Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van een  leesfragment. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag een absolute klassieker van Tonke Dragt: Heb je al gehoord van de zeven, …?

1. Frans krijgt een geheimzinnige brief

En daarmee begint het verhaal

Dat is één

De rust begon te verdwijnen – er klonk gefluister, een kuchje, onderdrukt gegiechel, geschuifel van voeten, gekraak van banken, geritsel van papier.
Het was drukkend heet, al stonden de ramen open, evenals de deur naar de gang. De kinderen waren een uur lang doodstil geweest, waarschijnlijk meer door de warmte dan door de boetpredikatie waar de meester de middag mee begonnen was. Nu waren ze bijna allemaal klaar met de langdradige les die ze hadden moeten overschrijven uit hun taalboek. De rust begon te verdwijnen – er klonk gefluister, een kuchje, onderdrukt gegiechel, geschuifel van voeten, gekraak van banken, geritsel van papier. Frans van der Steg, die aan zijn tafel op het podium zat, keek verstoord op. Zijn strenge blik maakte echter weinig indruk, misschien ook omdat zijn bril op de punt van zijn neus was gezakt. Maar hij zei niets; hij had er gewoon geen zin in. In de eerste klas*, aan het eind van de gang, werd gezongen.

Heb je wel gehoord van de Zeven-, de Zeven-,
Heb je wel gehoord van de Zevensprong?

Wat een dreinende dreuntoon, dacht Frans van der Steg.

Ze zeggen dat ik niet dansen kan.
Ik kan dansen als een edelman.
Dat is één…

‘Nou, ik zou niet kunnen dansen op dit tempo,’ zei hij hardop. ‘In de tijd dat zij bij zeven zijn gekomen, heb ik tot honderd geteld.’ Het geroezemoes onder zijn leerlingen nam toe, maar voordat het in lawaai veranderde, maakte hij het stil door hard op zijn tafel te slaan. Vijfentwintig paar ogen keken hem aan. Frans beantwoordde de blik en deed toen alsof hij verderging met het nakijken van de schriften die voor hem lagen. Hij staarde naar de rode streep die hij onder de titel van Marjans opstel had gezet, de gehijme schad, en vroeg zich mistroostig af waarom hij eigenlijk zo zijn best deed zijn leerlingen goed te leren spellen. Hij wierp een blik op zijn horloge en hoorde de stem van Maarten, die op vragende toon zei: ‘Meester?’

‘Kees, Kees, je denkt nu wel, dat dit niet erg is en dat dit alles gauw is opgeraapt – maar ik heb aan den lijve ondervonden welk een verschrikkelijke gevolgen zulk een onhandigheid kan hebben.
Frans van der Steg keek weer op. Hij was er nog niet geheel aan gewend ‘meester’ genoemd te worden. Hij werkte nog maar kort in dit dorp en in de stad was hij ‘mijnheer’ geweest. Nu moest hij tegen Maarten zeggen: ‘Heb ik jou wat gevraagd?’ Maar in plaats daarvan zei hij: ‘Wat is er, Maarten?’ Opnieuw begon het geroezemoes. De kinderen zagen dat de meester niet boos meer was, en bovendien… ‘Het is vijf voor half vier,’ zei Maarten. Vijf voor half vier was de tijd om op te ruimen, en in geen enkele klas ging dat zo vlug als in de vijfde*. Dat was zo sinds de eerste schooldag na de grote vakantie. Toen was het om vijf voor half vier juist zeer rumoerig geworden, maar dat had niet lang geduurd. Kees, een van de drukste jongens, had zogenaamd per ongeluk een grote doos kleurpotloden laten vallen, tot heimelijk plezier van zijn klasgenoten. Meester Van der Steg had zijn hoofd geschud en met een ernstig gezicht gezegd: ‘Kees, Kees, je denkt nu wel, dat dit niet erg is en dat dit alles gauw is opgeraapt – maar ik heb aan den lijve ondervonden welk een verschrikkelijke gevolgen zulk een onhandigheid kan hebben. Een vriend van mij deed eens hetzelfde; alleen waren het toen geen potloden die hij liet vallen, maar twee handen vol lansen en speren.’ Kees had de meester met een dom gezicht aangekeken, maar Maarten, die altijd sprak voordat hem iets werd gevraagd, had gekraaid: ‘Hè, lansen en speren? Hoe kan dat nou?’ ‘Lansen en speren,’ had de meester herhaald, ‘met ijzeren punten, die niet zo gauw breken als de punten van potloden.
Maar een kabaal dat het maakte! En dat terwijl we midden in de nacht door het paleis slopen…’ ‘Welk paleis?’ ‘Het paleis van de koning van Torelore. We waren daar opgesloten als ratten in een val. Met de grootste moeite hadden we die speren uit de wapenzaal gestolen. En toen liet die stommeling ze op de grond kletteren! Natuurlijk werd iedereen wakker: de koning van Torelore, de koningin van Torelore, en alle krijgslieden met hun kromzwaarden. En ja, daarmee begon het festijn…’

Zijn leerlingen hadden geluisterd naar het verhaal van zijn avonturen in het Rijk van Torelore, en naar het verslag van zijn reis terug naar huis, compleet met schipbreuk en een onbewoond eiland; ze wisten alles van zijn verblijf in een duister kasteel waar het spookte, en van zijn krachtmeting met de Verschrikkelijke Sneeuwman in de Himalaya.
Muisstil was het in de klas geworden toen de meester verder vertelde. Pas nadat de bel was gegaan barstten de kinderen los: ‘En toen? Wat gebeurde er toen?’ De meester kon hen toch niet naar huis laten gaan voordat ze hadden gehoord hoe hij het had klaargespeeld te ontsnappen uit de diepste kerker van het koningspaleis, met dikke koorden gebonden en bewaakt door een hongerige leeuw. Maar Frans van der Steg had droogjes gezegd dat Kees de potloden nog op moest rapen en hen weggestuurd met de belofte, dat hij een andere keer wel verder zou vertellen. En dat had hij gedaan. Drie weken stond hij nu voor de vijfde klas en elke schooldag had hij verteld, onder het opruimen, van vijf voor half vier tot half vier, en op zaterdag veel langer, soms wel drie kwartier achter elkaar. Zijn leerlingen hadden geluisterd naar het verhaal van zijn avonturen in het Rijk van Torelore, en naar het verslag van zijn reis terug naar huis, compleet met schipbreuk en een onbewoond eiland; ze wisten alles van zijn verblijf in een duister kasteel waar het spookte, en van zijn krachtmeting met de Verschrikkelijke Sneeuwman in de Himalaya. ‘’t Is natuurlijk niet waar,’ zei Maarten wel eens. ‘U verzint maar wat.’ Dat begrepen de andere kinderen ook wel, maar daardoor werd hun belangstelling voor meesters avonturen niet minder. Misschien bestond hij in hun gedachten wel uit twee personen – de ene was gewoon hun onderwijzer, meester Van der Steg; de andere was een soort ridder zonder vrees of blaam, met haar als een rossige vlam, frans de rode, die het tegen ieder op kon nemen. En nu kon alleen een nieuw avontuur deze warme, saaie middag nog goedmaken. Gisteren was Frans de Rode heelhuids teruggekeerd van een expeditie naar de regenwouden van Oerozawa – hij had nog een paar minuten voor het begin van een volgende onderneming. Meester Van der Steg zette zijn bril recht, streek door zijn haar en schudde toen langzaam zijn hoofd. ‘Jongens,’ zei hij (dat zei hij altijd, hoewel er ook meisjes in de klas zaten), ‘ik ben moe.’ Hij wist dat hij zijn leerlingen teleurstelde, maar hij zou op dit ogenblik werkelijk niet weten wat hij moest vertellen. ‘Het zit namelijk zo,’ ging hij voort, ‘dat ik nog wacht…’ ‘Waarop, meester?’ (Niet nodig mee te delen wie dat vroeg.) ‘Op een brief,’ zei de meester. Dat was het eerste antwoord dat hem inviel. ‘Een zeer gewichtige brief,’ voegde hij erbij. ‘Misschien komt die vanavond. De afzender is… onbekend en onbemind… En ik hoop,’ besloot hij, ‘dat daarmee een nieuw
avontuur begint, met een mysterieuze en gevaarvolle opdracht.’ Daar moesten ze het maar mee doen, vond hij. Als de schriften en boeken waren opgehaald zou het tijd zijn. Hij leunde achterover in zijn stoel, onderdrukte een geeuw en neuriede afwezig mee met de kinderen van de eerste klas, die nog eens het lied zongen van de Zevensprong.