leesfragment

‘Al wat goud op de bergen is’ van C Pam Zhang

0

Al wat goud op de bergen is is een overweldigend avonturenverhaal dat de stereotypen van de klassieke western op zijn kop zet. Een onvergetelijk verhaal over het verlangen van een immigrantenkind naar een thuis, en een opmerkelijke roman over familieleden die door herinneringen en geheimen verbonden zijn.

Ontdek de lovende woorden voor Al wat goud op de bergen is, of lees alvast de eerste pagina’s van de debuutroman van C Pam Zhang hieronder.

Goud

Ba sterft ’s nachts, nu moeten ze op zoek naar twee zilveren dollars.

Tegen de ochtend stampvoet Sam in een bozig ritme, maar Lucy wil toch voor het weggaan iets zeggen. Stilte weegt zwaar op haar schouders, drukt en drukt tot ze zwicht.

‘Sorry,’ zegt ze tegen Ba in zijn bed. Het laken dat hem toedekt is het enige propere oppervlak in dit donkere en stoffige hok, tot in alle hoeken en gaten zwart van de steenkool. Ba lette bij leven niet op rommel en in de dood gaat zijn gemeen samengeknepen blik er straal langs. Langs Lucy. Recht op Sam af. Sam de oogappel, het ronde bundeltje ongeduld dat in te grote laarzen bij de deur staat te trappelen. Sam die aan elk woord van de levende Ba hing ontwijkt nu zijn blik. Het treft Lucy als een mokerslag: Ba is echt weg.

Wroetend met blote tenen in de aardevloer zoekt ze naar woorden om Sam te bereiken. Balsem om jaren van pijn te bestrijken. Stof hangt spookachtig in het licht bij het enige raam. Geen zuchtje laat het bewegen.

Er prikt iets in haar wervelkolom.

‘Pang,’ zegt Sam. Sams elf jaren tegen Lucy’s twaalf, hout op haar water, zei Ma altijd, toch is Sam een kop kleiner. Op het oog zo jong, op het oog zo lief. ‘Te laat. Je bent dood.’ Sam balt mollige vuistjes tot luchtpistolen en blaast tegen de denkbeeldige loop. Deed Ba ook altijd. Beste manier om de dingen te doen, meende Ba, en toen Lucy zei dat die nieuwe pistolen volgens Meester Leigh niet verstopten, dus doorblazen hoefde niet, vond Ba dat haar slaan ook de beste manier was. Die sterrenregen achter haar ogen, die venijnige pijnscheut in haar neus.

De neus is nooit meer recht gaan staan. Mijmerend duwt Lucy haar duim ertegenaan. Zelf laten helen, zei Ba, beste manier. Hij keek even toen de blauwpaarse bloem op haar gezicht was vervaagd, en knikte instemmend. Alsof hij het van tevoren had bedacht. Beste manier, een voelbare herinnering om te onthouden hoe bijdehand je was.

Er zit zand op Sams gebronsde gezicht, zeker, en Sam heeft het ingewreven met kruit om het (vindt Sam) op indiaanse oorlogskleuren te laten lijken, maar eronder is de huid gaaf.

Deze ene keer, omdat Ba’s vuisten machteloos zijn onder het laken – en misschien ís ze goed, ís ze slim, denkt ze dat Ba naar haar zal uithalen omdat ze hem tergt – doet Lucy wat ze nooit doet. Ze heft háár handen, ze strekt háár vingers en ze port in het babyvet onder de verf op Sams kin. De kaaklijn zou je verfijnd kunnen noemen als Sam die kin niet zo strijdlustig naar voren stak.

‘Weg met je pang,’ zegt Lucy.
‘Weg met je pang,’ zegt Lucy. Ze duwt Sam als een outlaw de deur uit.

Zon zuigt hen leeg. Midden in het droge seizoen is regen een verre herinnering. Hun vallei is een zandplaat, in tweeën gedeeld door een wriemelend stroompje. Aan deze kant staan de gammele hutten van de mijnwerkers, aan de andere de welgestelde bouwsels met echte muren, glazen ramen. Om dit alles heen het oneindige gouddooraderde berglandschap, waar het hoge, verschroeide gras de armetierige kampen verbergt van goudzoekers en indianen, hordes vaquero’s, reizigers, outlaws, en de mijn, en meer mijn, en verder, en verder.

Sam recht de smalle schouders en steekt de beek over, rode kiel als een schreeuw op het barre land.

Toen ze hier aankwamen, groeiden er nog lange gele grassen in deze vallei, klaprozen na regen en aan de rand stonden struikeiken. De overstroming drieënhalf jaar geleden ontwortelde de eiken, de helft van de mensen verdronk of vluchtte. Maar hun gezin bleef, eenzaam en alleen aan de uiterste rand van de vallei. Ba, net als zo’n door bliksem getroffen boom: uiteengereten, dode stam, halsstarrige wortels diep in de grond.

En nu Ba er niet meer is?

Lucy zet haar blote voeten in de afdrukken van Sams laarzen, zwijgend, ze spaart haar speeksel. Het water is al lang weg, ergens bleef de wereld na de overstroming dorstiger achter.

En Ma, ook al lang weg.

.

Aan de overkant van de kreek ligt de brede hoofdstraat stoffig te glinsteren als slangenhuid. Puien verrijzen aan weerszijden: saloon en smid, handelspost en bank, hotel. Mensen blijven loom als hagedissen in de schaduw.

Jim, in zijn dorpswinkel, noteert in zijn kasboek – net zo breed als hij en half zo zwaar. Hij schijnt precies bij te houden wie wat schuldig is in de wijde omtrek.

‘Pardon,’ mompelt Lucy, slalommend tussen de kinderen door die bij het snoepgoed rondhangen, de hunkering naar verlichting van de verveling brandend in hun ogen. ‘Mag ik? Sorry.’ Ze maakt zich klein. Het kroost wijkt landerig uiteen, harde armen raken haar schouders. Vandaag geen knijpende vingers, dat scheelt.

Jim kijkt stug in zijn kasboek.

Iets luider. ‘Pardon, meneer?’

Een tiental blikken die Lucy doorboren, maar Jim negeert haar. Tegen beter weten in legt ze een hand op de toonbank om zijn aandacht te trekken.

Zijn ogen schieten omhoog. Bloeddoorlopen, omrand met rauwe huid. ‘Weg jij,’ zegt hij. Zijn stem pikeert als prikkeldraad. Zijn handen schrijven door. ‘Vanmorgen die toonbank nog schoongemaakt.’

Schor gelach achter haar rug.
Schor gelach achter haar rug. Het laat haar koud. Na al die jaren in dit soort oorden zijn haar tere delen uitgehard. Waar haar maag van samenknijpt, net als toen Ma stierf, is de blik in Sams ogen. Witheet, precies als Ba.

Ha! Lucy lacht omdat Sam het zal laten. Ha! Ha! Lachen als schild, om hen te betrekken bij de roedel.

‘Alleen hele kippen vandaag,’ zegt Jim. ‘Geen poten voor jullie. Kom morgen terug.’

‘We hoeven geen proviand,’ zegt Lucy, die de smaak van kippenvel al op haar tong proeft. Ze richt zich in haar volle lengte op, armen langszij, gebalde vuisten. En ze uit haar wens.

‘De enige magische woorden van belang komen van mij,’ zei Ba toen hij Ma’s boeken in het na stormachtig noodweer ontstane meer wierp. Hij sloeg Lucy om haar gehuil te stoppen, maar zijn hand was traag. Bijna liefdevol. Hij knielde voor haar neer, ze smeerde het snot uit over haar wangen. ‘Ting wo, Lucy meisje: op krediet.’

Er zit warempel enige magie in Ba’s woorden. Jim legt zijn pen neer.

‘Wat zei je, meisje?’

‘Twee zilveren dollars. Op krediet.’ Ba buldert tegen haar rug, in haar oor. Lucy kan de whisky in zijn adem ruiken. Zich omdraaien is te eng. Als hij zijn kolenschoppen op haar schouders zou leggen, weet ze niet of ze zal gillen of huilen, rennen of haar armen onverbrekelijk stijf om zijn hals slaan, hoe hij ook tiert. Ba’s woorden tuimelen uit het diepst van haar keel als een geest die uit de duisternis komt gestrompeld: ‘Maandag loonzakje. Het is maar een kleine overbrugging. Eerlijk waar.’

Ze spuwt in haar hand en steekt hem uit.

Jim moet dit refrein kennen. Van mijnwerkers, van hun verdroogde vrouwen en hun uitgeholde kinderen. Armoedig als Lucy. Smerig als Lucy. Jim doet in de regel dit: hij gromt, geeft het gevraagde product, en berekent het dubbele als het loon binnen is. Heeft hij geen zwachtels op krediet uitgedeeld na het ongeluk in de mijn? Aan wanhopige lui als Lucy.

Maar niet echt als Lucy. Jim neemt haar op. Barrevoets. Zweetplekken in haar jurk, vormeloos marineblauw, een vermaakte kiel van Ba. Stakerige armen, warrig wild haar. En dan haar gezicht.

‘Granen kan je pa op krediet krijgen,’ zegt Jim. ‘Of iets vaags van een beest, wat jullie eten.’ Zijn lippen krullen op, een glimp van vochtig tandvlees. Bij een ander zou het een glimlach heten. ‘Voor geld moet hij naar de bank.’

Het speeksel op Lucy’s onberoerde vlakke hand droogt op.
Het speeksel op Lucy’s onberoerde vlakke hand droogt op. ‘Meneer…’

Luider dan Lucy’s zwakke gesputter zijn de hakken van Sams laarzen die met rechte rug de winkel uit marcheert.

.
.

Sam: klein van stuk, maar de tred van een man door die kalfsleren laarzen. Sams schaduw likt aan Lucy’s tenen; voor Sam staat een schaduw voor de ware lengte, het lichaam is een tijdelijke complicatie. ‘Als ik straks cowboy ben,’ zegt Sam. ‘Als ik straks avonturier ben.’ Meer recent: ‘Als ik een beroemde outlaw ben. Als ik groot ben.’ Op die leeftijd denken ze nog dat hun wensen de wereld kunnen sturen.

‘Banken helpen ons soort niet,’ zegt Lucy.

Ze had net zo goed kunnen zwijgen. Stof kietelt in haar neus en ze blijft staan. Ze kucht, ze kokhalst, ze kotst het eten van gisteravond op de keien.

Daar zijn de zwerfhonden, bliksemsnel duiken ze op haar braaksel. Even aarzelt Lucy, ondanks de gejaagde roffel van Sams laarzen. In gedachten laat ze haar enige verwant lopen om neergehurkt tussen de honden te knokken voor elke kruimel die van haar is. Hondenleven bestaat uit maag en poten, rennen en vreten. Simpel leven.

Ze maakt zich groot en vervolgt als tweevoeter haar weg.

‘Ben je zover, makker?’ vraagt Sam. Deze keer is het een echte vraag, geen knauwend uitgespuugde kreet. Voor het eerst zijn Sams donkere ogen die dag niet samengeknepen. Afgeschut door Lucy’s schaduw staan ze wijd open, met vanbinnen iets half gesmoltens. Lucy maakt aanstalten om het korte zwarte haar aan te raken waar de bandana scheef zit. De herinnering aan de geur van Sams babyhoofdje: pril, zuiver met olie en zon.

Haar manoeuvre laat de zon toeslaan. De donkere ogen knijpen zich abrupt samen en Sam deinst terug. Lucy ziet aan de bult in Sams broekzakken dat de vuisten weer in de aanslag zijn.

‘Ik ben zover,’ zegt Lucy.

De bank heeft een glimmende plankenvloer. Blond als het haar van de lokettiste. Geen splinter onder Lucy’s voeten, zo glad. De stampende laarzen krijgen een botte bijklank, als een pistoolschot. Sams hals wordt rood onder de oorlogskleuren.

Bam-bam, galmt het door de bank.
Bam-bam, galmt het door de bank. De lokettiste kijkt op.

Bam-bam. Ze leunt naar achteren op haar stoel. Achter haar doemt een man op. Zwaaiende horlogeketting aan zijn vest.

Bam-bam bam-bam bam-bam, naar de balie. Daar verheft Sam zich, hoog op de tenen tot het leer van de laarzen kreukt. Vroeger trippelde Sam altijd zo voorzichtig rond.

‘Twee zilveren dollars,’ zegt Sam.

De lokettiste vertrekt haar mond. ‘Heb je hier…’

‘Zij hebben hier geen rekening.’ De man neemt het woord, hij kijkt naar Sam als naar een rat.

Sam valt stil.

‘Op krediet,’ zegt Lucy. ‘Toe, alstublieft.’

‘Ik ken jullie van gezicht. Moet je van je vader komen schooien?’

In zekere zin wel.

‘Maandag loonzakje. We hebben wat uitstel nodig.’ Lucy zegt er niet bij: Eerlijk waar. Dat hoort die man toch niet.

‘We doen niet aan liefdadigheid. Vort, naar huis, stelletje…’ Zijn lippen bewegen, al is zijn stem gestokt, zoals bij de vrouw die Lucy ooit in tongen zag spreken, en een kracht buiten haar om zich door haar lippen wrong. ‘… schooiers. Anders roep ik de sheriff.’

Angst glijdt als ijskoude vingers langs haar wervelkolom. Niet voor de bankier. Wel voor Sam. Ze herkent de blik in Sams ogen en denkt aan Ba, stijf in zijn bed, ogen als starre spleten. Zij was vanmorgen als eerste op. Ze vond het lijk, waakte tot Sam wakker werd en deed haar best zijn ogen te sluiten. Hij is vast kwaad gestorven, dacht ze. Nu weet ze beter: ze zag de berekenende blik van een jager die zijn prooi beloert. Ze herkent nu al de eerste tekens van die bezetenheid. Dat loerende van Ba in Sams ogen. Ba’s woede in Sams lichaam. Nog los van de andere greep die Ba op zijn kind heeft: de laarzen, de plek op Sams schouder waar Ba’s hand rustte. Lucy kan het verloop uittekenen. Ba rot met de dag verder weg in dat bed, zijn geest vloeit uit hem vandaan en zal in Sam overgaan tot Lucy op een dag Ba uit Sams ogen ziet loeren. Sam, voor altijd verloren.

Ze moeten Ba begraven, eens en voor altijd.
Ze moeten Ba begraven, eens en voor altijd, en zijn ogen onder het gewicht van zilver sluiten. Ze staalt zich voor het bedelen.

Sam zegt: ‘Pang.’

Hou op met die grappen, wil Lucy zeggen. Ze wil de gebronsde mollige vingertjes pakken, maar ze lichten vreemd op. Zwart glanzend. Sam heeft Ba’s pistool vast.

De lokettiste valt flauw.

‘Twee zilveren dollars,’ zegt Sam, met een stem een octaaf lager. Een zweem van Ba’s stem.

‘Het spijt me echt, meneer,’ zegt Lucy. Haar bovenlip krult op. Ha! Ha! ‘U weet, kinderen en gekkigheid, sorry voor mijn kleine…’

‘Wegwezen, voor ik je laat lynchen,’ zegt de man. Hij kijkt Sam recht aan. ‘Vort, jij. Vieze. Kleine. Spleetoog.’

Sam haalt de trekker over.

Een dreun. Een schot. Een vlaag. Een gewaarwording van iets kolossaals rakelings langs haar oor. Slaag met de ruwe vlakke hand. Als ze haar ogen opendoet, is de lucht grijze rook en Sam wankelt naar achteren, een hand tegen de beurse wang gedrukt door de terugslag van het pistool. De man ligt op de grond. Voor het eerst van haar leven weerstaat Lucy Sams betraande wangen, Sam komt nu tweede. Ze kruipt van Sam weg. Tuitende oren. Haar vingers raken ’s mans enkel. Zijn bovenbeen. Zijn borst. Zijn hele, ongeschonden, kloppende borst. Er zit een buil op zijn slaap waar hij tegen de plank stootte toen hij wegsprong. Verder is hij niet gewond. Het schot was niet raak.

In de wolk van rook en kruit hoort Lucy Ba lachen.

‘Sam.’ Ze weerstaat een andere behoefte. Geef niet toe aan tranen, niet nu. Wees sterk. ‘Sam, stomme idioot, bao bei, jij kleine etter.’ Ze vermengt het zoet en het zuur, het verwennen en het verwensen. Precies Ba. ‘We moeten gaan.

Auteursfoto (c) Gioia Zloczower

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief