Door een misverstand bevinden de Britse politieagente Madeline en de mensenschuwe schrijver Gaspard zich allebei in het voormalige appartement van gerenommeerde schilder Sean Lorenz. Gebroken door de moord op zijn zoon, is hij het jaar ervoor overleden. De drie schilderijen die hij naliet, zijn spoorloos. Gaspard en Madeline gaan op onderzoek uit, maar dat zal hun levens voorgoed veranderen…

Het jongetje

Londen, een zaterdag tegen het einde van de ochtend
Je weet het nog niet, maar binnen drie minuten zul je een van de zwaarste beproevingen van je leven beleven. Een beproeving die je niet hebt zien aankomen, maar die even pijnlijk zal zijn als een witheet stuk ijzer op een zachte huid. Voorlopig dwaal je kalm rond in de galerij van het winkelcentrum met de allure van een ouderwets atrium. Na tien dagen regen is de hemel weer prachtig diepblauw. De zonnestralen die de etalage van het warenhuis doen oplichten, hebben je in een vrolijke stemming gebracht. Om het begin van de lente te vieren, heb je jezelf zelfs die korte, rode jurk met witte stippen cadeau gedaan, die je al twee weken op het oog had. Je voelt je licht, bijna vrolijk. Je dag is op een fijne manier begonnen: eerst lunchen met Juul, je beste vriendin, een bezoek aan de manicure als meiden onder elkaar, ongetwijfeld een tentoonstelling in Chelsea en dan vanavond het concert van PJ Harvey in Brixton.
Een kalme reis door de behaaglijke meanders van je leven.

Tot je het plotseling ziet.
Tot je het plotseling ziet.
Een kleine, blonde jongen in een tuinbroek van spijkerstof en een marineblauwe houtje-touwtjejas. Misschien twee jaar oud, of iets ouder. Grote, heldere pretogen die fonkelen achter een gekleurde bril. Een fijn getekend gezichtje en een rond babyhoofdje met lichte, korte krullen als een baal hooi in de zomerzon. Je kijkt al een tijdje vanuit de verte naar hem, maar hoe dichterbij je komt, hoe gefascineerder je raakt door zijn gezicht. Een onbedorven gebied, stralend, nog niet aangedaan door pijn of angst. Op dat gezichtje zie je een waaier van kansen. Onbedorven levensvreugde en geluk.
Nu kijkt hij jou ook aan. Zijn gezicht klaart op in een onschuldige glimlach. Trots laat hij je het metalen vliegtuigje zien dat hij tussen zijn mollige vingers boven zijn hoofd laat vliegen.
‘Vroemmm…’
Terwijl je naar hem teruglacht, begint een vreemd gevoel zich meester van je te maken. Als het trage gif van een onbegrijpelijke gewaarwording die je hele wezen besmet met een onbekende droefheid.
Het kind heeft zijn armen uitgespreid en begint rondom de stenen fontein te dribbelen, die water opspuit onder de koepel van de galerij. Heel even denk je dat hij naar jou toe komt en dat hij in je armen zal vallen, maar…
‘Papa, papa! Kijk dan, ik ben een vliegtuig!’
Je kijkt op en je blik kruist die van de man die het kind met een grote zwaai oppakt. Een kil lemmet doorsnijdt je lichaam en je hart stopt met kloppen.
Die man ken je. Vijf jaar geleden heb je een amoureuze relatie met hem gehad die ruim een jaar heeft geduurd. Voor hem ben je uit Parijs weggegaan en heb je in Manhattan een nieuwe baan gezocht. Je hebt zelfs zes maanden lang geprobeerd een kind te krijgen, wat niet is gelukt. Toen is de man teruggegaan naar zijn ex-vrouw, bij wie hij al een kind had. Je hebt je uiterste best gedaan hem tegen te houden, maar dat was niet genoeg. Het was een pijnlijke periode in je leven en nu je denkt dat het je is gelukt die pagina om te slaan, kom je hem vandaag tegen. En dat breekt je hart.
En dat breekt je hart.
Je begrijpt je verwarring nu beter. Je zegt tegen jezelf dat dat kind het jouwe had kunnen zijn. Dat dat kind het jouwe had móéten zijn.
De man heeft je onmiddellijk herkend en hij ontwijkt je blik niet. Aan zijn verwarde gezichtsuitdrukking zie je dat hij even verbaasd is als jij, slecht op zijn gemak, zich lichtelijk schamend. Je denkt dat hij naar je toe zal komen om te praten, maar als een ree in het kreupelhout maakt hij een beschermende beweging naar zijn nageslacht en beent gehaast weg.
‘Kom, Joseph, we gaan.’
Terwijl de vader en zijn zoon weglopen, kun je je oren niet geloven. ‘Joseph’ is een van de voornamen die jullie samen hadden uitgekozen voor jullie toekomstige kind. Je ogen raken vertroebeld. Je voelt je onteigend. Een zware loomte overvalt je en enkele minuten lang blijf je als verstijfd staan, sprakeloos en verlamd, met een brok in je keel.

Met grote moeite bereik je de uitgang van het winkelcomplex. Je hart bonst in je oren, je beweegt als een automaat, je voeten zijn als lood. In St James’s Park lukt het je een arm omhoog te steken om een taxi aan te houden, maar de hele rit zit je te trillen, vechtend tegen de gedachten die je overspoelen, en je vraagt je af wat er gebeurt.
Nadat de deur van je appartement achter je is dichtgeslagen, laat je meteen het bad volstromen. Je doet geen licht aan in je slaapkamer. Met je kleren aan ga je op bed liggen. Bewegingloos. Door je hoofd spoken de gedachten aan het kind met het vliegtuigje en al snel verandert alle wanhoop die je voelde toen je je vroegere minnaar zag in een gruwelijk gevoel van leegte. Een gemis dat op je borst drukt. Je huilt natuurlijk, maar je houdt jezelf voor dat tranen zuiverend werken en dat de crisis vanzelf zal overgaan. Maar de pijn zal zich verdiepen, opzwellen en je breken als een plotselinge vloedgolf, die je meesleurt en alle dijken doet barsten, die jaren van ontevredenheid, wrok en teleurgestelde wanhoop blootlegt. Wonden openrijtend waarvan je dacht dat ze waren genezen.

Wonden openrijtend waarvan je dacht dat ze waren genezen.
Al snel kronkelt er een kil monster van paniek over je ledematen. Je springt overeind. Je hart bonkt in je keel. Je hebt eenzelfde periode enkele jaren geleden al meegemaakt en toen is het niet goed afgelopen. Maar het lukt je niet die gedachte naast je neer te leggen, je kunt de onverbiddelijke molens niet stoppen. Oncontroleerbaar rillend wankel je naar de badkamer.
Het medicijnkastje. De buisjes met medicijnen. Je gaat in het bad liggen – dat overloopt – hoewel je je nog maar half hebt uitgekleed. Het water is te heet of te koud; je weet het zelfs niet meer en het maakt je niet uit. Er drukt een gewicht als een bankschroef op je borst. In je buik gaapt een diepe put. Voor je ogen spreidt zich een roetzwarte horizon uit, voor altijd versluierd door verdriet.
Je besefte zelf niet dat het zo erg met je was gesteld. De afgelopen jaren ben je een beetje de weg kwijtgeraakt, dat is waar, en je weet al heel lang dat het leven kwetsbaar is. Maar je had niet verwacht vandaag elk houvast te verliezen en zo snel van streek te kunnen raken. En je wist vooral niet dat er nog zo’n dikke slijklaag door je lichaam stroomde. Die donkerte, het gif, de ellende. Het gevoel van eeuwige eenzaamheid dat plotseling in je is ontwaakt en je terroriseert.

De medicijnbuisjes dobberen als bootjes op het water. Je maakt ze open en slikt de inhoud met handen vol in. Maar dat is niet genoeg. Je moet tot het einde doorgaan. Dus pak je het lemmet van het scheermes dat op de badrand ligt en laat het langs je onderarm glijden.
Je hebt er altijd bitter tegen gevochten, maar vandaag ben je daartoe niet langer in staat, want je vijand laat je niet los en hij kent je beter dan jij jezelf. Terwijl het mes je aderen nadert, denk je spottend terug aan de overdreven vreugde die je vanmorgen voelde toen je de zon door het raam zag schijnen.
En dan komt dat vreemde, geruststellende moment waarop je weet dat de teerling is geworpen en je enkele reis al is begonnen. Gehypnotiseerd kijk je naar het bloed dat, verdund in het water, prachtige, naamloze kronkelingen vormt. Terwijl je voelt dat je gaat, besef je dat de pijn in elk geval zal verdwijnen en juist op dit moment is dat van onschatbare waarde.
Terwijl de duivel je meeneemt door brandende stoomflarden, zweeft het beeld van het jongetje weer door je gedachten. Je ziet hem op een strand, aan zee. Een plek die Griekenland zou kunnen zijn, of Zuid- Italië. Je bent vlak bij hem. Zo dichtbij, dat je zelfs kunt ruiken hoe hij naar zand geurt, naar koren, geruststellend als een zachte zomeravondbries.
Wanneer hij naar je opkijkt, zie je geroerd zijn knappe gezichtje, zijn mopsneusje en zijn vrolijke tanden, die zijn glimlach onweerstaanbaar maken. Hij spreidt zijn armen open en begint om je heen te rennen.
‘Mama, kijk, ik ben een vliegtuig!’

1 Het syndroom van Parijs

Vliegveld Roissy-Charles-de-Gaulle, aankomsthal.
Beslist een soort hel op aarde.
Bij de paspoortcontrole verdrongen zich honderden reizigers in een vastgelopen wachtrij die zich eindeloos uitstrekte als een vette boa. Gaspard Coutances keek op in de richting van de rij plexiglas cabines die twintig meter verderop stonden. In de reeks hokjes stonden slechts twee arme marechaussees om de enorme toestroom aan passagiers te controleren. Gaspard slaakte een wanhopige zucht. Elke keer wanneer hij op dit vliegveld kwam, vroeg hij zich af hoe de verantwoordelijke functionarissen de verwoestende gevolgen konden negeren van een zo gruwelijke eerste kennismaking met Frankrijk.
Hij beheerste zich. Alsof dit alles nog niet genoeg was, was het er vreselijk warm. De atmosfeer was klam, benauwd en doordrongen van een afschuwelijke stank van zweet. Gaspard nam plaats tussen een puber die eruitzag als een motorrijder en een groep Aziaten. De spanning was voelbaar: na de jetlag van een vlucht van tien of vijftien uur begrepen de passagiers, die er als zombies bij zaten, dat er nog geen einde was gekomen aan hun martelgang.

De lijdensweg was vlak na de landing begonnen
De lijdensweg was vlak na de landing begonnen. Zijn vlucht uit Seattle  was weliswaar op tijd aangekomen – het vliegtuig was even voor negen uur die ochtend geland – maar ze hadden ruim twintig minuten moeten wachten voordat de slurf was aangekoppeld en ze het toestel konden verlaten. Daarop was een eindeloos lange wandeling door verouderde gangen gevolgd. Een ergerlijk zoeken naar de ingewikkelde, half verborgen richtingborden en een struikelende tocht over kapotte roltrappen, waarna hij de grootste moeite moest doen om niet in een overvolle pendelbus te worden geplet, waarna ze uiteindelijk als beesten waren losgelaten in deze sombere ruimte. Welkom in Frankrijk.
Gaspard baadde in het zweet, met zijn reistas over zijn schouder. Hij voelde zich alsof hij, sinds hij het vliegtuig had verlaten, al drie kilometer had gelopen. Verslagen vroeg hij zich af wat hij hier eigenlijk deed. Waarom veroordeelde hij zichzelf elk jaar tot een maand opsluiting in Parijs om een nieuw toneelstuk te schrijven? Hij lachte zenuwachtig. Het antwoord was eenvoudig en klonk als een slogan: schrijftechniek in een vijandige omgeving. Elk jaar huurde Karen, zijn agente, voor een maand een huis of een appartement waarin hij rustig kon werken. Gaspard haatte Parijs zo erg – en vooral de kerstperiode – dat het hem geen enkele moeite kostte vierentwintig uur per dag opgesloten te blijven zitten. Resultaat: het stuk schreef zichzelf. Of bijna. In elk geval was zijn tekst eind januari altijd klaar.
Het wachten werd een beproeving.
De rij slonk tergend traag. Het wachten werd een beproeving. Opgewonden kinderen renden schreeuwend langs de afscheidingen, een groep ouderen hield zich aan elkaar vast om niet ter plekke in elkaar te zakken, een baby spuugde de inhoud van zijn flesje uit in de hals van zijn moeder.
Die verdomde kerstvakanties… jammerde Gaspard, en hij hapte een grote teug bedorven lucht. Toen hij de ontevreden gezichten van zijn ongelukkige medereizigers zag, herinnerde hij zich een artikel dat hij in een tijdschrift had gelezen, dat ging over het ‘syndroom van Parijs’. Elk jaar werden tientallen Japanse en Chinese toeristen in het ziekenhuis opgenomen, en vaak gerepatrieerd, vanwege ernstige psychiatrische stoornissen die hen tijdens hun eerste bezoek aan de hoofdstad hadden getroffen. Zodra ze in Frankrijk waren aangekomen, begonnen die vakantiegangers allerlei vreemde symptomen te vertonen: deliria, depressies, hallucinaties, paranoia. Na verloop van tijd hadden de psychiaters er een verklaring voor gevonden: de aandoening van de toeristen werd veroorzaakt door het grote verschil tussen hun fantastische voorstelling van de lichtstad en de werkelijkheid. Ze dachten de fantastische wereld van Amélie Poulain aan te treffen, uit de films en de reclames, maar in plaats daarvan troffen ze een harde, vijandige stad aan. Hun droomstad – die van de romantische cafés, boekenstalletjes langs de Seine, Montmartre en Saint-Germain-des-Prés – verbrijzelde in het aanzien van de werkelijkheid: de smerigheid, de zakkenrollers, de onveiligheid, de alom aanwezige vervuiling, de lelijkheid van de grote, stedelijke gebouwen en het verouderde openbaar vervoer.
Om aan iets anders te denken, haalde Gaspard enkele in vieren gevouwen velletjes papier uit zijn zak. De beschrijving en de foto’s van de vergulde gevangenis die zijn agente voor hem in het 6e arrondissement had gehuurd. Het vroegere schildersatelier van Sean Lorenz. De foto’s waren aanlokkelijk en beloofden een heldere, open, rustgevende ruimte, uitstekend geschikt voor de schrijfmarathon die hem wachtte. Meestal vertrouwde hij foto’s niet, maar Karen had het appartement bekeken en ze had hem verzekerd dat het hem zou bevallen. En zelfs nog meer, had ze er geheimzinnig aan toegevoegd.
En zelfs nog meer, had ze er geheimzinnig aan toegevoegd.
Hopelijk zou hij er snel zijn.
Hij moest nog ruim een kwartier wachten tot een van de marechaussees zich verwaardigde een blik in zijn paspoort te werpen. Vriendelijk als een gevangenisdeur, het soort dat ‘goedendag’ noch ‘dank u wel’ zei en niet reageerde op zijn ‘nog een fijne dag’ toen hij zijn identiteitspapieren terugkreeg.
Opnieuw verbaasde Gaspard zich over de borden. Hij ging de verkeerde kant op en liep even later terug. Een reeks roltrappen. Een rij automatische deuren, die steevast te laat reageerden. Snel liep hij de rolvloeren over. Gelukkig was hij niet zo dom geweest bagage mee te nemen die moest worden opgehaald.
Hij bevond zich nu niet ver meer van de uitgang van de hel. Hij vocht om zich los te maken uit de gebruikelijke menigte die de aankomsthal blokkeerde, baande zich een weg door de drukte, liep een stel omver dat elkaar stond te zoenen en sprong over passagiers die op de kale vloer lagen te slapen. Recht voor hem uit betekende de draaideur met een bordje uitgang – taxi’s erboven het einde van zijn beproeving. Daar, nog enkele meters en hij zou uit deze nachtmerrie zijn bevrijd. Hij zou een taxi nemen en met zijn hoofdtelefoon op met de piano van Brad Mehldau en de bas van Larry Grenadier aan de werkelijkheid ontsnappen. Straks, vanmiddag, zou hij meteen beginnen met schrijven en hij…
De regen temperde zijn enthousiasme. Een stortbui geselde het asfalt vanuit een loodgrijze hemel. In de lucht hing een elektriserende droefheid. Geen enkele taxi te zien. Wel bussen van crs en verdwaalde passagiers.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij aan een kruier die bij een asbak op een voet onaangedaan een sigaret stond te roken.
‘Weet u dat niet? Er wordt gestaakt, meneer.’

Meer lezen? Vanaf 1 mei kan je Het appartement in Parijs hier bestellen.

Lees méér van Standaard Uitgeverij