leesfragment

‘Achterland’ van Téa Obreht

Een man op zoek naar een thuis dat hij niet kan vinden. Een vrouw gebonden aan een huis dat ze niet kan verlaten.

Achterland is de langverwachte nieuwe roman van Téa Obreht, de auteur van De tijgervrouw van Galina, waar ze de Orange Prize for Fiction mee won. Haar nieuwste boek is een groots, meeslepend epos over het Wilde Westen, wonderlijke mythes en de wettelozen. Aangeraden door niemand minder dan Barack Obama! Lees hier alvast een fragment.


Quotes

‘Obreht neemt de lezer meer naar een fantastische laat-negentiende eeuw… Achterland keert je binnenste buiten en prikkelt tot de laatste pagina’ USA Today

‘Wat Obreht hier doet is pure poëzie. Een zeldzame roman met een perfect einde.’ Entertainment Weekly

‘Als de western het verhaal is dat Amerika over zichzelf vertelt, dan is dit boek een poging om een nieuw hoofdstuk in dat verhaal te schrijven.’The Guardian


Leesfragment

Weer boven aan de kloof bleef Toby staan. ‘Waar zijn de honden, Mama?’

Ze had het heet en was buiten adem, en ze had geen idee. Maar zijn vraag verjoeg eindelijk die vreemde afwezigheid die haar de hele morgen in de greep had gehad. Het was niet alleen dat de jongens al vertrokken waren of dat ze zich door Emmetts wegblijven schrap moest zetten voor nog weer zo’n ellendige dag zonder water. Nee, er was nog iets geweest, iets wat onder of rondom al het andere speelde, en nu viel het haar in: de honden. De honden waren weg, alle vier, misschien wel vijf als die losbandige ouwe reu het leven niet had gelaten bij zijn jongste vrijpartij met een coyoteteefje dat hem zijn kop op hol had gebracht. De herrie die ze schopten – wild en onhandelbaar als ze waren, en op elk uur van de dag vanuit elke hoek van de boerderij te horen zodat het Emmett tot loze dreigementen van executie dreef – was haar constante metgezel geweest en in de afwezigheid ervan strekte zich een stilte uit zo oorverdovend dat het geruis van het gras er niet bovenuit kwam.

‘De jongens moeten ze meegenomen hebben,’ zei Nora.
‘De jongens moeten ze meegenomen hebben,’ zei Nora.

‘Waarheen?’

Ze dacht na. ‘Op jacht?’

Voor de eerste keer die dag schoot Toby in de lach. ‘Mama, doe niet zo raar,’ zei hij.

Hij liep voor haar uit naar het huis. Dat stond tegen de rotswand met de gesmolten zon in de vensters en zwarte rookwolken – het vege teken dat Josies gebakken eieren in de maak waren – uit de spleet rond de deur. De laatste tijd stelde Nora zich weleens voor wat er van het huis zou worden als ook de Larks eindelijk hun boeltje pakten. Als Rob, aan het eind van zijn geduld, zich bij een noordwaarts trekkende groep veedrijvers aansloot; als Dolan de mazzel had dat hij ergens in de leer kon, met Gods hulp misschien wel bij een geduldige rechter; en als Emmett dan eindelijk zijn zin kreeg, de krant liet voor wat die was en Nora en Toby en zijn stokoude moeder op de wagen laadde om koers te zetten naar zijn volgende avontuur in het volgende naamloze pionierskamp, als die er nog waren in deze wereld. Het huis zou stilvallen. Muizen zouden in de boeiboorden gaan zitten en als goudzoekers alles afschuimen naar kruimels. Ratelslangen zouden volgen. De dwergeiken met hun dorstige wortels zouden de heuvel af dwalen en de houten omheining en Evelyns kleine zerk overgroeien op hun weg naar de schuren. De tuin zou doorschieten, al dat vervloekte gras zou terugkeren om de afstammelingen van Nora’s koolplanten onder zijn stekelige mat te vegen. Misschien dat in een late zomerstorm de schuur omver zou waaien. Misschien dat van onder de vloer in een van de kamers beneden een vijg, klein en rond, zijn trage klimpartij zou beginnen. Algauw zou de boerderij op een stille herfstavond het zoveelste massief met louter dakhellingen zijn geworden, en zouden de onverlichte ramen een wanhopige buur ertoe aanzetten om hun put te peilen, precies als Emmett en zij hadden gedaan toen de Floreses – Rodrigo en Selma, en Toby’s vriendinnetje Valeria – afgelopen jaar onaangekondigd hun biezen hadden gepakt. En zonder afscheid, zoals je deed als je het had opgegeven.

Emmett op het stoffige voorerf van de Floreses te zien schatten hoe lang hun put had drooggestaan was erg genoeg geweest, maar toen kwam de grotere vergissing om het huis binnen te gaan, waar een massa hartzeer wachtte. De keurig opgemaakte bedden. Kasten met oude kaarten en brieven nog in de laden. Schilderijen naast de voordeur op de vloer, duidelijk in overweging genomen maar te onnut of te zwaar bevonden om mee te nemen. De stilte die Nora en Emmett in dat huis was aangevlogen was de hele avond tijdens hun klusjes blijven hangen en met hen mee in bed gekropen, waar ze niettemin ongewoon vurig met elkaar aan de gang waren gegaan. Een paar uur later had Nora, die wakker lag in weerwil van haar vermoeidheid, gezien dat Emmett zich losmaakte uit het verfrommelde beddengoed en op het raamkozijn klom om bij de richel hoog boven hun hoofdeind te komen.

‘Wat is er in jou gevaren?’
‘Wat is er in jou gevaren?’

‘Zul je wel zien,’ zei Emmett. Hij was nog altijd naakt en een beetje buiten adem. Hij pulkte een spijker los en begon iets in

het hout te krassen.

‘Wat schrijf je?’

Hij verraste haar met een glimlach die hem tien jaar jonger maakte. ‘Emmett, Nora en hun jongens woonden hier en waren

gelukkig.’

En Evelyn dan? had ze willen vragen, want allicht klonk Evelyn al in haar oor: Ja! En ik dan? Haar toon was eerder ongelovig dan gekwetst, zoals te verwachten was van de zeventienjarige die ze nu zou zijn geweest en zoals Nora zich haar voorstelde. Zeventien en ongelovig en met een volmaakt redelijke vraag: en zij dan? Had zij niet ook in dit huis gewoond? Woonde ze er niet nog steeds, voortlevend als ze deed in Nora’s verbeelding? En stel dat ze een echte geest was en niet de ingebeelde verschijning van hun lang geleden gestorven kind, zou de aftocht die Emmett nu kennelijk in de zin had haar dan niet dwingen om hier – ijzingwekkend en onvoorstelbaar alleen – te blijven rondwaren?

In het afgelopen jaar was dat idee in Nora aangezwollen en op een gegeven moment tussen hen in gekropen als ijs tussen planken. Misschien was dat niet gebeurd als ze het die avond aan Emmett had verteld. Maar Emmett leek zo in de wolken, zo gelukkig en in beslag genomen door zijn gekrabbel dat Nora het niet over haar hart kon verkrijgen om hem te pijnigen met haar vragen. In plaats daarvan had ze de deken tot haar kin opgetrokken. ‘Dat is een grote hoop flauwekul, Mister Lark.’

‘Volgens mij is het een verdomd grote waarheid,’ zei hij. ‘We moesten er wat vaker bij stilstaan.’

Het was niks voor hem om zo sentimenteel te zijn.
Het was niks voor hem om zo sentimenteel te zijn. Haar enige toevlucht was plagen. ‘Volgens mij ben je geen ene mallemoer aan het opschrijven, Mister Lark.’

‘Zeker wel.’

‘Nou, wedden dat er alleen maar staat: in dit huis heeft Emmett Lark – God sta hem bij – nogal een boel nonsens van zijn vrouw te verduren gehad.’

‘Hier, kijk zelf maar als je me niet gelooft.’ Ze liet zich door hem omhooghelpen, maar zelfs op haar tenen kwam ze bij lange na niet op ooghoogte met de richel. Ze bleef hem ermee plagen. Telkens wanneer ze in de tussenliggende maanden ruzie hadden of als hij net als nu verdween, raakte ze er meer van overtuigd dat hij daar helemaal niks had opgeschreven.

Het was ook iets raars om te zeggen: ‘Emmett, Nora en hun jongens woonden hier en waren gelukkig.’ Goed, dat wonen viel niet te ontkennen. Maar ze betwijfelde of een van hen voor het hemels gerecht zou kunnen staan en naar waarheid kon beweren dat ze gelukkig waren geweest.

Behalve Toby natuurlijk. Hoe akeliger en ongezelliger het ergens was, hoe gelukkiger hij leek. Daar stond hij op het voorerf, vrolijk naar haar te gebaren.

‘Kijk!’ riep hij. ‘Gramma is weer ontsnapt!’

Emmetts moeder, Missus Harriet, zat op de veranda voor het huis met haar gezicht naar de zon. Haar rolstoel – van voor het Territory en al zo lang in bruikleen van Doc Almenara dat Nora vond dat je het intussen wel eigendom kon noemen – was uitgegroeid tot een waar monster. Aan alle kanten staken er rietkrullen uit het vlechtwerk van zijn rug. Waar ze degene raakten die hem toevallig duwde, deden ze bloed vloeien. De formidabele roestige voorwielen gaven het kreng het aanzien van een triest overblijfsel uit het leger van de farao. De huidige wagenmenner – zestig inmiddels, misschien nog wat ouder, en nog altijd dezelfde dragonder als toen ze uit Kansas was vertrokken om bij hen te komen wonen – was twee jaar eerder verlamd geraakt door een beroerte. Wat haar overigens niet had beroofd van haar wil of onwil, maar in elk geval wel van het vermogen om er lucht aan te geven.

Toby reed het oude mens zorgzaam achterwaarts de keuken in, waar Josie in een koekenpan de verbrokkelende maiskoekjes met een spatel verder aan gort hielp te midden van de gebruikelijke ellende: aangebrande eieren en rook, en een wijd openstaande oven die een helse hitte de keuken in braakte. Twee broden, die ’s nachts hadden staan rijzen, puilden over hun bakblik als rondborstige hoeren over de balustrade van een overloop. De aanblik ervan joeg een flits van paniek door Nora heen. Ze had het deeg gisteravond in een optimistische bui gekneed, toen ze de oren nog gespitst hield voor Emmetts wielen op het pad – toen ze nog rekende op alles wat water mogelijk maakte, een volle kroes, schone was, misschien zelfs een bad – en nu lagen ze daar: twee opgeblazen fouten die het hele huishouden niet één, maar twee koppen dichter bij de bodem van de emmer hadden gebracht.

Nog geen zeven uur ’s ochtends en ze stond al tegen Josie te tieren.
Nog geen zeven uur ’s ochtends en ze stond al tegen Josie te tieren.

‘Had ik niet gezegd dat je dat brood moest bakken?’ In één snelle beweging smeet het meisje de bakblikken in de oven en trapte de deur dicht. ‘En had ik niet gezegd dat je Missus Harriet nooit op de veranda mocht laten staan? Mensen gaan hier dood van de hitte.’

Josie keek ontzet. ‘Ik zou d’r nooit buiten laten staan, ma’am, ze moet weer ontsnapt zijn.’

‘Hou goddorie op met liegen.’

‘Ze doet het steeds, Mama,’ merkte Toby op. ‘Ze wacht tot niemand het ziet.’

‘Met leugens maak je gaten in de hemel, Toby, en dan vallen alle engeltjes eruit.’

‘Met “goddorie” zeggen ook.’

‘Kijk.’ Het gezicht van haar schoonmoeder gloeide rond de wenkbrauwen. ‘Ze heeft een zonnesteek.’

Josie haastte zich om het voorhoofd van de oude dame af te vegen. ‘Mag ik haar wat water geven?’

‘Het zal wel moeten, ja.’

‘U moet niet steeds ontsnappen, Missus Harriet.’
‘U moet niet steeds ontsnappen, Missus Harriet.’ Haar bezorgde gezichtje stond streng. ‘Door u kom ik nog in de penarie.’

Van het beetje dat ze afmat was de emmer goddank niet veel leger geworden; er was nog zoveel dat de schep van de soeplepel onderstond, nog zoveel dat er een slokje inzat, voor iedereen misschien, misschien ook voor haarzelf.

‘Hoeveel is er nog in het koelhuis?’

‘Dat weet ik zo niet, ma’am.’

‘Dan geef je haar maar niks meer tot je daarachter bent!’

Haastig greep Josie haar hoed. Ze had ‘reuzespijt, ma’am’; ze had altijd reuzespijt en er waren ontelbare voorvallen om reuzespijt van te hebben. Josie had de lichtbruine ogen en het brede voorhoofd van Emmetts wijdvertakte Schotse familie. Haar wangen en hals zaten onder de sproeten die na een halve tel in de zon al obsceen roze opgloeiden. Een drietal gleufjes groef zich in op de brug van haar neus zodra ze maar enigszins onder druk stond, en Nora begon medelijden te krijgen met die hardwerkende lijntjes. Het was nauwelijks de moeite om zich tussen de vermaningen door terug te trekken.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief