ze bijna tien minuten lang in haar eentje verzet bood en er zo in slaagde die vier pieten uit de luchtplaats te verdrijven. De vastberadenheid waarmee ze het nest en de eieren tegen de minutenlange gewelddadige aanval verdedigde, was werkelijk ongelooflijk. Mijn seksegenoot, die niets beter kon verzinnen dan de lompe bruut uit te hangen, keek me aan. ‘Je hoeft me niet zo aan te kijken, beste Hamza,’ zei ik (ik had hem ondertussen Hamza genoemd), ‘eerst moet je de man en zo in jezelf doden.’ Hamza keek me wezenloos aan en hield zich voorlopig stil. Mocht er zich een nieuwe ontwikkeling voordoen, dan zal ik dat schrijven.

Lees méér van Standaard Uitgeverij