leesfragment

‘Alledaagse waanzin’ van Lisa Appignanesi

Hoe reageer je als je geconfronteerd wordt met een onbegrijpelijk groot verlies? Lisa Appignanesi beschrijft in Alledaagse waanzin drie generaties gevoelens: naast haar eigen rouw ontleedt ze de boosheid van haar vader, een Poolse migrant, en haar tweejarige kleinzoon, wiens wereld overhoop is gehaald door de komst van een broertje. Lees hier de eerste twee hoofdstukken.

1

Het doorzichtige shampooflesje overleefde hem. Het was van het type dat je meeneemt uit hotels in verre landen. Het stond al een jaar op het plankje in de douche, precies waar hij het had neergezet. Ik keek er elke dag naar.

Ik kon me er niet toe zetten om het te verplaatsen of te gebruiken.

Toen ik het uiteindelijk dan toch oppakte, voelde het korrelig en een beetje vochtig aan, net zweterige, niet helemaal gave huid. Ik zette mijn bril op om de onduidelijke tekst op de voorkant van het gebogen plastic te kunnen lezen. Voor het eerst zag ik dat er, naast het gestileerde palmboompje, in vervaagde letters memory of senses op stond.

Ik zette het flesje terug op de plank. Vliegensvlug.

Ook al had ik het huis ontdaan van zakken vol met kleren, ongeopende pakjes shag, snoertjes die bij defecte apparaten hoorden en nog wat andere willekeurige overblijfselen van zijn leven, toch kon ik om de een of andere reden dat flesje niet weggooien.

Bijgeloof.

We weten allemaal dat de doden in bepaalde voorwerpen voortleven.
We weten allemaal dat de doden in bepaalde voorwerpen voortleven. Ongeacht het feit dat we soms ook geloven dat ze bij hun schepper zijn of zich bij de elementen hebben gevoegd in een jachtveld of rivier, of dat hun onsterfelijke ziel naar de hemel is getogen om te worden berecht door een hooggerechtshof waarin engelen getuigen van hun daden, de goede én slechte, om vervolgens elf maanden in het vagevuur te mogen doorbrengen.

Superstitie, oftewel bijgeloof, komt van het Latijnse ‘boven’ + ‘staan’. Iets of iemand staat boven ons, iemand die we vrezen of die ons misschien wel geluk brengt. Of die, in de zin van bewaking, ons zowel bescherming biedt als angst inboezemt. Cicero, die antieke filosoof die volgens een van mijn docenten op school ooit beweerde dat geestelijke klachten vaker voorkomen en veel dodelijker zijn dan lichamelijke, dacht dat het woord was afgeleid van superstitiosi – letterlijk zij die zijn overgebleven, de nabestaanden of nazaten. Zij moeten immers de uitvaartrituelen voor hun overledenen naleven. Zij hebben behoefte aan bijgeloof.

Een van mijn bijgelovigheden als de uitvoerder van uitvaartrituelen blijkt te schuilen in een flesje shampoo waarvan recent is vastgesteld dat het de naam memory of senses draagt.

Had ik die naam onbewust allang geregistreerd voordat ik hem opmerkte? Mijn zintuigen functioneerden allemaal niet bijzonder goed in de (tot dan toe) veertien maanden sinds zijn dood. Mijn gezichtsvermogen en gehoor hadden het zo goed als opgegeven. Ze waren overmeesterd, in de kiem gesmoord door een aanslag van binnenuit. Misschien had ik iets gemeen met die andere verwarde rouwende, Hamlet, die door de te vroege dood van zijn vader en de manier waarop zijn moeder rouwt – te kort en te seksueel – zoveel woede in zichzelf opwekt dat sommigen hem als krankzinnig bestempelen. Hij heeft het gevoel dat hij de hele dag in de gaten wordt gehouden – door de staat, door de geest van zijn vader, en vooral door zijn eigen slapeloze, overspannen zelf.

2

John overleed heel plotseling. We zagen het niet aankomen. Geen van allen. Ook al onderging hij een radicaal nieuwe behandeling waarvan ik de details maar niet kan terughalen. Ook al was hij ruim twee jaar eerder voor het eerst behandeld, en toen in dat laatste jaar opnieuw. Tot twee keer toe. We waren gewoon doorgegaan met lachen, ruziemaken, wandelen en te veel detectives kijken op de televisie, en het voelde helemaal niet alsof het leven op een definitiever manier wegvloeide dan anders. Er werden voortdurend zwartgallige grapjes en lompe opmerkingen over sterfelijkheid gemaakt, maar het waren toch altijd maar grapjes en met de werkelijkheid hadden ze niets te maken. Waar nog eens bij kwam dat hij er kerngezond uitzag. Niet anders dan anders.

Dus toen de werkelijkheid ons overviel, was dat totaal onverwacht. Een schok – als een muur die instort, waardoor je onder het puin bedolven raakt. Het rook er vreemd, naar as en verrotting. Als je je hoofd optilde ontrolden zich allerlei verwrongen, hallucinatoire vergezichten voor je ogen.

Dat roerloze lijf was weerbarstiger dan als iemand gewoon afwezig is.
Een deel van de schok kwam voort uit de pure lichamelijkheid van de dood. Er was niets denkbeeldigs aan. Terwijl het daar in het ziekenhuisbed op de intensive care lag veranderde zijn lichaam in een rotsblok dat nergens meer op reageerde, massief en keihard. Dat roerloze lijf was weerbarstiger dan als iemand gewoon afwezig is. Het was koppig en onbuigzaam. Er viel niet mee te onderhandelen en het gaf geen duimbreed toe. Zeker aan mij niet. Hoeveel maanden ik ook herinneringen ophaalde. Het lag daar gewoon. Botweg als een feit. Op de een of andere manier was het ook een verwijt: hoe hadden we hem zomaar dood kunnen laten gaan?

We zien lijken door hun gebrek aan leven meestal als iets zieligs. Ik had verdriet en medelijden moeten voelen. Eerder was dat ook wel zo, toen hij nog ademde, maar nu ging er – misschien door mijn angst of paniek, of door schuldgevoelens, of allemaal tegelijk – een lichamelijke dreiging uit van dat harde onbeweeglijke lijf. Kwamen mijn moorddadige gedachten voort uit het sluimerende geweld in al dat blinkende staal?

De avond daarvoor had ik al een luidruchtige, paniekerige woordenwisseling gehad met een dwingeland van een arts op de spoedeisende hulp die meteen wilde gaan opereren; hij leek me gewoon niet te willen horen toen ik zei dat iedere medewerker van het kankercentrum zou bevestigen dat John vanwege zijn totaal afwezige immuunsysteem niet geopereerd kon worden. Een andere arts bracht me tot bedaren en toen Johns dossier nog eens grondig was doorgenomen vond er uiteindelijk geen operatie plaats.

Was dat een foute zet? Was ik medeplichtig aan zijn dood? En betekende dat, volgens de overvloed aan interpretaties die met de dood gepaard gaan, net als met de liefde, dat ik die op een bepaalde manier gewild had?

Hij had er een hele nacht gelegen voor hij van steen werd.
Hij had er een hele nacht gelegen voor hij van steen werd. Een nacht die zich tot in de eeuwigheid uitstrekte en veel te snel ophield, terwijl de apparaten om hem heen bliepten en dansten, met golfjes en reeksen blinkende getalletjes. Hij zat nog in zijn lichaam. Hij was dan misschien niet bij bewust zijn, maar wij hadden het gevoel dat hij onder zijn gesloten ogen dapper volhield. Ze zouden zeker weer opengaan. Op zijn gezicht lag een vredige, vriendelijke uitdrukking, wat sterk contrasteerde met het lawaai om hem heen in die ruimte vol apparaten.

Toen de kinderen kwamen met hun partners hadden we allemaal het gevoel dat hij onze aanwezigheid voelde en ons kon horen. We aaiden over zijn voorhoofd en zongen in een kringetje om het bed zijn lievelingsliedjes – van Bob Dylan, Leonard Cohen, The Beatles, kampvuurklassiekers. Alsof hij het kampvuur was. We praatten ook om beurten tegen hem. Ik weet niet meer wat ik zoal zei. Ik weet dat er tranen vloeiden – met name bij de jongens. Het waren mannen die door de dood van respectievelijk een vader en een mentor weer kinderen werden. We probeerden hem met pure wilskracht weer wakker te krijgen en wilden tegelijkertijd zijn heengaan draaglijker maken, als het zover zou komen. We omhelsden hem en elkaar. Niemand wist precies wie wie overeind hield.

Rond acht uur ’s ochtends deden de zusters hun vaste ronde en spoorden ze ons aan om even te gaan ontbijten. Dat deden we braaf, en in een café aan Tottenham Road dronken we cappuccino’s en dubbele espresso’s met allemaal kantoortypes. We hadden een onsamenhangend gesprek. Of misschien was het niet onsamenhangend. Ik weet het eigenlijk niet meer.

Niemand kan leven zonder ondersteuning.
We waren binnen de kortste keren terug in het ziekenhuis. Maar het was akelig stil op de kamer. De dansende schermpjes stonden op zwart. Een zuster die ik niet herkende sprak me aan met een blik die boekdelen sprak. Hij had van de gelegenheid gebruikgemaakt. Toen we even niet keken was hij weggeglipt, als een stervend dier dat de beschutting van het bos opzoekt. Of misschien hadden ze de apparaten die als zijn lever en andere organen fungeerden gewoon uitgeschakeld. Hem van de apparaten gehaald die hem ondersteunden. Niemand kan leven zonder ondersteuning.

Nu was alleen het lijfelijke nog over. Een afkoelend lichaam dat niet meegaf. Glad als steen. Het leek buitenproportioneel groot en klein tegelijk, en terwijl ik ernaar stond te kijken kreeg het een zekere spookachtige lading. Ik hield mijn dochter in mijn armen – maar voor hetzelfde geld hield zij mij in de hare.

Vanaf dat moment klapte de tijd in elkaar. Het was onmogelijk om de volgorde van de dagen bij te houden, van slapen en waken. Het is niet zo dat ik, zoals W.H. Auden, de klokken opriep om stil te gaan staan. Ze deden het uit zichzelf. Ze gaven niet langer de tijd aan, stuwden de minuten, uren, dagen en uiteindelijk ook de maanden niet meer vooruit. Zonder die structuur om me aan vast te klampen – als een stel trossen waar we zo aan gewend zijn dat we vergeten dat ze bestaan – raakte alles op drift. Er zat geen continuïteit meer in mijn leven, of eigenlijk in mijn hele wezen.

* Sommige denkers gebruiken het woord ‘trauma’ om een dergelijke toestand te beschrijven, maar aangezien mijn ervaringen gedeeld worden door iedereen die ooit met verlies te maken heeft gehad, beperk ik dat te vaak gebruikte medische begrip liever tot specifiekere, extremere omstandigheden.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief