Reisjournaliste Ingrid Castelein neemt je op het ritme van de seizoenen mee naar dorpjes als Nyons, Montbrun-les-Bains en Mollans-sur-Ouvèze. Je bezoekt de Provençaalse marktjes van Malaucène en Buis-les-Baronnies. Voor wie het wat pittiger mag: Ingrid fietste een pak cols op en doet verslag van de storm die de Mont Ventoux teisterde toen ze er kampeerde. Ze besteedt ook aandacht aan de renner Tom Simpson, die vijftig jaar geleden overleed op de Ventouxflank en er een monument kreeg.

MAART

COL DE L’HOMME MORT

Men zegt dat je in de Provençaalse kazen subtiel de kruiden uit de natuur proeft, want wat schapen en geiten eten, beïnvloedt de smaak van hun vlees en melk. Wij ontbijten met een zachtgekookt
lavendeleitje. Figuurlijk althans, want alsnog scharrelen de kippen vooral in de plantenperken. Ondertussen komt de zon uiterst rechts van De Berg op, gisteravond ging ze uiterst links onder. Hier staat de Ventoux duidelijk in het noorden.

De kerkklokken kondigen de zondag aan. Dichterbij kondigen klingelende bellen een troep schapen aan. Hoe idyllisch kan een zondagochtend zijn?

Monieux, het dorpje aan de voet van de Gorges de la Nesque, ligt binnendoor op amper 10 kilometer en wordt ons eerste fietsdoel. Het is zonnig en windstil, wat even anders is dan gisteren. Toen zwiepten de pijnbomen en hingen de fietsers schuin tegen de wind aan. Het ritje loopt eerst op een hoogvlakte, de kale bomen geven een vergezicht op de Ventoux en de lavendelvelden. Dat is een voordeel van de vroege lente: een bijna ongehinderde doorkijk door de bossen. Op een bepaald moment zetten we een steile afdaling in naar de vallei met de Nesque. Aan de overkant, tegen de heuvel aan, krijgen we gaandeweg Monieux te zien en te horen. De kerkklokken kondigen de zondag aan. Dichterbij kondigen klingelende bellen een troep schapen aan. Met kerst sloten we ons verblijf af met schapenen op onze eerste dag terug in de Provence zien we er weer. Hoe idyllisch kan een zondagochtend zijn?

De kudde beweegt zich wat lager voort op de rijweg. We besluiten om te wachten tot ze weg zijn van de route. De schapen, een driehonderdtal, vrezen we niet maar de witte waakhonden erbij, de patous, wel. Want die verdedigen hun kudde met hand/poot en tand en maken daarbij niet altijd het onderscheid tussen passanten of bedreigingen, vertelden Myriam en Pierre gisteravond. Zodra de troep de heuvel op is, fietsen we stil verder, om geen aandacht te trekken, en even stoppen voor een foto laat ik ook maar achterwege. Het asfalt toont de sporen en uitwerpsels van de schapen, ook hun geur hangt er nog.

We maken een ommetje via de Plan d’Eau waar de visclub en zijn kantine open zijn. Hengels hangen in het water, een paar campers staat er geparkeerd. In Monieux fietsen we tot op het
Place Léon Doux. Doorgaans is het gros van dit plein ingenomen als terras voor het restaurant Les Lavandes. Vorige zomer dineerden we hier. Nu is het restaurant dicht en de terrastent opgebroken. Nog tot volgend weekend, 19 maart, zegt een bericht aan het aimable clientèle, dan herbegint het seizoen. Alsnog heerst er complete rust, op het klaterend fonteinwater en een borende specht na.

We passeren een klein kabbelend riviertje, de Nesque. Het is nauwelijks te geloven dat die ooit zo krachtig was om het landschap te doorklieven met machtige gorges als gevolg.

Langs het lavendelveld waar vorige zomer volop toeristen poseerden en foto’s namen – er stond zelfs een autobus – rijden we door naar Sault. Stond het veld toen uitbundig in bloei, nu zijn de struikjes kort gesnoeid en zijn er geen toeristen te bespeuren. We passeren een klein kabbelend riviertje, de Nesque. Het is nauwelijks te geloven dat die ooit zo krachtig was om het landschap te doorklieven met machtige gorges als gevolg.

In Monieux was niets open, maar in Sault kunnen we op het terras van Le Promenade wel terecht. Aan de balustrade van het terras hangen dezelfde foto’s uit de reeks Silence du Ventoux die we afgelopen winter in Reilhanette zagen. Hier ontmoette ik een paar zomers geleden het Nederlandse koppel Mirjam en Gert-Jan en gisten we samen naar de nationaliteit van Gitaarman. Toen werd gevochten voor een vrij tafeltje, nu hebben we alle keuze. Er zit welgeteld één man met een petit café. Tot nog toe is deze eerste vakantiedag niet slecht voor een zondag zo halverwege in maart. Misschien bevalt het me ook zo omdat het de eerste rit is in de Provence. Die heeft steeds iets magisch. Het fijne gevoel van terug te zijn, van hier te fietsen.

De boulodrome op de brede esplanade is leeg, op een dame die haar hond uitlaat na. Twee wandelaars in winterjas komen even tot aan de gemetselde reling. Het zicht op de Ventoux is hier nogal beperkt, slechts deels toont De Berg zijn witte kraag. Veel winkels zijn dicht, met uitzondering van de souvenirshop. Op de stoep staan rekken met tafelnappen en mauve theedoeken met lavendelmotiefjes. Deze kun je altijd kopen, zomer én winter. Kinderstemmetjes klinken in de verte, en kerkklokken. Zondagochtend wordt voorlopig meer gekenmerkt door het luiden van klokken dan door fietsers. We zijn nog geen enkele andere fietser tegengekomen, toch is het weer perfect: een voorzichtig zonnetje en windstil.

Terwijl we koffie drinken, bestuderen we de kaart. We logeren in een andere hoek van de Vaucluse en het is fijn om van hieruit nieuwe ritjes, dorpjes en cols te ontdekken. Het is een regio met een ander landschap ook, we passeerden op onze rit geen enkele wijngaard, alleen lavendelvelden en bossen. Met de kortere dagen spenderen we ’s middags liever niet veel tijd aan tafel, maar gaan we ’s avonds eten. Het wordt vanmiddag dus een picknick want we hebben ondertussen ons volgende doel bepaald.

Ik wil doorrijden naar de Col de l’Homme Mort. Sinds we er deze winter kwamen, droom ik ervan om daar te fietsen. Het is een prachtige rit en ik wil weten wat mijn conditie waard is, want ik legde mezelf voor de afreis een heuse training op. Wegrijdend uit Sault krijgen we eerst een fietspad onder de wielen en passeren we de gemeentelijke camping. Hij is dicht. Een aan tal caravans overwintert er, tot onze verbazing, compleet met opgestelde voortent. ‘Ze hebben hier blijkbaar geen vrees voor mistral.’ In Bédoin waren er zelfs dagen in de zomer dat je, terwijl je er logeerde, de voortent niet durfde te laten staan.

Ik wil doorrijden naar de Col de l’Homme Mort. Sinds we er deze winter kwamen, droom ik ervan om daar te fietsen.

Op dit traject passeren we wel andere fietsers. Een man alleen en wat later een groepje van drie. Voor de rest geen hond, ook geen auto’s, wat zalig is. In het dorpje Ferrassières besloten de bewoners van een huis om te barbecueën. Een ronde ketel die overlangs werd doorgesneden staat op straat, met brandende takken erin. Het landschap wijzigt, bomen worden schaarser, het uitzicht weidser met rondom lavendelvelden: voor ons, naast ons, achter ons.

Ook de Ventoux wijzigt. We startten deze rit aan zijn voorkant en bereikten nu zijn achterkant. Lijkt het aan de zuidkant alsof je de twee armen van De Berg ziet, hier toont hij ons zijn rug en steekt hij zijn linkerschouder – extra wit door de sneeuw – omhoog in een krachtige hoek. Heel mooi en bijzonder. ‘Vanuit Ferrassières is het nog 5 kilometer tot op de Col de l’Homme Mort’, weet Marc. ‘5 kilometer non-stop klimmen’, en daar bereid ik me mentaal op voor. Tot nog toe was ik ontspannen aan het rijden, rondkijkend, af en toe stoppend voor een foto, als een echte toerist-op-de-fiets. Nu breng ik mezelf in een cadans, ook mentaal – niet praten, niet kijken, niets doen behalve trappen. Ik focus op het halen van de top.

Op een zeker moment passeren we links een terrein vol zonnepanelen, meteen daarna volgt de boomgrens waar vrij abrupt alle lavendelvelden overgaan in bos. Geel-witte paaltjes duiden onderweg elke kilometer aan. Elk daarvan heb ik heel duidelijk gezien, beleefd, en afgeteld als ik uiteindelijk het exemplaar boven op de col bereik. Het is van plastic, niet van beton. Het bord met de naam en hoogte – ‘Col de l’Homme Mort 1213 m’ – staat op paaltjes, zo laag dat ik erop kan leunen.

De klim was toch pittig, ik voel me net niet ‘Femme Morte’.

Nu breng ik mezelf in een cadans, ook mentaal – niet praten, niet kijken, niets doen behalve trappen. Ik focus op het halen van de top.

In het zonnetje, aan de voet van het bord, verorberen we de picknick – stokbrood met paté die we in het centrum van Sault hebben gekocht bij de beenhouwerij Yves et Virginie. We eten snel, want we koelen vlug af. Minder dan tien minuten later vertrekken we opnieuw, goed ingeduffeld. Mijn bandana trek ik op tot voorbij mijn neus. De terugrit voelt door de snelheid en de wind bij het afdalen bar en koud aan. Bovendien krijgen we regen over ons heen, ik raak compleet verkleumd en fiets als een gek. Als we opnieuw Saint-Jean-de-Sault bereiken, hebben we dik 52 kilometer én mijn eerste col van dit jaar op de teller. De test is geslaagd.

De klim was toch pittig, ik voel me net niet ‘Femme Morte’.

’s Avonds gaan we eten in restaurant-pizzeria Le Fugone, een van de weinige adresjes die op deze zondagavond open is. Het is een intieme stek, er is plaats voor pakweg dertig couverts, met een open houtvuur waarin de chef – een Corsicaan, aldus de opgehangen vlag – zowel pizza’s als vlees bakt. De plek loopt vlug vol. Het zijn zonder uitzondering allemaal locals die elkaar en de kok groeten, met een handdruk of een kus. Er arriveren bevriende koppels, gezinnen met kinderen en groepjes jongeren. Een aantal mannen groet elkaar met ‘chef ’, en ‘mon commandant’. Het zijn gendarmes van de plaatselijke kazerne. Sault beschikt over een eigen gendarmerie en ook over een klein ziekenhuis.

We hebben stevige honger, maar de dame die de bestelling komt opnemen is verbaasd dat we een voorgerecht willen. ‘Dat is helemaal niet nodig. Onze porties zijn ruimschoots groot genoeg.’ We dringen aan dat we echt heel flinke trek hebben, maar Opneemdame blijft volhouden. Even overweeg ik of ik haar zal vertellen dat ik deze middag een col opfietste, de Col de l’Homme Mort nog wel, en ik net niet een Femme Morte was maar nu wel degelijk een Femme (avec) Faim.
‘Een slaatje dan misschien?’ probeer ik vervolgens. Want een voorgerecht is niet alleen een kwestie van honger, het is ook een kwestie van gezellig lang tafelen en ondertussen bijpraten. ‘Er komt salade bij alle gerechten’, pareert Opneemdame opnieuw. We leggen ons er bij neer. Het wordt voor Marc een entrecote en voor mij caille, farcie aux cèpes et au foie gras. Beide schotels komen
met dezelfde gratin, de beloofde sla en haricots verts. Uiteraard. Haricots verts fast immer. Als fietser moet je voor suikers zorgen, dus willen we afsluiten met een huisgemaakt dessert. En dat
is een optie waar Opneemdame gelukkig geen bezwaar tegen heeft, terwijl ze noteert: tiramisu en crème brûlée – vers gebrûleerd, het korstje is nog warm als het dessert arriveert.

Op vrijdag 17 maart wordt Route de la Lavande voorgesteld in het gemeentehuis van Ruiselede en ook jij bent van harte welkom. Ingrid Castelein zal er worden geïnterviewd door Annemie Struyf. Ook Joanne Simpson, dochter van de populaire overleden renner Tom Simpson, zal aanwezig zijn. Alle details vind je hier. Graag een bevestiging van je komst voor 7 maart via pers@standaarduitgeverij.be.

Lees méér van Standaard Uitgeverij