nieuws

‘Aan het einde van de nacht’ van Nir Baram

Tegen de achtergrond van de voortdurende politieke onrust in Israël, de onvermijdelijke dienstplicht en de eisen die de maatschappij aan jongens stelt om een man te zijn, ontvouwt zich in  Aan het einde van de nacht een universeel verhaal over vriendschap en familie, verdriet en liefde. Met de grotendeels autobiografische roman bewijst Nir Baram eens te meer een van de allerbeste schrijvers van zijn generatie te zijn.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van  Aan het einde van de nacht.

Deel 1

Hij lag te woelen in het brede bed, en de lakens wikkelden zich om zijn schouders, zijn ribben, zijn knieën, zijn voeten, totdat hij het gevoel had dat hij geen spier meer kon bewegen. Toen hij zijn gezicht wilde aanraken, om zich te herinneren hoe dat voelde, kon hij zijn handen niet bevrijden uit de wirwar van stoffen. Hij keek naar de zwarte gordijnen voor de ramen alsof hij erachter probeerde te komen of het dag of nacht was, herinnerde zich dat hij lichtkorreltjes over de grond had zien kruipen, trillende gouden streepjes op de muur had gezien, flikkeringen van de zon, autolampen, lichten van wolkenkrabbers. Het bed was bezaaid met pennen, brochures, een schaal, twee koffieglazen; de lakens zaten vol inktvlekken, gelige soepspetters, spuug, chocoladekruimels en een paar vlekken die hem deden denken aan de zwart-paarse saus van een vleesgerecht. Nu en dan kwam hij zijn eigen glimlachende gezicht tegen op een oude zwart-witfoto in een brochure: zijn ogen keken ernstig, recht in de camera, maar om zijn lippen speelde een geheimzinnig glimlachje, dat je kon interpreteren als sluw of spottend. De catalogusontwerpers hielden van deze foto, van de jeugdige kracht die eruit sprak, en telkens als hij overwoog een nieuwe, meer actuele foto op te sturen, bedacht hij zich; de meeste mensen zouden de foto zien en niet hem, en het was beter dat ze zich de man van de foto zouden herinneren, zodat ze jaloers zouden zijn op zijn jeugdigheid. Soms verbeeldde hij zich dat de foto hem met beide benen op de grond hield, getuigde van het voortbestaan van zijn lichaam, terwijl alle andere zekerheden vervlogen.

Hij wist niet hoelang hij hier al was, hoeveel dagen hij had gezweefd tussen slapen en waken.
Hij wist niet hoelang hij hier al was, hoeveel dagen hij had gezweefd tussen slapen en waken, niets helder had gezien, niet in zijn dromen en niet terwijl hij wakker was. Af en toe doken er vage gestalten en gebeurtenissen op in zijn bewustzijn, ronddraaiend in een allesomvattende witte schittering. Hij kreeg plotseling honger of dorst of werd misselijk, maar alles vervluchtigde meteen, alsof er een reuzenrad van gevoelens voor zijn ogen bewoog en er met elke omwenteling een ander gevoel opkwam, dat zich weer verwijderde en een bleek, snel verdampend spoor achterliet.

Het festival was afgelopen en alle gasten – de schrijvers, de redacteuren, de journalisten en de pr-mensen – hadden het hotel al verlaten, en ongetwijfeld ook de stad. Bij dergelijke evenementen zag Jonatan altijd op tegen het moment dat het hele gedoe weer uiteen zou vallen, en hij volgde de verschillende stadia: de mensen verdwenen, dan de borden op de pleinen, de blokkades, de lichten, de vrijwilligers met hun identieke vriendelijke glimlach, alle cocktailbars en restaurants, het kloppend hart van het festival, liepen leeg, en zo bleef er een plek over die niet meer bestond. Soms vroeg hij zich af waarom de andere schrijvers het afscheid zo kalm accepteerden, terwijl hij steeds terugkeerde naar de plekken waar het festival had gewoed en rouwde om de dagen die verstreken waren. Soms wilde hij het gevoel van rouw delen met andere gasten, maar hij bleef altijd onbegrepen. Ze zeiden troostend dat er ergens anders ook festivals zouden komen, of dat dit festival er precies over een jaar weer zou zijn, en snapten niets van zijn bedroefdheid. Weliswaar erkende hij het verstrijken van de tijd, waardoor elke gebeurtenis tot het verleden ging behoren, maar zonder dat hij het wilde was een deel van hem daar nog achtergebleven, iets wat ogenschijnlijk was afgelopen leefde nog in hem voort.

Hij herinnerde zich nu één bepaalde nacht, misschien de laatste voordat hij was neergestort in zijn bed. Hij was op een feestje beland bij iemand thuis, en in de woonkamer dansten vier mensen die hij niet kende. Hij keek naar hen en vond hen mooi. Een van hen, die zwanger was, legde een hand op haar buik en zwaaide met haar andere hand een nepkaars in de rondte met een oranjerode vlam die flakkerde alsof hij echt was. Ze verwelkomden hem hartelijk, maar toonden verder geen interesse in hem.

Hij dronk wodka en zocht Carlos, die hem had uitgenodigd voor het feestje, maar hij kon hem niet vinden, en hij verwonderde zich over het feit dat niemand hem vroeg wie hij was. Toen ging hij op de koude vloer zitten, de wind bezorgde hem kippenvel en hij trok zijn rode wollen sjaal strak en staarde naar een snoer van gekleurde lampjes aan het plafond en naar de mot die eromheen fladderde; misschien was hij in slaap gesukkeld, hij herinnerde zich niets van het huis.

Daarna stond hij in een nachtclub vol mensen waar lokale muziek op de achtergrond speelde, en net als iedereen kocht hij een grote fles tequila en dronk eruit terwijl hij midden op de dansvloer stond, er kwamen mannen en vrouwen naar hem toe die de fles uit zijn hand pakten en er een paar slokken uit namen en de fles doorgaven aan weer andere mensen, en na een tijdje gaf iemand hem de fles terug, en toen voelde hij een doffe pijn in zijn knieën en zijn rug – hij had al een jaar last van die pijn, die gepaard ging met een terugkerende trilling in zijn ribben, en pas de laatste tijd werd hij zich bewust van de inspanning die hij nodig had om overeind te komen wanneer hij lag of zat. Elke dag verschenen er nieuwe pijntjes, en soms verbeeldde hij zich dat hij één oog zijn lichaam in stuurde, waar het de lever bekeek, het hart, de longen, de nieren met de kleur van sigarettenas, en dat die allemaal kronkelden.

Een meisje met zwart haar pakte de fles van hem af, en haar natte vingers streken speels over zijn voorhoofd.
Een meisje met zwart haar pakte de fles van hem af, en haar natte vingers streken speels over zijn voorhoofd. Daarna goot ze wat tequila in haar hand, en hij deed zijn ogen dicht en dronk uit haar hand, en zij legde haar natte vinger op zijn tong en hij sloot zijn lippen en likte de tequila op en proefde haar huid, en toen glimlachte ze en drukte zich tegen hem aan en bevrijdde haar vinger en bracht hem naar zijn gezicht, en hij legde zijn hand op haar heup en ze dansten even samen en hij rook parfum, zand en ketchup, en toen hij zijn ogen opendeed was ze alweer vertrokken met de fles en opgegaan in de menigte. Hij voelde zich meteen beter, misschien was hij eindelijk ontwaakt uit zijn sluimer en verwonderd omdat hij hier nu gewoon was, helemaal, ademend, hij was niet ingestort zoals hij had gevreesd, hij hing aan het leven en kon de mogelijkheden zien die verborgen lagen in de mensen om hem heen, in hun aanraking, in hun lichaamswarmte. Misschien verdreef de aanraking de eenzaamheid en was al het andere onzin, dacht hij, en hij keek met wijd open ogen naar de vrouwen, naar hun gezicht en hun borsten en hun blote benen, naar het zweet dat glinsterde op hun gladde schouders, naar de lichtheid van hun bewegingen tijdens het dansen en naar hun handen die in de lucht kronkelden, hun heupen streelden, hun borst omklemden. Hij zocht het meisje met wie hij eerder gedanst had, zag haar blote benen voor zich, of misschien had hij zich die alleen maar verbeeld.

Hij drong zich tussen de mensen, haastte zich naar de bar, kocht nog een grote fles, en weer dronk hij en weer verdween de fles. Toen stond Carlos naast hem, en ze gingen naar buiten, naar een binnenplaats waar mensen rond een kraampje hotdogs stonden te verorberen, en hij rook mosterd en ketchup. Carlos stond met een paar jongeren te praten over een onderzoek dat hij deed voor een overheidsorganisatie, naar studenten die verdwenen waren op een bepaalde universiteit, en reikte hem een klein flesje aan en een zakmes, en Jonatan strooide voorzichtig wat poeder op het zilverkleurige lemmet en bracht zijn neus ernaartoe, snoof het poeder op en maakte meteen een dikker lijntje klaar en snoof het snel op, en toen hij het flesje teruggaf aan Carlos, had hij meteen spijt dat hij niet nog een lijntje gemaakt had. Daarna werd het steeds drukker om hem heen en werd hij alle kanten op geduwd, Carlos verloor hij uit het oog en ook de gezichten die hij zich herinnerde uit dat huis.

Een stevige jonge vrouw met een bril omhelsde hem – ze kwam hem bekend voor van een eerder moment op de avond of op het festival – en ze zei dat het haar erg speet, en toen herinnerde hij zich een zin die hij in zijn jeugd had geschreven: ‘Wij hebben de dood bestudeerd / niet de dood die niet van ons is / die interesseert ons niet / wij zijn geen filosofen’, een zin die in elk van zijn boeken terugkwam, als een soort talisman die hem beschermde of hem eraan herinnerde hoe de dingen waren ontstaan, en hij wist dat hij de man wakker moest maken die al een paar jaar in zijn lichaam sluimerde. Hij had altijd het gevoel dat de mensen om hem heen een duidelijk afgebakend karakter hadden en werkten volgens bepaalde routines en verplichtingen, noodzaken en wetten, alsof ze wisten wat voor soort mensen ze waren of op zijn minst wat ze al dan niet konden bereiken, terwijl hij geloofde dat er in zijn ziel niets was wat iets uitsloot of voorschreef. Zijn ademhaling werd zwaar, zijn knieën knikten, en de overvloed aan lachende gezichten tegenover hem smolt samen tot één reusachtige glimlach. Hij kwam weer in de verleiding te geloven in een verzoenend moment dat iets van zijn goedheid schonk aan de tijd die er nog zou zijn. Een vloed van emotie van het heden naar de toekomst, nooit naar het verleden.

Daarna lag hij op een bank in een lange, smalle huiskamer die leek op een treinwagon.
Daarna lag hij op een bank in een lange, smalle huiskamer die leek op een treinwagon en zag een bar voor zich met flessen erop en allerlei plaatjes die kleuren naar zijn ogen spoten totdat hij ze dichtdeed en iemand hoorde schreeuwen dat hij het koud had en toen begreep hij dat hij dat was. Ze wikkelden hem in een warme wollen deken die net zo voelde als de oranje deken thuis, en op het moment dat zijn huid was opgewarmd liet hij zijn lichaam op de grond vallen, al wist hij niet waarom hij dat deed, misschien verlangde hij naar pijn, en iemand zei iets in het Spaans, de stem deed hem denken aan die van Carlos, hij hoopte dat Carlos er inderdaad was, en iemand anders gaf hem antwoord, en ze spraken met tederheid over hem, alsof ze het over iemand hadden die mededogen verdiende. Er verstreken een paar minuten en in het pikkedonker rustte zijn hoofd op de knieën van de jonge vrouw met de bril, hij hoorde haar hartslag terwijl ze met haar vingers zijn hals en zijn gezicht streelde, en haar aanraking van zijn huid was diep en sterk en hij voelde zich beschermd. Ze zei tegen hem dat ze het eerder niet begrepen had en misschien een beetje beledigd was geweest, maar nu begreep ze alles – zijn beste vriend was dood.

In het hotel, op een ander moment van niet-slapen, zag hij haar zweven in de ruimte van het Boliviaanse restaurant waar de muren van de drie kamers de rondingen en krommingen volgden van werelddelen: Amerika, Europa en Azië. Hij zat in de Azië-kamer met allerlei vreemde hoekjes en uitstulpingen aan de zijkanten. Het was een van de avonden van het festival, en ze zaten om een lange tafel met een van de grote magazine-uitgevers in de stad, tevens mede-eigenaar van het restaurant, een man van een jaar of vijfenzestig, die somber en verveeld bleef kijken boven zijn donzige witte baard waar hij af en toe aan plukte, en zijn kleine blauwe ogen, waarboven geen spoor van wenkbrauwen te zien was, namen de gasten op met de blik waarmee iemand jassen in een kledingwinkel bekijkt. Iedereen fluisterde met elkaar op een geschokte toon die niet in staat was hun uitzinnigheid te verhullen over het feit dat ze een verbijsterend geheim deelden: een jaar geleden was hij ontvoerd en vastgehouden in een vochtige, donkere kelder waar hij alleen brood, groente, water en misschien kakkerlakken of wormen te eten had gekregen, naar men beweerde hadden ze hem gedwongen zijn eigen schoenveters te eten en zijn sjaal waarop de naam van zijn vrouw in vergulde letters geborduurd stond, en had hij gesmeekt of ze er zout bij wilden doen. Na een maand was hij, angstwekkend mager, vrijgelaten tegen losgeld, misschien een miljoen dollar, misschien vijf miljoen. Nog steeds, fluisterden ze, was zijn gezicht vel over been en was hij voortdurend somber, het was een feit dat hij zo mager was gebleven, dat hij nergens van genoot, misschien had hij in de vochtige kelders van de wereld begrepen dat al zijn prestaties, en alles wat hij graag wilde hebben, niets was dan ijdelheid en het najagen van wind, en ze vroegen zich ook af of het wel mogelijk was iemand te begrijpen die uit een vochtige kelder kwam nadat hij daar elke dag te horen had gekregen dat hij een kogel door zijn hoofd zou krijgen.

Jonatan vroeg zich af of al die vragen werkelijk te maken hadden met de man tegenover hem, want het leek erop dat de magazine-uitgever juist genoot van de avond en van de vrijheid om zijn minachting te botvieren op degenen om hem heen, vooral schrijvers en intellectuelen. Hij herinnerde zich dat Carlos tegen hem had gezegd dat de rijkaard volgens hem helemaal niet was ontvoerd, misschien hadden ze hem alleen maar een paar uur vastgehouden, en waren het verder gewoon sprookjes die Mexicanen van uitgeversconcerns aan buitenlanders vertelden om hun vervolgens stomme narcocultuurromans te verkopen over drugsbendes en moorden.

Tegen het eind van de avond keek de magazine-uitgever hem onderzoekend aan en vroeg waar zijn roman over ging.
Tegen het eind van de avond keek de magazine-uitgever hem onderzoekend aan en vroeg waar zijn roman over ging. Jonatan keek hem recht in de ogen en antwoordde: ‘Ik zal hem u toesturen’, zonder er iets aan toe te voegen over de plot en de personages en de vragen die het boek opriep, maar als hij al had gedacht dat de magazine-uitgever het zou waarderen dat hij hem niet vermoeide met verhalen, raakte hij die illusie meteen kwijt, want de man was duidelijk teleurgesteld in zijn antwoord, dat hem niet de gelegenheid gaf de spot te drijven met de clichés van de plot, de personages, of hem te herinneren aan boeken die hij vermoedelijk had geïmiteerd. Vervolgens plukte hij aan zijn baard en zei tegen hem dat de werkelijk gevaarlijke kunstenaars degenen zonder talent waren maar wel een aanzienlijke mate van verbeelding bezaten, en toen deed hij er verder het zwijgen toe. Jonatan kwam er niet achter of de jonge vrouw met de bril deel uitmaakte van zijn herinnering aan dit restaurant of dat zijn herinneringen van de paar dagen die hij in de stad had doorgebracht door elkaar waren gaan lopen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief