adventskalender

29 december

Tel met WPG mee af naar het nieuwe jaar met onze digitale adventskalender! Iedere dag van december krijg je van ons een kleine verrassing. Afgelopen najaar lanceerde Hilde Van Malderen haar eerste roman KathaaiNa een ingrijpende liefdesbreuk vertrekt Marie Margolis halsoverkop op weekend naar Amsterdam met een man die ze nauwelijks kent. Wat begon als een trip onder het motto no strings attached, draait al gauw uit op een driehoeksverhouding waarin Marie flirt met de grenzen van het fatsoen. Langzaam maar zeker vallen de maskers af en blijkt dat ware liefde ook haar vuile kantjes heeft. Lees hier alvast de drie eerste hoofdstukken.

‘Ga je me vermoorden?’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Omdat het kan. Niemand zal jou verdenken.’
‘Ik zal je niet vermoorden.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat je waarschijnlijk wel lief bent.’
‘En als ik niet lief blijk te zijn?’
‘Dan zal ik het overwegen. Goed? Wil je me dat flesje water eens geven? Het ligt op de achterbank.’
Michael Courtois denkt dat ik een grapje maak. Toch lach ik niet en zou ik hem dankbaar zijn als hij me levenloos zou achterlaten in Amsterdam. Gewoon een kogel door mijn kop. Eén kogel, goed gemikt. Daar is hij koelbloedig genoeg voor. Mijn collega’s op de redactie zeggen dat hij over lijken gaat. Als ze zijn naam uitspreken, klinkt het eerder als spuwen. Misschien schiet hij beter in mijn hart. Dat bloedt minder en scheelt bij het schoonmaken. Hoeven ze mijn hersenen niet van de muur te krabben.

Ik denk aan Lio. Als hij nu voor me zou staan, dan sloeg ik hem in elkaar.

Ik kijk hem aan terwijl hij het flesje in één keer leegdrinkt. Tot een uur geleden had ik hem nog nooit persoonlijk gesproken, hoogstens eens van ver gezien. Nu zitten we samen in zijn auto, een zwarte BMW, en doen we alsof dit normaal is. Hij geeft me het flesje terug en knipoogt.
Hij wilde een blind date. En hij moest naar Amsterdam. Of ik niet meeging, vroeg hij eergisteren per sms. Ik hing op de sofa toen hij zijn bericht stuurde. Er lag een lege fles wodka op het tapijt. En er slingerden chocoladewikkels. Op tv speelde zomaar wat. Ik zag het, maar keek niet. Mijn leven leek vacuüm getrokken. Oké, antwoordde ik zonder nadenken. Het volgende wat ik me herinner, is dat hij ineens voor mijn deur stond en mij hielp vluchten.
Mijn beste vriendin Saar zegt dat ik op mijn kop gevallen ben. Zo ineens met een wildvreemde vertrekken. Tuurlijk ben ik op mijn kop gevallen. Ik moet gefikst worden. Er zitten echo’s in mijn hoofd die zo hard blijven weerkaatsen dat ik er gek van word. Saar wilde het adres van het hotel, maar ik weet niet waar we naartoe rijden. Als het maar weg is. Weg uit Gent.
Michael begint op zijn stuur te tikken tot de vrachtwagen voor ons eindelijk teruggaat naar het eerste rijvak. Mijn hoofd weegt zo zwaar. De zon schijnt nauwelijks en toch doet het licht pijn aan mijn ogen. Het moet regenen. De wolken worden dikker en grijzer. Ze zijn mijn vrienden. Ik denk aan Lio. Als hij nu voor me zou staan, dan sloeg ik hem in elkaar.

Hoofdstuk 2

Het begon anderhalf jaar geleden met een stuk chocoladetaart ter gelegenheid van mijn zesentwintigste verjaardag. Ge- kocht bij de bakker, maar dat hoefde niemand te weten. Mijn collega’s op de nieuwsredactie vonden het crimineel lekker. ’s Avonds haalde ik het laatste stuk uit het zilverpapier en probeerde het zo langzaam mogelijk op te eten. In drie happen was het naar binnen. Ik vouwde het zilverpapier weer dicht, drukte het plat en legde het in de keuken naast mijn brood. Ik nam twee sneden, kneedde ze samen tot één broodbol, duwde er kleine stukjes chocolade in, zei: ‘Dag stekelvarken’, en propte het in mijn mond. Mijn grootste wens was dat er chocolade door mijn aders zou vloeien en ik maar in mijn vinger hoefde te prikken om het te proeven.
Zat die dag nog in mijn tas: het cadeau van de klusjesman op het werk. Ik had nog nooit zijn naam gevraagd. Bleek dat hij Lio heette. Een vreemde naam voor een man, maar hij zei dat er ieder jaar wel tien Lio’s geboren worden. Hij kwam de lampen vervangen op onze redactie, at mee van mijn taart en nam zelfs twee stukjes. Mijn collega’s lachten soms om zijn donkerrosse haar.
Zijn cadeau was niet ingepakt. Hij gaf het me in een klein plastic tasje, toen ik na het werk naar mijn auto liep. Hij durfde me geen drie kussen te geven. Ik keek naar hem, glimlachte en zweeg. Heel even kruisten onze blikken elkaar. Zijn ogen waren zo licht dat ik het blauw nauwelijks zag.
Die roze fles Narciso Rodriguez, een parfum dat ik niet ken-de, was het enige verjaardagscadeau dat ik kreeg. Kost 91,75 euro las ik op internet. Daar kon ik een hele week van eten, misschien zelfs twee, als ik niet veel honger had. Ik spoot een paar keer in de lucht en wachtte tot ik de nevel op mijn huid voelde. ‘Een mengeling van honing, oranjebloesem, vanille, musk en kostbare houtsoorten.’ Ik las de verpakking zonder de inhoud te begrijpen. Het parfum rook volwassen en vrouwelijk, en was niets voor mijn goedkope huid.
Voor mezelf had ik ook een cadeau gekocht. Op de tafel in mijn woonkamer lag een bruine doos. Op het etiket stond alleen mijn naam en adres. Na lang twijfelen had ik het online besteld. Ik nam de doos even vast, zette haar dan toch maar ongeopend in mijn kleerkast en kroop in bed.

Zodra ik mijn ogen sloot, zag ik weer de rode remlichten. Ik weet niet of ik het droomde of het beeld zelf vormde.

Zodra ik mijn ogen sloot, zag ik weer de rode remlichten. Ik weet niet of ik het droomde of het beeld zelf vormde. Het waren dwanggedachten. Een beetje zoals een achtbaan. Ook al ben je doodsbenauwd en word je zo misselijk, toch stap je telkens weer in. In de verte hoorde ik mijn moeder fluisteren dat het de schuld was van haar fiets. Na een tijdje viel ik toch in slaap. Al was ‘slapen’ veel gezegd, want ik stond even moe weer op.
Lio liep ik de volgende weken een paar keer tegen het lijf. Zijn vraag om iets te gaan drinken klonk nauwelijks als een echte vraag. Eventueel, misschien, als ik ooit eens wat tijd had, maar het was niet dringend, ik moest het zelf maar zien. Volgens de sociale conventies moet je dan zeggen dat je het druk, druk, druk hebt. De dag na zijn schuchtere vraag spraken we af. Laat ik die vrijdagavond dan maar onze eerste date noemen. Hij had een bos oranje tulpen mee. Oranje is een verschrikkelijke kleur, behalve voor chips. Ik zei dat ik ze mooi vond.
Het café waar we zaten lag aan de steenweg, niet ver van ons werk. Het was zo’n plek die je elke dag zag en toch meteen weer vergat. Omdat het er niet speciaal gezellig was, maar ook niet ongezellig. Niet donker, niet licht. Niet mooi, niet lelijk. Enkel de patron was memorabel met zijn lange snor, die hij aan de punten naar buiten deed krullen.
Lio vertelde over de marathon waaraan hij afgelopen weekend had deelgenomen. Terwijl hij praatte, observeerde ik zijn gezicht. Hij had een stoppelbaard en zijn wenkbrauwen liepen net niet door. Zijn ogen keken een beetje droevig. Dat was volgens mij niet omdat Noord- en Zuid-Korea nog geen vrede sloten. Hij leek me niet het type dat daarvan wakker lag. Al kon een klein testje geen kwaad.
‘Wil jij ooit naar Noord-Korea op reis gaan?’ vroeg ik hem uit het niets. Soms breng ik mensen graag van de wijs, zonder dat ik daar een verklaring voor heb. Tegen mijn verwachting in nam hij de vraag serieus, wat hem goede punten opleverde.

‘Wil jij ooit naar Noord-Korea op reis gaan?’ vroeg ik hem uit het niets. Soms breng ik mensen graag van de wijs.

‘Misschien, als ze daar ook marathons lopen.’
‘En naar Iran?’
‘Dat weet ik niet. Maar ik wil wel eens naar de Noordpool.’
‘Om een marathon te lopen?’
‘Om een sneeuwman te maken.’
Terwijl hij naar het toilet was, neuriede ik een liedje van André Hazes. Even later hoorde ik achter mij iemand meezingen. Lio kende de hele tekst vanbuiten. We startten een quizje. Op de redactie kon niemand me verslaan in het herkennen van schlagers. Bij een 10-9-stand voor mij neuriede ik een zelfverzonnen deuntje en won.
Toen we vertrokken, nam hij mijn hand vast. Even dacht ik dat hij die wilde kussen, maar hij liet hem weer los. ‘Marie,’ zei hij, ‘met jou zou ik wel meegaan naar Noord-Korea. Ook als daar geen marathon is.

Hoofdstuk 3

We rijden de grens over. Ik zie een hotel in de vorm van een pagode. Dit moet het belachelijkste hotel van Nederland zijn. De windmolens langs de weg malen in het niets. Zoals ge- woonlijk wil ik alles om mij heen kunnen tellen, maar er duiken in de verte telkens nieuwe molens op. Bij zes geef ik het op. De wolken lijken nog wat grijzer dan daarnet. Mijn gsm heeft geen bereik meer. Michael zet de radio zachter en zegt dat hij niet van dat Hollandse André Hazesgejengel houdt. Ik neurie heel zachtjes ‘Een beetje verliefd’ en richt mijn blik weer naar binnen. Zeker weten dat hij met zijn auto wekelijks naar de carwash gaat. Er ligt geen kruimeltje op de lederen stoelen en geen haartje op de automatten.
‘Heb jij ooit al eens de hand van een moordenaar geschud?’ flap ik eruit. Dat zijn zo van die dingen die ik me soms zomaar afvraag. Nogal frustrerend, omdat ik het antwoord waarschijnlijk nooit zal kennen.
Michael blijft recht voor zich uit kijken, maar ik merk dat hij moet lachen.
‘Vind je dat grappig?’
‘Ja, Marie, ik vind jou wel grappig. Vreemd, maar grappig.’

‘Heb jij ooit al eens de hand van een moordenaar geschud?’ flap ik eruit.

Als ik Lio vroeg waarom niemand ooit stille kettingzagen had uitgevonden, vond hij me ook grappig. Net toen ik eens vakantie had, besloot mijn buurman de sparren in zijn tuin te vellen. Dat waren de enige bomen in de hele wijk. Voor de rest woonde ik in een anarchie van beton. Ik had geen tuin, zelfs geen plaatsje om de vuilnisbakken te zetten. Iedere morgen werd ik rond zeven uur wakker door het gekrijs van die zaag. De dag dat mijn buurmans kettingzaag eindelijk zweeg, ging ik naar mijn kamer en haalde de bruine doos uit mijn kleerkast. Het was de eerste lentedag, wat toch altijd iets symbolisch heeft. Met een keukenmes sneed ik het karton open. Ik zag een lachend, paars gezichtje en voelde aan de parels.
De bel ging. Door het slaapkamerraam zag ik Lio beneden op het voetpad staan. Snel zette ik een stap achteruit, maar hij had me gezien. Hij zwaaide met een bos bloemen. Deze keer waren ze roze. Ik gooide alles terug in de doos en schoof ze onder mijn bed.
‘Ik was in de buurt’, zei hij. Misschien was dat deels waar, want we woonden allebei aan de buitenrand van Gent. Alleen waren er in mijn buurt geen bloemenwinkels. Hij kwam naast me zitten. Ik stond meteen weer op, vroeg of hij iets wilde drinken en ging naar de keuken. Ik had de afwas nog niet gedaan en hoopte dat je dat vanuit de woonkamer niet kon zien. Toen ik terugkwam, ging ik op de andere sofa zitten. Ik had geen salontafel, dus hield hij het glas de hele tijd in zijn handen. Ik dronk cola zero met een beetje wodka, hij had water. Zijn oranje tulpen stonden nog in een vaas op tafel, volledig verwelkt. Ze stonken al een beetje.
‘Marie, heb jij eigenlijk een vriend?’
‘Nee.’
‘Hoe komt dat? Je ziet er toch goed uit.’
‘In deze achterlijke buurt loopt de ware zeker mijn huis voorbij.’
‘De ware… Dus je gelooft in het potje en het juiste dekseltje?’
‘Ik geloof dat er altijd wel iemand bestaat die zot genoeg is om andermans afwijkingen te verdragen.’
‘O, wat is jouw afwijking dan?’
‘Dat ik honderd keer op mijn bed spring als ik niet kan slapen.’
Ik dronk mijn glas leeg en haalde een nieuwe cola zero met een dubbele scheut wodka.
‘Geloof jij in het lot, Marie?’
‘Ik weet niet waarin ik moet geloven. Toeval of het lot.’
‘Toeval is wat ik ben, jij bent volgens mij het winnende lot. Wat zou je dan met al dat geld kopen?’
‘Een ticket naar Noord-Korea. En een chocoladefontein.’

Overzicht

Overzicht

Overzicht

Overzicht

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief