nieuws

Voorpublicatie. ‘De Troonpretendent’ van Rudi Hermans

Kort na de Eerste Wereldoorlog wordt in Boedapest een meisje van twaalf door haar ouders in een trein naar Vlaanderen gezet, samen met honderden andere kinderen. Veertig jaar later keert het meisje als vrouw van middelbare leeftijd, samen met haar zoontje voor het eerst terug naar haar geboortedorp in Terug naar Törökbálint. Nog een halve eeuw later reist de zoon terug naar het land van zijn moeder, gedreven door een krantenknipsel dat hij vond in haar nalatenschap. Er is sprake van een schat die bestemd is voor zijn moeder, de erfgename van een heuse koningin. De zoon wordt troonpretendent. De Troonpretendent van Rudi Hermans ligt vanaf dinsdag 14 maart in de boekhandel, maar wij laten jou nu al proeven van het derde hoofdstuk.

Drie

Op de dag dat mijn moeder stierf, beleefde ook ik een bang moment, maar ik was niet alleen met mijn grote angst. Mijn vrouw was bij mij in dat uur van nood. We hebben elkaar voor nog erger behoed.
We hadden onszelf op een weekend vergast. Het was nog wel winter, maar de lente lonkte en er was voor dat weekend mooi weer beloofd. We hadden in laatste instantie geboekt, een bescheiden hotel in de Hoge Ardennen, te midden van eindeloos woud en wild dat ’s avonds bereid op ons bord zou belanden.

Hoe mijn moeder het maakte, ik wist het niet. Zij had al lang niets meer gehoord van mij en ik niet van haar. Mijn familie was karig met nieuwsbulletins en mijn drang om te weten was afgeflauwd. Wij waren uitgepraat, zij en ik. Oud en versleten, verward op het einde, was haar geheugen verlost van mijn naam. Ik bid dat die van haar mij zal bijblijven.

Oud en versleten, verward op het einde, was haar geheugen verlost van mijn naam. Ik bid dat die van haar mij zal bijblijven.

We waren vroeg in de middag op pad gegaan. Het was vochtig koud, allesbehalve het weer dat voorspeld was. Maar dat deerde ons niet, we waren ervaren wandelaars, voorzien van een stafkaart en stevige schoenen, een jack dat zelfs winterse koude verdroeg, en eten en drinken voor meer dan een dag. Ik had op de kaart een tocht uitgezet die een stuk door het bos liep en daarna stroomopwaarts terug naar het hotel. Ik maakte een domme beginnersfout, want calculeerde de regen niet in die de vorige dagen was gevallen. De rivier stond hoog, zo hoog dat het pad langs de oever niet begaanbaar was. We liepen al uren. De vaalgrijze lucht leek wel zwanger van sneeuw en een blik op de kaart maakte duidelijk dat er geen andere keuze was: de hele weg terug, of de heuvel op, waardoor we die terugweg aanzienlijk verkortten. Voor wat ons daarna overkomen is, ben alleen ik verantwoordelijk want ik dreef ons de steile heuvel op, ook al maande mijn vrouw tot voorzichtigheid aan. Ik luisterde niet, te dwars, te moe voor dat hele eind terug. Aan de voet van de heuvel lag naakte rots. Daar moesten we over om op de beboste rug te raken. Eenmaal zover, was het een kwestie van sterke benen. Klimmen kost kracht, maar het alternatief kostte veel te veel tijd. Het schemerde al en een tocht door een donker, dicht bos schrikte me af. Ik sprong op de rots en begon aan de klim.

Ik was nog maar amper de rots voorbij en mijn vrouw stond nog altijd beneden te wachten, toen het plots hevig begon te sneeuwen. We hadden een zachte winter gekend, met amper wat stuifsneeuw af en toe, maar net die dag, op dat moment, brak er een ware sneeuwstorm los. In een mum van tijd was het landschap wit, alleen maar ontsierd door de zwarte rivier die nog aanzwol, zo scheen het, door de sneeuwmassa. Mijn vrouw leek een sneeuwpop met een muts en een sjaal, en twee donkere ogen die mij geen ogenblik loslieten. Ze spoorde me aan om terug te keren, maar dat wilde ik niet. Ik stond daar nu eenmaal, boven de rotsen, ik wilde alleen maar verdergaan. Ik wees haar de weg die ze volgen moest. De rotsblokken waren al ondergesneeuwd, maar ze vormden samen een natuurlijke trap waarlangs ze probleemloos naar boven kon. Ik had het haar immers al voorgedaan, ze hoefde alleen maar te volgen. Dat deed ze ten slotte, maar tegen haar zin, benauwd voor een val op de spekgladde rots. Traag maar gestaag klom ze naar boven en ik feliciteerde haar met haar prestatie toen ze uiteindelijk naast me stond. Ik zag hoeveel moeite het had gekost, maar het ergste, zei ik, was achter de rug.

Terwijl mijn angst mij verlamde, gaf haar angst haar de kracht om te kruipen. Zij redde zichzelf en daardoor ook mij, want haar moed was voldoende voor twee.

Deerlijker heb ik me nooit vergist. De helling was ongemeen steil, losliggende stenen en takken waren door de sneeuw al afgedekt. Elke steun, elk houvast kon verraderlijk zijn. Van beneden gezien leek de heuvelrug redelijk dicht begroeid, maar de sparren stonden ver uit elkaar, bleek het, te ver om via een laaghangende tak de brug naar de volgende boom te slaan. Er was geen andere mogelijkheid dan plat op de buik naar boven te kruipen, met schrapende voeten en klauwende vingers die gaandeweg almaar gevoellozer werden door de kou, ondanks de handschoenen. Deze klim was van meet af aan gekkenwerk. Toen ik dat inzag, was het te laat. Ik keek achterom en schrok van de steilte onder me. Met mijn wang in de sneeuw schoot mijn blik als een schietlood de diepte in. De muur leek loodrecht. Schuin keek ik omhoog. We waren nog niet halfweg, zag ik, maar ik wist dat we niet konden terugkeren. Als we eenmaal begonnen te glijden, zou alleen maar een boom onze vaart kunnen remmen, of de rots aan de voet van de heuvel. In het beste geval braken we een arm of been, in het slechtste onze schedel of nek. Doodstil bleef ik liggen, verlamd door de schrik, die ook mijn vrouw parten speelde. Maar in tegenstelling tot mij kroop zij nog altijd naar boven, handje voor handje, voetje voor voetje. Toen zij ter hoogte van mij was gekomen, stopte ze niet of keek me niet aan. Ik bestond niet voor haar, en dat kon ik haar zelfs niet kwalijk nemen. Ik had haargedwongen om mij te volgen, nu drong ze mij haar beslissing op. Aan mij om te volgen, of niet.

Wat ze presteerde was buitengewoon, want ze groeide boven zichzelf uit. Terwijl mijn angst mij verlamde, gaf haar angst haar de kracht om te kruipen. Zij redde zichzelf en daardoor ook mij, want haar moed was voldoende voor twee. Ieder lid van een paar dat al lang bij elkaar is, vraagt zich ooit af wie van hen beiden het langst zal leven en of de ander als langstlevende de wil en de kracht vindt om verder te gaan. Ik kreeg mijn antwoord die dag, op het ogenblik dat zij mij achterliet. Het was een geruststellend ogenblik, want ik hoefde voortaan niet meer bekommerd te zijn of mijn einde de dood van mijn vrouw zou versnellen, door smart om mijn heengaan gebroken, kapot. Zij zou zich wel redden, en ik gunde haar toen, op die heuvel al, dat zij een betere man zou ontmoeten dan ik al die jaren voor haar was geweest. Heeft zij dat zelf ook aangevoeld? Er is tussen ons iets veranderd die dag. De orde werd niet verstoord, maar trad in. Zij was sterker dan ik, de man die de rol van de sterkere speelde omdat dat nu eenmaal traditie was, maar die, met de neus op de feiten gedrukt, zijn tooisels van waardigheid aflegde.

Zij zou zich wel redden, en ik gunde haar toen, op die heuvel al, dat zij een betere man zou ontmoeten dan ik al die jaren voor haar was geweest. Heeft zij dat zelf ook aangevoeld? Er is tussen ons iets veranderd die dag.

Terug in het hotel stroopten we onze natte kleren af en al onder de douche, waarvan we de deugddoende warmte deelden, begon met een kus wat in bed met de paring werd afgerond. We weerden onze doodsangst met levensdrift, een reflex van de mens aan de rand van zijn graf. We leefden en wilden elkaar ook bewijzen dat er nog leven in ons zat. Meer dan de climax voldeed ons het stoten en glijden, het hijgen en zweten, ons vocht dat zich mengde, zoals wij onszelf verenigden. De daad was belangrijker dan het gevolg. We douchten opnieuw, elk apart, en maakten ons klaar voor het wild op ons bord.

We dronken nog meer dan we aten die avond, en zochten meer dan voldaan onze kamer op. Het was laat, ik was moe en door de roes van de wijn leek de dag nog bijzonderder dan hij al was. Mijn leven zou nooit meer hetzelfde zijn, bedacht ik terwijl ik een plas stond te doen. Mijn rol was veranderd, ik was geen voortrekker meer maar een volgeling. Ik voelde verlichting van tweeërlei aard terwijl ik me klaterend liet leeglopen.

Ik kleedde me uit in de badkamer en stond met mijn onderbroek in mijn hand toen mijn vrouw binnenkwam, mijn gsm in haar hand. Ze keek beduusd naar mijn slip, alsof ze mijn naaktheid niet passend vond bij de boodschap die zij mij moest brengen.
‘Bel je voicemail maar.’
Ze gaf me het toestel, maar vermeed mijn blik. Ze liep de badkamer uit en opeens bekroop me een voorgevoel en kreeg wat die middag gebeurd was zijn plaats. Ik drukte het nummer, maar voordat de verbinding tot stand was gekomen brak ik de oproep weer af. Ik keek lang naar mijn spiegelbeeld, naakt en bang, maar ook hij wist geen raad met de onderbroek. Dus trok ik ze aan en liep de badkamer uit.
Boven het hoofdeinde van het bed, op de rand waarvan mijn vrouw zat te wachten, gaven twee nachtlampjes karig licht. Het schiep een sfeer die paste in een rouwkapel. Ik draaide het helle plafondlicht aan.
‘Doe dat uit, alsjeblieft.’
Ik liet het aan want ik wou dat ze zag wat ik deed, dat ze zag hoe ik rustig luisterde naar de stem van mijn broer die me zei wat ik wist, die me vroeg om hem terug te bellen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief