leesfragment

‘Als je me ziet’ van Lisa Gardner

0

Detective D.D. Warren, FBI-agente Kimberly Quincy en ontvoeringsslachtoffer Flora Dane onderzoeken samen een oude zaak waar de beruchte crimineel Jacob Ness bij betrokken was. 

Flora dacht altijd dat haar ontvoerder zijn geheimen mee het graf in had genomen, maar is dat werkelijk zo? Terwijl ze alle drie gevaar lopen, ontdekt Flora eindelijk de waarheid achter de man die haar leven voorgoed veranderde.

Lees hier de eerste pagina’s van Als je me ziet, de nieuwste thriller van Lisa Gardner.

Proloog

Mijn moeder neuriet. Ze staat bij het fornuis, roert in de pannen, proeft van dit, proeft van dat, en neuriet.

Ik zit aan de tafel. Ik heb een werkje gekregen. Kaas raspen. Het is een makkelijk klusje. De queso blanco verkruimelt bijna vanzelf. Maar ik ben er trots op dat ik mag helpen.

Mijn moeder zegt dat je niet rijk hoeft te zijn om als een koning te eten. Dat komt omdat ze zo van koken houdt. Iedereen komt naar de keuken van mijn moeder om haar zelfgemaakte salsa te proeven, en haar mole-saus, en kaneelchurro’s met chocoladedipsaus, wat ik het allerlekkerst vind.

Ik ben vijf, oud genoeg om de chocola te mogen roeren als die in een pannetje op het fornuis moet smelten. Lentamente, zegt mijn moeder. Maar niet te langzaam, anders brandt het aan.

Gesmolten chocola is heet. De eerste keer stak ik mijn pink in de pan omdat ik ervan wilde proeven. Meteen brandde ik mijn pink. Geschrokken stak ik hem, met de dikke klodder chocola, in mijn mond en brandde mijn tong. Mijn moeder schudde haar hoofd toen ik begon te huilen. Ze droogde mijn tranen met haar schort en zei dat ik een domme chiquita was en dat ik maar gauw groter en verstandiger moest worden, omdat ik dan mijn hand niet meer in de pannen zou steken die op het fornuis stonden te borrelen. Ze liet me op een ijsklontje sabbelen en zette me op een stoel aan de tafel, waar ik toekeek toen zij zich weer over haar dampende pannen ontfermde.

Ik ben mijn moeders chiquita. Zij is mijn mamita. Dat zijn onze speciale naampjes. Ik vind het heerlijk om in de keuken te zitten en naar mijn mamita te kijken. Als ze daar is, is ze gelukkig. Geen schaduwen op haar gezicht. Geen terneergeslagen houding. Ze ziet er dan weer uit als mijn mami, en niet als de trieste vrouw die ’s ochtends van huis gaat in haar saaie, grijze dienstmeisjesuniform. Of erger nog, als de bange vrouw die soms midden op de dag thuiskomt, me in een kast duwt en zegt dat ik heel stil moet zijn.

Ik doe altijd wat mijn mami zegt. Behalve één keer. Ik rende achter een klein bruin hondje aan, omdat ik zijn zachte oren wilde aaien, en de auto stoof zo snel langs me heen dat ik de wind in mijn haar voelde. Mijn moeder greep mijn arm en schreeuwde tegen me, nee, nee, nee, dat is stout, dat is stout. Ze gaf me een pak voor mijn broek en dat deed pijn. Daarna zakte ze neer op de stoffige roodbruine grond, drukte me huilend tegen zich aan en wiegde me, en het was allemaal zo naar, net zoals wanneer je pijn in je buik én in je keel hebt.

‘Je moet altijd gehoorzaam zijn, lieverd. Wij hebben alleen elkaar. Daarom moeten we extra goed op elkaar passen. Jij bent van mij en ik ben van jou, voor altijd.’

Die dag droogde ik de tranen van mijn moeder.
Die dag droogde ik de tranen van mijn moeder. Ik liet mijn hoofd op haar schouder rusten en beloofde dat ik altijd gehoorzaam zou zijn.

Nu ik vijf ben, mag ik in mijn eentje naar school en weer naar huis lopen. ’s Middags ben ik alleen thuis, en dat is ons geheimpje, zegt mijn mami. Andere mensen zouden dat misschien niet goed vinden. Die zouden me weleens kunnen weghalen.

Ik wil niet dat ze me weghalen. Daarom ben ik een dapper meisje. Als ik thuiskom, zet ik de kleine televisie aan, kijk naar tekenfilms en wacht op haar. Soms ga ik tekenen. Ik hou van tekenen en kleuren. Als ik ermee klaar ben, ruim ik alles netjes op. Mijn mamita werkt erg hard. De hele dag moet ze voor andere mensen schoonmaken. Elke dag vertrekt ze in een gesteven uniform met een kraakhelder wit schortje. Elke avond komt ze doodmoe thuis. En dat zijn nog de goede dagen. Soms is ze bedroefd en bang als ze thuiskomt, en dan trekt ze snel haar saaie uniform uit, doet een kleurige rok aan en gaat regelrecht naar de keuken, want dan kan ze weer lachen.

Het is nu avond en vanavond eten we burrito’s met licht geroosterde zwarte bonen en stukjes kip. Het moet een bijzondere dag zijn, want we krijgen niet vaak kip. Vlees is duur en we moeten op de centjes letten.

Mijn moeder neuriet. Ze roert de bonen terwijl de tortilla’s in de oven warm worden. Onze keuken is klein maar gezellig. Rode tegels, groene en blauwe verf. Aardewerk serviesgoed van mijn moeders moeder, die ze lang geleden moest verlaten en die we nooit meer zullen zien. Maar mijn moeder heeft dit serviesgoed nog, zodat haar mami altijd bij haar is en op een dag bij mij zal zijn.

‘Je hebt niet veel dingen nodig,’ zegt mijn moeder altijd. ‘Als je maar de juiste dingen hebt.’

In de verte klinkt gehuil. Dat zijn de prairiewolven in de woestijn die samen zingen. Het geluid doet mijn moeder huiveren, maar ik hou er juist van. Ik zou mijn hoofd achterover willen buigen en net zo’n naargeestig geluid willen maken.

In plaats daarvan probeer ik net zo te neuriën als mijn moeder. Daarna speel ik mijn favoriete spel.

‘Mamita,’ zeg ik.

‘Chiquita,’ antwoordt ze.

‘Bonita mamita,’ zeg ik.

Ze glimlacht. ‘Linda chiquita,’ antwoordt ze.

‘Muy bonita mamita.’

‘Muy linda chiquita.’

Ik giechel, omdat wij ook een meute zijn, een meute van twee.
Ik giechel, omdat wij ook een meute zijn, een meute van twee, en dit is hoe wij samen huilen.

‘Jij bent een malle chiquita,’ zegt ze. Ik giechel weer, steek stiekem een stukje queso blanco in mijn mond en laat onder de stoel mijn benen bengelen.

‘Zo, we kunnen aan tafel.’ Ze haalt de tortilla’s uit de oven.

Weer huilen de prairiewolven. Mijn moeder slaat een kruis. Ik vind het fijn dat ik van haar ben en zij van mij, voor altijd.

.

De Slechte Man komt na het eten. Mijn moeder is aan het afwassen. Ik sta op een krukje naast haar af te drogen.

Hij bonkt hard op de deur. Mijn mamita verstijft. De schaduwen keren terug naar haar gezicht, maar ik begrijp het niet.

Ik weet alleen dat ze bang is. En als zij bang is, ben ik het ook.

‘De kast,’ fluistert ze.

Maar het is te laat. De achterdeur wordt opengesmeten. De man is er, hij vult de hele deuropening. Onze keuken, die altijd precies groot genoeg was voor ons tweetjes, is nu erg klein.

Je kunt je nergens verstoppen.

Ik zie zijn donkere schaduw en dan komt hij binnen, een reusachtige, massieve gedaante, die meer op een beest lijkt dan op een mens.

‘Wat heb je gedaan?’ vraagt hij. Hij heeft het tegen mijn moeder. Hij schreeuwt niet. Zijn stem klinkt kil en kalm. Ik ga ervan beven en zou het liefst een kruis slaan.

‘N-n-niets,’ probeert mijn moeder.

Ze staat te trillen. Ik weet dat ze liegt en de Slechte Man weet het ook.

‘Dacht je echt dat ik er niet achter zou komen?'
‘Dacht je echt dat ik er niet achter zou komen? Dacht je echt dat je me te slim af kon zijn?’

Mijn moeder geeft geen antwoord. Ik staar naar haar. Haar gezicht staat neutraal. Ik weet niet waar de man haar van beschuldigt, maar ik zie aan het neutrale van haar gezicht dat ze het heeft gedaan. En hij is daarachter gekomen. En nu gaat er iets afschuwelijks gebeuren.

We zijn een meute van twee. Ik wil haar hand vastpakken. Ik wil dapper zijn voor haar. Maar mijn benen trillen onbedaarlijk. Ik sta op het krukje zonder in staat te zijn me te bewegen.

Opeens zet mijn moeder met een harde klap een pan in de gootsteen en daarmee doorbreekt ze de spanning. ‘Wil je misschien iets eten? Ik heb burrito’s. Laat me iets voor je opwarmen.’

Nu ze over eten praat, klinkt haar stem kalmer. Ze verzet haar voeten, staat nu tussen mij en de man in.

‘Best,’ zegt de man, maar iets in zijn stem doet me weer beven.

Ik wou dat ik in de kast zat. Maar ik kan me daar nu niet meer verstoppen. Ik kan nergens naartoe zonder dat hij het ziet. En een deel van mij, het koppige, domme, steek-je-vinger-in-hete-chocolade-deel van mij, wíl ook niet gaan en dit beest alleen laten met mijn moeder.

Ze pakt het bord dat ik net heb afgedroogd. Ze loopt naar het fornuis, waarop de overgebleven tortilla’s en koude bonen staan. Ze neemt de tijd. Tortilla. Een schep bonen. Wat queso eroverheen. Ze vouwt de burrito. Zet hem in de oven. Pakt de salsa, zet die op de tafel.

‘Bier,’ zegt de man.

Mijn moeder loopt naar de kleine koelkast, haalt er een biertje uit, dat helemaal achterin staat.

Ze lijkt heel beheerst, maar haar vingers frunniken aan haar rode rok.

‘Kom bij me zitten,’ zegt de man als ze de burrito uit de oven heeft gehaald.

‘Ik moet de rest van de afwas…’

‘Ga zitten.’

Mijn moeder gaat zitten. Ze werpt een snelle blik op mij. Haar ogen proberen me iets te vertellen. Ik sta nog op het krukje en begrijp het niet. Ik weet niet waar ik naartoe moet gaan, wat ik moet doen. We moeten op elkaar passen, zei ze, maar ik weet niet hoe ik nu op haar kan passen.

Ik wil alleen maar dat de Slechte Man weggaat.
Ik wil alleen maar dat de Slechte Man weggaat en mijn moeder en ik weer alleen kunnen zijn in de keuken.

De man eet zijn burrito. Hap voor hap. Hij drinkt zijn bier. Hij zegt geen woord en de stilte bezorgt me pijn in mijn buik.

Als de laatste hap op is, verdwenen in de mond van de man, zucht mijn moeder onhoorbaar. Haar schouders zakken. Ze heeft een besluit genomen, maar ik weet niet welk.

De man kijkt in mijn richting.

‘Leuk grietje.’

‘Ze is nog maar een kleuter,’ zegt mijn moeder kil. Ze staat op. ‘Laten we naar buiten gaan.’

De man trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Pittig ding ben jij.’

‘Wil je praten? Dan doen we dat buiten.’

‘Ik weet het niet. Ik zit hier best. Erg gezellig. Misschien moeten we deze tafel afruimen. Je dochter laten zien waar jij zo goed in bent.’

Mijn moeder staart de man aan. Opeens loopt ze met grote stappen om de tafel heen, recht op hem af. Hij deinst achteruit en ik ben trots op mijn mamita, dat ze de Slechte Man laat schrikken. Ze stoot met haar lichaam tegen zijn schouder als ze langs hem loopt, hard, met opzet. Dan grijpt ze de deurknop en doet de achterdeur open. Voordat de man kan reageren, is ze al buiten.

Nu staat hij op. Hij blijft staan en kijkt een poosje naar mij. De blik in zijn ogen bevalt me niet.

‘Hoe heet jij, meisje?’

Ik doe mijn mond open, maar er komt geen geluid uit. Ik bibber nog te veel.

Mijn moeder roept.

Hij kijkt nog even naar me en loopt dan naar de deur. ‘Stom kind,’ mompelt hij.

Ik sta met de droogdoek in mijn hand. Helemaal alleen nu in de keuken. Ik staar ernaar en wil dat mijn moeder me nog iets geeft om af te drogen. Ik wil dat de avond achteruit wordt gedraaid, dat ik aan de tafel kaas zit te raspen en mijn moeder hoor neuriën.

De man, met een boze, bulderende stem.
Dan, geluiden. De man, met een boze, bulderende stem.

Mijn moeder. Nee, zegt ze, en ze blijft dat herhalen. Uitdagend, dan koppig, dan smekend. Een klap, een bons. Ik krimp ineen. Ik ken die geluiden. Hij heeft haar geslagen. Ze zegt weer iets, maar zo zacht dat ik het bijna niet kan horen. Ik herken alleen de klank van haar stem. Gebroken. De man heeft haar pijn gedaan en mijn mamita is gebroken.

De stemmen zwijgen. Alles stopt. Van de stilte word ik nog banger.

We zijn een meute. We hebben alleen elkaar. We moeten op elkaar passen.

Voorzichtig klim ik van het krukje. Ik loop naar de open deur. Ik ga naar buiten.

Mijn moeder zit op haar knieën. De man staat voor haar. Hij heeft iets in zijn hand. Een pistool. Hij richt een pistool op het hoofd van mijn moeder.

Ik denk nergens meer aan. Ik ren. Ik ren naar mijn moeder, zwaaiend met mijn magere armpjes. Voor mijn gevoel ben ik zo snel als de wind. Ik stort me in haar armen.

En mijn moeder gilt: ‘Nee! Vlucht! Vlucht, chiquita, vlucht!’

Ze duwt me van zich af, terwijl ik probeer haar armen vast te pakken. ‘Vlucht!’ roept ze weer. ‘Ga ervandoor!’

Ik zie de tranen die over haar wangen stromen. Ik zie de doodsangst in haar ogen. Ze duwt me achter zich.

Ik vlucht niet. Ik kan het niet.

Ik strek mijn armen uit naar mijn moeder. Wij tweeën. We moeten op elka…

De Slechte Man haalt de trekker over.

Later zal ik hierover dromen, elke avond. Later zal dit moment het enige zijn wat ik overheb. De laatste keer dat ik sprak. De laatste keer dat ik mijn moeder hoorde neuriën. De laatste keer dat ik mijn armen uitstak naar de persoon die van mij hield.

De kogel gaat dwars door mijn moeders keel
De kogel gaat dwars door mijn moeders keel. Een fontein van rood. Haar hand gaat omhoog, te laat.

De kogel vliegt verder, boort zich in mijn slaap. Ik val achterover. Kom neer op de roodbruine grond. Versuft, gewond, verward.

De Slechte Man komt naar me toe. Bukt zich, voelt aan mijn hals.

‘Hmm,’ zegt hij.

Dan, vlak voordat ik het bewustzijn verlies, tilt de Slechte Man me op. Ik stribbel niet tegen. Een vlies van bloed plakt aan mijn ogen. Ik staar erdoorheen naar het lichaam van mijn moeder. Ik voel het branden van de kogel die eerst door haar heen is gegaan en toen mij heeft geraakt. Die het laatste van mijn mamita in mij heeft geplant.

Onze meute van twee bestaat niet meer.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief