leesfragment

A.M. Homes – De openbaring (Leesfragment)

0

In De openbaring schetst A.M. Homes een weergaloos, onheilspellend en hilarisch portret van een gezin dat niet langer met leugens wil leven, in een wereld waarin de gevestigde orde alles op alles zet om verandering en vooruitgang tegen te houden.

Big Guy houdt van zijn gezin, van zijn geld en van zijn land. De uitslag van de verkiezingen in 2008 is een grote schok en uit woede en frustratie verzamelt Big Guy een groep gelijkgestemde mannen om zich heen om zijn versie van de Amerikaanse droom weer in ere te herstellen. Terwijl de mannen in het geheim hun revolutie voorbereiden valt het gezinsleven van Big Guy in rap tempo uit elkaar. Zijn vrouw Charlotte ontdekt in een afkickkliniek dat haar leven haar niet heeft gebracht waar ze vroeger van droomde, en zijn achttienjarige dochter Meghan begint zich af te vragen of ze de politieke ideologie van haar vader wel zo klakkeloos wil volgen.

Lees hier al een fragment!

Woensdag 5 november 2008

De bar op de eerste verdieping van het Biltmore Hotel Phoenix, Arizona

01.00 uur

Dit kan niet waar zijn.

Hij zit nu anderhalf uur aan de bar; er is een tiental mannen gekomen en gegaan, ze hebben hun verdriet verdronken, her en der wat zaken gedaan en er een punt achter gezet.

Voor hem bevinden zich vier glazen met verschillende whisky’s, geen van alle leeg.

In de hoek staat een televisie zachtjes aan, het hoofd van de spreker met zijn postmortale nabeschouwing zal de hele nacht doorgaan. In een andere hoek, bij het raam, zit een stelletje te zoenen alsof het hun laatste dag is. En in het midden van de bar haalt een malloot zijn duim steeds opnieuw langs het wieltje van zijn Zippo, laat al schrapend het vuursteentje steeds vonken. ‘Windvast,’ zegt hij elke keer als de benzine vlam vat. ‘Windvast.’

‘Het ligt net zo goed aan mij als aan de anderen,’ zegt Big Guy tegen de barman. ‘Bescheidenheid vereist in elk geval dat iemand verantwoordelijkheid neemt voor zijn fouten.’

‘Dat klinkt alsof u schuld bekent,’ zegt de barman. ‘Ik ben ook schuldig.’

‘Een profeet wordt nooit geloofd in eigen land, een dokter behandelt nooit zijn eigen gezin.’

‘Ga je echt die kaart spelen?’

‘Op zaterdagavond werk ik altijd in een casino, in Desert Diamond of in Talking Stick. Ik heb mensen voor mijn neus nat zien gaan, maar bij het weggaan zijn ze nog steeds opgewonden. “Nog een kaart. Geef me nog een kaart.”’

Big Guy schudt zijn hoofd. ‘Iedereen maakt fouten, maar twee keer dezelfde fout is geen fout meer maar een patroon. Het leek vanavond wel alsof Fat Man en Little Boy weer samen zijn en hier in Phoenix een nucleaire paddenstoelenkwekerij zijn begonnen. En toch worden we omringd door mensen die geen idee hebben wat ze over zichzelf hebben afgeroepen. Geen idee.’

Een man gaat op de kruk naast Big Guy zitten, kijkt naar de vier glazen whisky en geeft de barman een seintje.

‘Doe mij er maar zo een,’ zegt hij. ‘Welke?’

‘Die in het midden.’

‘Er is geen midden,’ zegt de barman. ‘De Highland Park.’

Big Guy kijkt op. ‘Kun je dat zo zien?’

‘Sláinte,’ zegt de man en hij slaat zijn whisky achterover. ‘Jij hoort toch niet bij hen, hè?’

‘Bij wie?’

‘Je haar is zo nat dat ik even dacht dat je een van die eikels was die een paar uur geleden champagne in de rondte sproeiden en een overwinningsdansje deden.’

‘Dacht het niet,’ zegt de man.‘Ik ben eerder iemand die net een duik in het zwembad heeft genomen om weer helder in de kop te worden.’

‘Dat verklaart die lucht,’ zegt Big Guy. ‘Chloor.’

De man tikt tegen zijn glas om de aandacht van de barman te trekken. ‘Nog een, graag.’

‘Was je daarnet boven?’ ‘Klopt.’

‘En wat heb je gezien?’ vraagt Big Guy.

‘Een generationele aardverschuiving die de bodem in tweeën splijt.’

Big Guy snuift.

‘Ik zou het eerder willen typeren als een heavy metal-versie van Led Zeppelin, somber hoofdschudden, verlammende maar al te bekende teleurstelling, jammerende vrouwen die weten dat ze straks verpletterde mannelijke ego’s aan de ontbijttafel krijgen. Het klamme, grauwe gezicht van de nederlaag. Bij gebrek aan een beter paard hebben ze op het verkeerde gewed in de wetenschap dat het niet eens een paardenrace was, alleen een ratrace.’

‘Zeg alsjeblieft dat je geen journalist bent.’

‘Historicus, soms hoogleraar, bij tijd en wijle schrijver, maar vanavond heb ik vrij.’

‘Waarom ben je hier dan, als je vrij hebt?’ ‘Als getuige?’ oppert de man. ‘Sympathisant?’

Big Guy wenkt de barman. ‘Geef hem een glas Ardberg. Dat is een van mijn favorieten. Ik noem het een kerstpresentje, het smaakt alsof het zo uit de schoorsteen is komen rollen. Rokerig.’

De man moet lachen. ‘Vergelijkbaar met Lagavulin.’ ‘Inderdaad, vergelijkbaar. Ik zal je zeggen waar ik niet van hou: fruitige whisky. Ik wil niets met rozijnen, kersen of essence van vijgenkoekjes. Dat noem ik een poepverzachter.’ Big Guy laat een boer. ‘Pardon,’ zegt hij. ‘Ik heb toch meer op dan ik dacht.’

‘Ze moeten het gewoon platbranden,’ zegt de malloot met de Zippo en hij houdt zijn aansteker vast alsof het een pistool is, laat de vlam hoog opkomen en klapt het ding dan dicht.

De barman vraagt de malloot af te rekenen. ‘Het is voor iedereen een lange avond geweest,’ zegt hij. ‘Tijd om naar huis te gaan.’

‘Oost, west, thuis best,’ zegt Zippo en hij staat op. ‘Thuis is elke hond een leeuw.’ Hij pelt een paar twintigjes van een dik pak bankbiljetten, slaat de rest van zijn drankje achterover en laat het geld onder het glas achter.

Terwijl Zippo wankelend de ruimte verlaat, tikt Big Guy tegen zijn glas. ‘Nog een Ardberg voor mij en mijn vriend graag.’

De barman schenkt in.

‘Wil je weten wat ik heb opgeschreven?’ vraagt Big Guy. ‘Ja,’ antwoordt de man.

‘Mijn herinnering aan de droom.’ ‘De droom?’

Big Guy knikt. ‘2 September 1945, mijn kennismaking met de wereld.’

‘De dag van de overwinning op Japan?’

‘Letterlijk de eerste dag van mijn leven. De oorlog kwam tot een einde en de Amerikaanse droom kwam tot bloei met mijn naam erop, in koeienletters. Weet je wat ik al de hele avond zeg? “Dit kan niet waar zijn.” Maar je ziet het. En niet voor het eerst. Acht jaar geleden is het ook gebeurd, maar toen wisten we het terug te draaien. Deze keer hebben we geen reddingsplan.’

De mannen drinken.

‘Hoe zou jij dat noemen?’ zegt Big Guy terwijl hij naar het stel in de hoek knikt.

‘Wonden likken,’ zegt de man.

‘Er zit geen schot in. Ze zijn al twee uur zo bezig.’

‘Ze zijn getrouwd, maar niet met elkaar,’ zegt de man. ‘Ze kunnen er nu nog mee wegkomen, met hun “rouwverwerking”, maar als ze samen naar boven gaan, komt het anders te liggen.’

‘Ben jij getrouwd?’

‘Nee. Ik zou willen zeggen dat ik met mijn werk ben getrouwd, maar dat is ook niet waar.’

‘Ben je hier voor het eerst?’ vraagt Big Guy. ‘In deze bar bedoel je?’

‘Ja.’

‘Nee,’ zegt de man. ‘Als kind kwam ik hier al met mijn vader. Tijdens de Drooglegging moest je op een bepaalde manier kloppen om binnen te komen, althans volgens mijn vader.’

‘Vroeger werd de drank in een namaakboekenkast bewaard,’ zegt Big Guy. ‘Zie je dat dakraam? Als er gevaar dreigde schenen ze ter waarschuwing met een lamp op het dak en dan konden de gasten maken dat ze wegkwamen. Ik weet niet of dat Wrights bedoeling was toen hij het hotel ontwierp.’

‘Ik dacht dat het van Wrigley was, van de kauwgum.’

‘Frank Lloyd Wright heeft het ontworpen. Wrigley heeft het in 1930 gekocht, hij heeft het zwembad laten aanleggen. Mensen lieten zich er in de zomer graag zien. Beneden zat een kantoor van de New York Stock Exchange. Dit was de rookzaal. Je zou kunnen zeggen dat ik een geschiedenisfanaat ben,’ zegt Big Guy. ‘Als je naar binnen wilde moest je het wachtwoord weten.’

‘Wat was het wachtwoord?’ ‘Dat werd vaak veranderd.’

‘Was het iets als “Het regent op Mount Weather”?’

Big Guy kijkt hem aan. Mount Weather is niet bepaald een woord dat je zomaar in een gesprek laat vallen, de uitvalsbasis bij nationale rampen ligt als gespreksonderwerp niet echt voor de hand. ‘O Shenandoah,’ kaatst Big Guy terug.

De man reageert met een ander wachtwoord: ‘High Point.’ ‘De eekhoorn heeft het nootje,’ zegt Big Guy.

‘Ik heb mijn koffer in de trein laten staan,’ zegt de man. ‘Poëzie aan het citeren, heren?’ vraagt de barman. ‘Gewoon samen een liedje aan het zingen,’ zegt de man.

‘Elkaar aan het besnuffelen of we bij dezelfde club horen,’ zegt Big Guy. ‘Hoe heet je ook alweer?’

‘Ik heb me niet voorgesteld.’ Er valt een stilte. ‘Wat had je vanavond verwacht?’

‘Meer,’ zegt Big Guy. ‘Ik had er meer van verwacht.’

‘Hoop,’ zegt de man. ‘Die heeft hij ze voorgehouden en daar zijn ze voor gevallen. Hoop heeft gewonnen van Meer.’ De mannen zijn even stil, nemen een slok.

‘Ik zal je iets vertellen,’ zegt Big Guy en hij kijkt rond alsof hij ervan verzekerd wil zijn dat het veilig is om een geheim te onthullen. ‘Als het om politiek gaat heeft dit land twee cycli; de ene duurt anderhalf jaar en de andere vier jaar. We hebben het over de “volgende ronde” alsof we een kaartje voor een ritje in een pretpark kopen. Democratie, de achtbaan. Hij gaat tientallen meters omhoog en dendert dan met 150 kilometer per uur weer naar beneden. En wat doen de mensen? Ze gaan in de rij staan voor nog een keertje. En nog eens. Op en neer en elke keer protesteert je maag, aan biologische processen kun je niet ontkomen. Elke keer opnieuw voelen ze de sensatie. Anderhalf jaar. Vier jaar. Andere landen plannen honderd jaar vooruit. Native Americans hebben het met elkaar over de toekomst, zeven generaties vanaf nu, over 150 jaar. En waar praten wij over? Belastingverlaging. We geven mensen driehonderd dollar om te verspelen en denken dat het daarmee klaar is.’

‘Continuïteit,’ zegt de man.

‘Het systeem zorgt ervoor dat de regering zoals wij die kennen blijft bestaan.’

‘Precies. Dat vereist visie.’

‘De laatste echte visie was de droom.’ ‘Bye, bye, Miss American Pie,’ zegt de man.

‘Het is tijd om in actie te komen. We weten wat ons te doen staat. Je snapt waar ik het over heb?’

‘Geef nog eens een hint,’ zegt de man.

‘Buitengewone omstandigheden,’ zegt Big Guy. ‘Er komt een moment dat je actie moet ondernemen. Dat je niet op anderen kunt vertrouwen. Dit is zo’n verhaal dat je later aan je kinderen vertelt: over de nacht waarop je wakker schrok, besefte dat de wereld anders in elkaar zat dan iedereen dacht en dat je daar iets aan ging doen.’

‘Wat gaan we dan doen?’ vraagt de man.

‘Iets groots,’ zegt Big Guy en laat hem de stapel servetjes zien waarop hij aantekeningen heeft gemaakt. ‘Een noodgedwongen koerscorrectie.’

De man drinkt zijn glas leeg.

‘Geef me je nummer.’ Big Guy schuift de man een schoon servetje toe. ‘Laten we contact houden. Je lijkt me een handig iemand om in de buurt te hebben en ik krijg de indruk dat we het een en ander gemeen hebben.’

‘We hebben elkaar nooit eerder ontmoet, maar ik kijk uit naar een volgende samenzang,’ zegt de man, die aanstalten maakt om te vertrekken.

‘Heb je op dit moment iets specifieks omhanden?’ vraagt Big Guy.

De man haalt zijn schouders op. ‘Een boek met de titel Tot zover, een korte geschiedenis van de eenentwintigste eeuw.’

‘Je bent dus historicus, maar eigenlijk meer schrijver.’ ‘Tot snel,’ zegt de man en hij legt geld op de bar.

‘Wat een kerel,’ zegt Big Guy tegen de barman. ‘Zingt alles zo mee.’ Het blijft even stil. ‘Is de keuken toevallig nog open?’

‘Waar denkt u aan?’ ‘Zachtgekookte eieren met toast?’ ‘Ik zal eens kijken.’

‘En geef me nog een paar servetjes, ik moet het op papier zien te krijgen.’ Met een blauwe pen krabbelt hij ‘Plan tot behoud en bescherming van het vaderland’. ‘Een dubbele regenboog met een kersje erop.’ Hij schetst iets wat op een voetbalschema lijkt: een U-vormige opstelling van twee rijen spelers, als rode kersjes, die de Liberty Bell bewaken.

Een voor een drinkt Big Guy de glazen voor hem leeg. Het is na tweeën als de roomservice een bord met een zilveren stolp eroverheen komt brengen. Voilà. De barman tilt de stolp op. ‘Krijg nou tieten!’ zegt Big Guy terwijl hij naar het prachtige stel zachtgekookte eieren kijkt.

De barman moet lachen. ‘U bent grappiger dan u lijkt.’ ‘Toeter,’ zegt Big Guy. ‘Ik ben toeter.’ Hij tikt met zijn lepeltje tegen een van de eieren; de eerste slag landt als een alarmsignaal op het zilveren eierdopje. Hij blijft tik-tikken, seint het bericht ‘We zijn niet meer veilig’ in morsealfabet. Totdat de schaal uiteindelijk breekt.

 

De dag ervoor

Dinsdag 4 november 2008 Laramie County, Wyoming

06.08 uur

Hemel en aarde zijn open en oneindig. Naarmate het helderder wordt kleurt de lucht ergens tussen geboorte en Armageddon roze en rood.

Ze gaat naar buiten om alleen te zijn. De lucht heeft de zuivere frisheid van de winter die komen gaat. Ze denkt aan de hemel, de afstand tot de rivier, de bergen, de grandioze openbaring van het land. Ook als je niet gelovig bent is deze grootsheid een spirituele ervaring. Die herinnert haar eraan haar ontzag niet te verliezen zoals ze daar staat met haar gezicht in de wind. De grond, bedekt met een wit rijplaagje, kraakt onder haar voeten. Achter zich hoort ze haar ouders het huis uit komen.

‘Als jij maar gelukkig bent,’ zegt haar moeder. ‘Opgewonden,’ zegt haar vader. ‘Ik ben echt opgewonden.

We zijn vast bij de eersten.’

Sonny, de stalknecht, zit achter het stuur, en de geur van zijn ochtendsigaret kringelt door de gebarsten ruit naar buiten.

De bizons staan bij het hek, hun enorme ogen lijken net grote zwarte bollen die het verleden en de herinnering weerspiegelen en hun wijde neusgaten stoten damp uit alsof het stoompijpen zijn. Ze doen haar denken aan dieren uit de oudheid, ergens tussen stier en minotaurus in.

De banden rijden over de wildroosters, ke-doenk, ke-doenk, de grens tussen thuis en de rest van de wereld. Ze kijkt over haar vaders schouder in de achteruitkijkspiegel naar de verdwijnende veefokkerij.

Vreemd: gisteren zat ze nog op school in Virginia en deed ze verslag van haar onderzoek naar de drie heksen in Macbeth. Na de les ging ze met een taxi naar het vliegveld en nam een vlucht die gisteravond laat aankwam. Nu zit ze aan de andere kant van het land met haar vader en moeder in de pick-up- truck. Er zijn veel Amerika’s; de taal en het merk sinaasappelsap mogen dan hetzelfde zijn, het zijn totaal verschillende landen.

‘Ik herinner me mijn eerste keer,’ zegt haar vader. ‘Nog met mijn vader.’

‘Dat is eeuwen geleden,’ zegt haar moeder lachend. ‘Zo grappig is het toch niet?’ vraagt haar vader. ‘Gingen jullie met paard-en-wagen?’ vraagt ze. ‘Nee, met de benenwagen,’ antwoordt haar vader.

‘Volgens mij heb ik me pas na ons trouwen geregistreerd. Ik vraag me af waarom ik voor die tijd niet meedeed.’

Er valt een stilte. Eventjes.

‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt haar vader.

‘Als een blok.’ Ze was naar boven gegaan, had het raam opengezet en de nachtelijke lucht naar binnen laten glippen als een geest uit een fles. De koude lucht, een vleugje schoorsteenrook, de derrie en drek van de dieren op de boerderij, een paar keer diep ademhalen en ze was vertrokken. ‘Zodra ik hier ben, raak ik zó buiten westen.’ Ze zwijgt en beseft dat hij op een compliment zit te wachten. ‘De warme melk was trouwens heerlijk.’

‘Frisse lucht en verse melk, veel meer heeft een mens niet nodig.’

‘De koekjes,’ zegt ze.‘De nachtkoekjes.’ ‘Zonder slaap ik niet lekker,’ zegt haar vader.

Ze zeggen niets meer terwijl de auto naar de stad zoeft.

‘Is het altijd op een dinsdag?’ vraagt ze als de stilte te luid wordt.

‘Ja,’ zegt haar moeder.

‘Om een bepaalde reden?’

‘Om de reden dat het altijd op een dinsdag is,’ zegt haar vader.

‘De mensen die ooit voor die dag hebben gekozen, hadden daar vast een andere bedoeling mee dan dat iedereen twee eeuwen later zou zeggen dat het altijd zo geweest is,’ zegt haar moeder spottend.

‘Oké, zoek het dan op,’ zegt haar vader. ‘Wordt het druk, denk je?’

‘In sommige steden staan ze uren in de rij,’ zegt haar vader. ‘Hier niet, hoor,’ zegt haar moeder. ‘Drie mensen zijn hier al een rij, bij vijf is het een menigte en bij tien noemen ze het een festival.’

Ze parkeren op het terrein naast de kerk.

‘Doen ze het in een kerk?’ vraagt ze verbaasd. Stiekem houdt ze van de kerk: de rituelen, de muziek, wegdromen bij het ‘lezen’ van de verhalen in de gebrandschilderde ramen.

‘Ik snap het ook niet,’ zegt haar vader.

‘We zijn hier eerder geweest,’ brengt haar moeder hun in herinnering.‘Voor de begrafenis van de zoon van Mason.’

‘Verschrikkelijk,’ zegt haar vader. ‘Hoe je daar ooit overheen moet komen.’

‘Niet,’ zegt haar moeder.

Ze nemen de trap naar het souterrain.

Ze ziet dat haar vader en moeder de enigen zijn die zich hebben opgedoft. Haar vader draagt een camel jas over zijn pak. Hij draagt geen das, maar die zit ongetwijfeld in zijn zak, voor het geval dat. Hij heeft altijd een das in zijn zak. Na een voorval met een gesmolten chocoladezoen bewaart hij zijn das tegenwoordig in een ziplockzakje. Haar moeder draagt een rode jas over een mooie pantalon. Zo noemt ze een geklede broek, een ‘pantalon’; het is altijd een ‘pantalon’, tenzij ze gaat rijden, dan is het een ‘rijbroek’. Geen van beiden is gekleed op de kou voor als ze buiten moeten wachten. Alle anderen hebben gewone kleren aan: mutsen, handschoenen, parka’s over lange broeken. Hoog op de mouw van haar eigen jas staat het logo van een duur merk. Een tijdje geleden heeft ze er een stuk donkere ducttape overheen geplakt in de hoop dat het dan niet zou opvallen.

‘Vandaag gaat het gebeuren,’ zegt iemand.

Ze voelt zich net een klein kind dat op haar eerste schooldag door haar ouders wordt weggebracht.

‘Nu spant het erom,’ reageert een andere man.

‘Heb je al een kalkoen voor Thanksgiving uitgekozen?’ vraagt haar vader aan een van de mannen. Hij heeft het kennelijk liever over seizoensgebonden koetjes en kalfjes dan over wat ze hier komen doen.

‘Nee,’ antwoordt de man. ‘Ik ga dit jaar naar mijn broer in Seattle.’

‘Dat is aardig van je.’ Het is mooi om te zien dat haar vader zo op zijn gemak is tussen deze mannen en vrouwen. Hij straalt, zijn opwinding is voelbaar. Hij schudt handen, elke hand die hij te pakken kan krijgen. ‘Je moet mensen aanraken; je moet ze aankijken en luisteren naar wat ze je te vertellen hebben,’ heeft hij weleens tegen haar gezegd. ‘Je vindt er misschien weinig aan, maar je moet luisteren. Vroeger hadden we daar een woord voor: fatsoen.’

‘Fijne dag,’ zegt haar vader tegen een andere man, die enkel knikt.

‘Goed je te zien,’ zegt haar moeder tegen een van de vrouwen. Haar vader en moeder groeten allerlei onbekenden alsof ze hen al eerder hebben ontmoet.

‘Goed dat jullie gekomen zijn,’ roept een man naar hen.

Als klein meisje voelde ze zich altijd bijzonder als ze met haar ouders ergens heen ging: mensen gaven haar extra aandacht, ze waande zich een prinses. Als ze daar nu aan terugdenkt schaamt ze zich.

‘Dag mevrouw Hitchens.’

‘Hallo, Jane, hallo, Meg,’ zegt haar moeder. Andere vrouwen spreken haar moeder aan met ‘mevrouw’ en zij noemt hen bij hun voornaam.

‘Is je dochter al bevallen?’ Haar moeder vraagt altijd naar baby’s en kleine kinderen.

‘Binnenkort,’ antwoordt de vrouw.

Ze probeert zelf ook een steentje bij te dragen aan het gesprek.‘ Wat een mooie trui,’ zegt ze tegen een van de vrouwen. Haar moeder glimlacht en fluistert: ‘Goed zo.’ Haar moeder heeft haar opgevoed met het idee dat vrouwen onderling praten over alles wat ze zelf hebben gemaakt: hun kinderen, kleding, eten, wat ze zelf hebben gezien: reizen, theater, en – mits in het juiste gezelschap – wat ze zelf hebben gelezen: boeken.

‘Dank je wel,’ zegt de vrouw.

‘Prachtige kleuren,’ valt haar moeder haar bij.

Haar vader beweegt zich door de ruimte met een flair waar- door je zou kunnen denken dat hij de kandidaat is. Maar dat is hij niet, hij is de machine die de boel laat draaien, het geld.

‘Een olifant in een porseleinkast,’ zei haar moeder een keer toen ze boos op hem was, waarna ze hem meteen weer in bescherming nam zodra ze Meghan geschrokken zag kijken. ‘Van vriendelijkheid word je niet rijk,’ zei haar moeder en daar liet ze het bij.

‘Ze komen wel,’ hoorde ze iemand zeggen. ‘Vlak voor de lunch en aan het eind van de dag.’

‘Er zullen zeker mensen komen opdagen; als ze iets te zeggen hebben doen ze dat.’

‘Sommigen vinden dat het al is gezegd,’ reageert iemand. ‘Hoe dan ook, het zou niet vrijwillig moeten zijn,’ zegt een van de mannen. ‘Het zou wettelijk verplicht moeten zijn; als je meerderjarig bent is het verplicht. Zo denk ik er tenminste over, niet dat het iemand ene moer kan schelen.’

‘Mensen worden niet graag gecommandeerd.’

‘Je zou denken dat ze willen dat er zoveel mogelijk mensen komen opdagen,’ zegt een andere man.

‘Dat is nogal naïef,’ fluistert haar vader. ‘Altijd interessant om te horen wat de gewone man ervan vindt.’

‘Waarom heb je het over “de gewone man”?’ vraagt ze.

Hij kijkt haar niet-begrijpend aan. ‘Wat moet ik dan zeggen?’

‘Gewoon, de mensen? Als je het over “de gewone man” hebt, klinkt het alsof je jezelf anders vindt dan alle anderen,’ zegt ze.

‘Ik ben ook anders,’ zegt hij. ‘Ik ben rijk en daar ben ik trots op. De gewone man moet blij zijn als hij me ziet en het fijn vinden als ik zijn producten koop en in zijn restaurants eet, dat is een aanbeveling.’

‘Wiens aanbeveling?’ ‘Mijn aanbeveling.’

‘En omdat je rijk bent betekent jouw aanbeveling meer dan die van iemand anders?’

‘Als je moest leren voor een toets, zou je dan advies vragen aan een leerling die negens haalt of aan eentje die zeventjes scoort?’ vraagt hij.

‘Is dit een toets?’ ‘Het is het leven zelf.’

‘Maar zo bezorg je de mensen een naar gevoel, alsof ze minder waard zijn,’ zegt ze.

‘Moet ik er dan voor zorgen dat ze zich gelijkwaardig voelen?’

‘Is een leraar minder waard dan een dokter? Een leraar verdient minder, maar zonder leraren zouden er geen dokters zijn,’ zegt ze.

‘Als ik het woord “gewoon” hoor, hoor ik Aaron Coplands “Fanfare for the common man”,’ zegt haar moeder. ‘Dat heb ik jaren geleden, toen jij nog heel klein was, een keer in New York in een concertzaal gehoord.’ Haar moeder zwijgt even. ‘Wat fijn is aan een dorp als dit is dat de mensen goede buren zijn, ze helpen elkaar.’

‘Het zijn altijd dezelfden die alles doen, van het organiseren van de optocht tot potlucks. Echte doeners,’ zegt haar vader terwijl ze de registratietafel naderen. ‘Wist je dat je al op je zestiende medewerker van een stembureau kunt worden? Je hoeft alleen maar een betrouwbare inwoner te zijn, bij je volle verstand te zijn en voorafgaand een training van vier dagen te volgen. Een klein pikkie dat nog niet eens zelf zijn veters kan strikken mag al stemmen tellen en de uitslag doorgeven. En ze krijgen nog betaald ook; in een dorp met weinig werk voor jongeren is dat helemaal zo gek nog niet.’

Dan zijn zij aan de beurt. Haar ouders zetten hun handtekening in het register. Je kunt zien waar ze de vorige keer hebben getekend, ze vindt het merkwaardig dat iemands handtekening in de loop der jaren niet verandert.

‘Is dit je eerste keer, Meghan?’ vraagt de vrouw als ze haar naam in het register schrijft.

‘Ja.’

‘Weet je hoe het werkt?’

‘In theorie,’ zegt ze, ‘maar mag ik een vraag stellen?’ De vrouw knikt.

‘Weet u waarom het altijd op een dinsdag is?’

De vrouw glimlacht. ‘Toevallig heb ik mijn man gisteravond hetzelfde gevraagd. Hij had geen idee, dus ik heb het opgezocht. Het blijkt dat de stichters van Amerika, de founding fathers, dat niet zomaar hebben gedaan. In november was de herfstoogst binnengehaald en was het weer nog goed genoeg om te reizen. En omdat de mensen in die tijd nog een eind moesten reizen om zich te laten horen en ze niet op de dag des Heren wilden vertrekken, viel de maandag af, net als 1 november, vanwege Allerheiligen, want sommigen hechtten daaraan.’ Het blijft even stil. Achter Meghan vormt zich een rij. ‘Tenminste, dat is wat ik ervan heb begrepen. Weet je hoe het verder in zijn werk gaat?’

‘Niet echt.’

De vrouw geeft haar een formulier. ‘Met dit biljet ga je naar een van de hokjes, je maakt je keuze, vouwt het dicht en doet het in de verzegelde bus. Koud kunstje.’

De hokjes zijn minikraampjes met van die kartonnen zijschermen die ze gebruiken om te voorkomen dat kinderen spieken bij een overhoring of dat volwassenen over de schouder van hun buurman kijken.

‘Is het zo eenvoudig?’ vraagt Meghan. ‘Zo doen we dat, ja,’ zegt de vrouw. ‘Hoe weten ze wie er heeft gewonnen?’

‘Vanavond, na sluitingstijd, blijven we met een paar mensen hier om de stemmen te tellen.’

Meghan vraagt zich af of die jongen van zestien dat ook doet. ‘En dan?’

‘Dan bellen ze de uitslag door. Toen mijn grootvader jong was verzonden ze die telegrafisch, als een noodsignaal, naar de hoofdstad van de staat.’

Ze vindt het een nogal primitieve bedoening, amateuristisch. Ze weet niet wat ze zich precies had voorgesteld, maar in elk geval iets substantiëlers, professionelers, moderners, misschien een grote machine met lichtjes, toeters en bellen, zo’n apparaat dat ze in speelhallen hebben. Ze stelt zich voor dat je de foto van degene die je steunt aan zijn naam koppelt, dat er een heleboel lampjes gaan branden als je op de knop drukt en dat het tegelijkertijd op een groot scorebord in de lucht komt te staan. Doelpunt voor het rode team!

Dit, het papieren formulier, die kartonnen zijschermen, is té onnozel. Doet iedereen in het hele land precies hetzelfde? En vanavond laat heeft dit land een nieuwe regering? Het lijkt meer iets wat je op school doet wanneer je een nieuwe klassenvertegenwoordiger kiest.

Ze kijkt om en ziet haar ouders hun formulier zorgvuldig in de verzegelde bus stoppen.

Haar vader glimlacht naar haar, hij geeft de fakkel door. Zijn intense genoegen in dit gebeuren doet haar denken aan alles wat ze de laatste jaren hebben besproken, tijdens al die autotochtjes en vakanties naar historische plekken. Daar ligt zijn hart. Hij heeft het niet over zichzelf of over zijn jeugd. Hij heeft het over historische figuren, veldslagen, oorlogen, verdragen, en de drie verschillende machten van de overheid. Ze is naar huis gehaald om te stemmen, deze verkiezingsreis is als een soort inwijding bedoeld.

Ze kiest een hokje, vult het formulier in, vouwt het op zoals is aangegeven en haast zich dan om het in de bus te duwen.

Op weg naar buiten komt ze langs een tafel met een enorme koffieketel van industrieel formaat, flesjes melk en een doos vers geglazuurde donuts, nog glanzend van de opdrogende suiker.

Ze pakt een donut. Haar moeder ziet het en kijkt geschokt. Het is moeilijk om te beoordelen of het haar gaat om de calorieën, een donut als ontbijt, of het feit dat hij er al een tijdje ligt en dat er misschien iemand aan heeft gezeten. Ze is betrapt, heeft de donut tussen haar duim en middelvinger. Het glazuur begint te smelten. Ze knijpt en maakt er een deuk in. Terwijl ze de donut in haar hand heeft, aarzelend wat te doen, buigt haar vader voorover en neemt een hap.

‘De lekkerste donut ooit,’ zegt hij. ‘Die komt net uit de oven, dat proef je, de gist is nog aan het rijzen.’

Haar moeder pakt de donut uit Meghans hand en gooit hem in een afvalbak. Ze kijkt in- en in tevreden, alsof ze een brand heeft geblust. Meghan blijft achter met kleverige vingers. Ze steekt haar hand in haar zak en bedenkt wanneer ze die stiekem kan aflikken.

‘Zo, gepiept,’ zegt Sonny als ze weer in de auto zitten. ‘Wij hebben onze plicht weer gedaan,’ zegt haar vader.

Van de kerk rijden ze rechtstreeks naar het vliegveld. Sonny rookt met het raampje omlaag. De rook wordt door de wind achter in de auto geblazen. Meghan ziet dat haar moeder diep inademt.

Zodra ze in het vliegtuig zitten draait haar vader zich naar haar toe en vraagt: ‘En, hoe vond je het?’

Ze kan niet tegen haar vader zeggen wat ze echt vindt. Het doet haar denken aan een andere eerste keer, toen ze haar maagdelijkheid verloor, en dat was ook minder spectaculair dan het werd voorgesteld.

Ze kan niet tegen hem zeggen dat ze het allemaal zo gewoontjes vindt dat het een nieuw soort angst oproept, de diepe existentiële pijn dat niets is zoals haar eerder werd voorgesteld. In werkelijkheid is niets zo mooi als het haar was voorgespiegeld. Dat kan ze niet tegen hem zeggen, hij zou er kapot van zijn.

Gelukkig gaat hij verder voordat ze veel kan zeggen. ‘In Connecticut stemden we vroeger met behulp van een staalgrijs apparaat. Je ging naar binnen, trok een half gordijntje om je heen, net als in een pasfotohokje, en dan deed je een schakelaar omhoog of omlaag, afhankelijk van wie je steunde. Als je klaar was moest je aan een enorme hendel met een zwart handvat trekken om je stem te registreren. Elke keer dat ik die hendel naar rechts duwde voelde dat als iets groots, alsof ik een tijdmachine in werking zette of een atoombom lanceerde, ik wist nooit wat precies.’ Hij zwijgt even. ‘Ik ben zo trots op je. Dat je helemaal naar huis bent gekomen om samen met ons je stem uit te brengen betekent veel voor me.’

‘Graag gedaan,’ zegt ze. ‘Voor mij betekent het ook veel, elke dag schrijven we opnieuw geschiedenis. Ik heb gestemd ter ere van allen die me zijn voorgegaan en met het oog op de toekomst die voor ons ligt.’

‘Komt dat uit een gedicht?’ vraagt haar moeder.

‘Nee,’ zegt Meghan. ‘Net verzonnen. Wat gaan we doen als we zijn waar we naar toe gaan?’ vraagt ze.

‘Eerst lunchen, denk ik,’ antwoordt haar moeder. ‘En daarna ga ik een dutje doen, het wordt een lange dag.’

‘Ik moet een paar telefoontjes afhandelen en later op de dag is er een cocktailparty,’ zegt haar vader.

‘Veel staan dus,’ zegt haar moeder.

‘Het wordt een samenkomst van oude getrouwen,’ zegt haar vader.

‘Een zenuwslopende avond,’ zegt haar moeder.

‘Als hij verliest wordt het een klotevertoning, sorry voor mijn taalgebruik,’ zegt haar vader.

‘Komt Tony ook?’ vraagt Meghan. Tony is haar peetoom, haar vaders beste studievriend.

‘Nee, die zit in DC, hij kan niet van huis op zo’n avond.’

Met huis bedoelt haar vader het Witte Huis waar Tony werkt als speciaal assistent van de president.

‘Een heel belangrijke baan,’ zegt haar moeder. ‘Jammer dat er nu een eind aan komt.’

‘Eerder een roeping dan een baan,’ zegt haar vader. ‘Alsof je priester wordt. Als je daar eenmaal werkt krijg je van alles te horen waar gewone stervelingen nooit van zullen weten. Een fijne man om in de buurt te hebben.’

‘Denk je dat hij ooit nog trouwt?’ vraagt ze. ‘Nee,’ zegt haar vader stellig.

‘Ik hoop niet dat hij zich eenzaam voelt.’

‘Tony is een drukbezet man,’ zegt haar moeder. ‘Hij heeft helemaal geen tijd om zich eenzaam te voelen. Een verstokte vrijgezel noem je zo iemand.’

‘Hij heeft vrienden,’ zegt haar vader. ‘Veel vrienden, overal en nergens.’

Haar moeder neemt een drankje.

‘Zo vroeg al?’ vraagt haar vader.

‘Je weet dat ik vliegen vreselijk vind. Hebben we alles?’

‘Ja,’ zegt haar vader. ‘En als dat niet zo is: daar hebben we winkels voor.’

‘Heb je een jurk bij je?’ vraagt haar moeder. ‘Ja.’

‘Fijn dat je lang bent, dan hoef je geen hakken aan. Jonge meisjes zouden eigenlijk geen hakken moeten dragen, maar sommigen komen er niet onderuit.’ Ze blijft even stil. ‘Met een goed paar stelten schop je het ver.’

‘Wat zijn stelten ook alweer?’ ‘Benen, een mooi stel benen.’

‘O,’ zegt ze. En ze heeft geen enkele behoefte om te vragen wat haar moeder bedoelt.

‘Mooie enkels zijn ook een pluspunt,’ zegt haar moeder. ‘Laat me je enkels eens zien.’

Meghan trekt de pijpen van haar broek omhoog. Ze heeft dikke sokken aan, er valt weinig enkel te zien. ‘Voor zover ik weet zijn ze prima.’

Haar moeder maakt een geluidje en gaat weer verder met haar kruiswoordpuzzel. Haar vader leest de kranten, allemaal. En Meghan kijkt uit het raampje en denkt aan wat er die dag allemaal staat te gebeuren.

Het vliegtuig landt in Phoenix en bij het uitstappen vraagt ze aan haar moeder of ze hier al eens eerder zijn geweest.

‘Geen idee. Zijn we hier weleens geweest?’ vraagt haar moeder aan haar vader.

‘Dan zou je het nog wel weten,’ antwoordt haar vader en hij wendt zich tot Meghan. ‘Als ik jonger was zou ik je meenemen op een reis dwars door het land. Ik zou zo’n grote oude Cadillac kopen en dan zouden we deze zomer gaan. Misschien komt dat er nog wel een keer van, wie weet. Het was toch leuk in Dallas? Vond je de soep lekker? Ze staan bekend om hun soep.’

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief