leesfragment

‘Aria’ van Nazanine Hozar

Ben jij fan van De vliegeraar van Khaled Hosseini? Dan tippen we graag  Aria, een overweldigend debuut dat de lezer meeneemt naar het hart van de Iraanse Revolutie. Het jonge weesmeisje Aria staat in het midden van de storm, en haar leven zal voor altijd veranderen door de keuzes die ze uit liefde moet maken. Lees hier alvast de eerste pagina’s!

Proloog
1953

Mehri opende haar ogen. Ze lag op een stapel tapijten. ‘Lijkt hij op zijn vader?’ vroeg ze.

De oude man, Karimi, hield de baby in zijn armen. ‘Weet ze het niet?’ fluisterde hij, zich tot zijn vrouw wendend.

‘Ze voelt het,’ zei Fariba met een blik op Mehri. Fariba was veel jonger dan haar man, en ze was Mehri’s enige vriendin.

‘Volgens mij weet ze het niet,’ hield Karimi vol.

‘Hou je mond. Masseer je de baby zoals ik je heb voorgedaan?’

‘Ja, ja.’ Hij wreef over de borst en het ruggetje van de baby.

‘Wat hebben we ons op de hals gehaald,’ zei Fariba. ‘Blijf wrijven.’ Ze pakte een stuk vlees uit de koeler en legde het in een koekenpan. ‘Voor de moeder. Niet voor jou,’ zei ze tegen haar man. Even keek ze over haar schouder naar Mehri. ‘Vanaf het moment dat ze die man ontmoette heeft ze zichzelf te gronde gericht. Ik zei nog tegen haar dat ze beter voor jou kon gaan werken, hier in de bakkerij. Maar ze wilde liever zijn vrouw zijn, zei ze. En moet je kijken wat ervan gekomen is.’

Maar ze wilde liever zijn vrouw zijn, zei ze.
Even later vroeg Karimi: ‘Vrouw, waarom maakt de baby geen geluid?’

‘Omdat ze blauwe ogen heeft,’ antwoordde Fariba. ‘En ze is vervloekt, net als haar moeder.’ Mehri had urenlang roerloos met haar rug tegen de muur onder een deken gelegen. Uit schaamte durfde ze haar vriendin niet aan te kijken.

‘Ik heb je nog zo gewaarschuwd dat je niet met hem moest trouwen,’ zei Fariba. ‘Hoe vaak heb ik niet gezegd dat hij je zou slaan?’ Uiteindelijk wikkelde Fariba het kindje in een doek, drukte het tegen haar borst en liep naar Mehri. ‘Wil je haar niet vasthouden?’ vroeg ze.

Mehri zei niets.

‘Je kunt niet doen alsof ze er niet is. Ja, het is een meisje. Maar zo erg is dat niet.’

‘Hij vermoordt me,’ zei Mehri.

Karimi zat ook tegen de muur geleund en had zich verscholen achter een krant. Maar zijn handen beefden. Ze schrijnden nog na van het helpen bij Mehri’s bevalling. En nu durfde hij haar uit gêne niet aan te kijken.

‘Weet je, man, als we een radio zouden hebben, hoefde je de krant niet te lezen. Je kunt hem amper omhooghouden,’ zei Fariba tegen hem. ‘Ze zeggen dat er heel veel op de radio is. Korte hoorspelen. Lijkt me leuk om naar te luisteren.’ Ze draaide zich om, streek een lucifer af en hield hem bij de kolen in het fornuis.

Karimi schoof zijn bril naar het puntje van zijn neus en vouwde de krant op. ‘Onzin,’ zei hij. ‘Je hebt het maar over je radiootje terwijl ze in Noord allemaal met hun televisie pronken. En trouwens, ik heb mezelf jaren geleden leren lezen, dus waarom zou ik de krant niet lezen? Er was toen niemand die kon lezen. Mijn moeder niet, mijn vader niet. In de hele buurt was ik de enige die dat kon. Ik heb zelf de letters ontcijferd, en jij –’

Mehri keek op. ‘Wat is dat, een televisie?’ vroeg ze plotseling. Ze ving een glimp van het haar van de baby op. Het glansde roodbruin in het licht, net als dat van de vader.

‘Een bioscoopscherm, maar dan kleiner.’
‘Een bioscoopscherm, maar dan kleiner,’ antwoordde Karimi zonder op te kijken. ‘Zo klein dat het in een huiskamer past. In Noord heeft iedereen er een. Een paar dagen geleden was Mossadeq erop te zien.’

‘Waarom was onze premier op de televisie?’

‘Om te laten zien dat hij nog leeft. Ze hebben geprobeerd hem te vermoorden. Het zullen die gore Britten wel zijn geweest.’ Karimi boog zich weer over zijn krant. ‘Laat ze allemaal doodvallen. Als het de communisten niet zijn, zijn het de Engelsen wel en als het de Engelsen niet zijn, zijn het die vervloekte tulbanddragers die denken dat ze God kunnen evenaren. En als het –’

Met een klap zette Fariba de ketel op het fornuis. ‘Dit arme schaap is er vanavond bijna in gebleven, en jij maakt je druk over die politici van je?’

‘Niet zo vitten waar zij bij is,’ zei Karimi. ‘En niemand houdt tegenwoordig nog van dit land, verdomme. Alleen híj. Mossadeq is een groot man. Groot. Neem dat maar van mij aan!’

Mehri sloot haar ogen opnieuw en deed alsof ze sliep.

‘Dit zijn vrouwenzaken,’ vervolgde Karimi op zachtere toon. Hij gebaarde met zijn hoofd naar Mehri. ‘Wil je dat de buren gaan kletsen? Ze kan hier niet blijven.’

‘Goed, goed, meneer Karimi,’ zei Fariba. ‘Blijf maar rustig zitten, drink je thee en lees je krantje. Denk er maar eens over na wat die grote meneer Mossadeq van je zou vinden.’

 

Twee dagen lang weigerde Mehri de baby vast te houden, zelfs niet toen de vader, Amir, beneden tegen de deur van Karimi’s bakkerij trapte. Vanaf het balkon op de tweede verdieping schreeuwde Fariba hem toe dat zijn zoon geen zoon was, maar niets minder dan een meisje.

Amir zei: ‘Breng haar naar beneden, zodat ik haar kan doden.’

‘Je moet haar een naam geven,’ zei Fariba tegen Mehri. ‘Nu.’

Maar aan het einde van de dag was de zuigeling nog steeds naamloos. En zat Amir nog steeds bij de deur te wachten tot hij het kind kon doden.

En zat Amir nog steeds bij de deur te wachten tot hij het kind kon doden.
‘Iedereen die de bakkerij binnenkomt blaft hij af,’ zei Fariba. Ze wiegde de baby in haar armen. ‘Ik heb haar melkpoeder moeten geven, weet je. Niet goed voor haar.’ Fariba schoof heen en weer op een van de Perzische tapijten waarmee de grond bedekt was. Ze dronk het bodempje gin op dat nog in haar theeglas zat en zette het glas met een klap op het vloerkleed neer. ‘Je kunt nog altijd bij je broer aankloppen.’

‘Die helpt me niet,’ zei Mehri.

‘Dat zeg je altijd, maar je weet het niet. Die Amir brengt zijn dochter liever om dan dat hij voor haar gaat betalen. Heb je nog iemand anders behalve je broer?’

‘Nee.’

Karimi kwam de kamer binnen en ging naast zijn vrouw zitten. ‘Voel je je nog steeds niet goed, kind?’ vroeg hij aan Mehri. Zijn stem klonk vriendelijk maar vermoeid. Hij kende Mehri al sinds haar dertiende, ze was de vijf jaar jongere vriendin van Fariba. Hij kon het haast niet aanzien dat ze pijn leed.

Mehri trok haar sluier voor haar gezicht en sloeg haar blik neer. Ze beet op een puntje van de zachte stof. De sluier was in geen weken gewassen. Als ze op straat liep vroeg ze zich soms af of anderen haar konden ruiken.

Fariba strekte haar dikke benen en kwam met het kind in haar armen overeind.

‘Vrouw,’ zei Karimi, die ook ging staan. ‘Leg het kind neer en kom mee.’

Fluisterend gingen ze de aangrenzende kamer binnen. Mehri hoorde er slechts flarden van, maar dat was genoeg.

‘Dat kan ik niet doen,’ hoorde ze Karimi zeggen.

‘Ben je dan bereid in hun levensonderhoud te voorzien?’ vroeg Fariba.

‘Dit is mijn huis. Vergeet je plaats niet, vrouw!’

‘Ze is mijn vriendin. Wat ik met mijn vrienden doe is mijn zaak. En ik ken haar. Ze liegt over haar broer.’

‘De overheid zal voor zo’n gezin niets doen,’ zei Karimi.

‘Dat is de last die haar volk te dragen heeft,’ zei Fariba. ‘Ik weet niet wat ik je zeggen moet, man. Als er geen wetten bestonden –’

‘Afgezien daarvan, wat doen we met hém?’
‘Afgezien daarvan, wat doen we met hém?’

‘Dat zien we later wel. Desnoods snij ik hem zijn roodharige kop af.’

 

De bakker en zijn vrouw waren nog steeds in gesprek toen Mehri de baby oppakte, naar beneden ging en het huis via de achterdeur verliet. In de sneeuw maakte ze haar sluier los en ontblootte ze een harde, zwarte tepel. Haar borst tintelde in de vrieskou. Ze bracht de tepel naar het mondje van de baby, maar de melk sijpelde weg. Ze had het koud, maar het babyhuidje was nog kouder. Boven haar hoofd schoof een wolk voor de maan. Langzaam werd de stad bedekt door een sluier van sneeuw. Er droop bloed langs haar benen omlaag. Het vormde een spoor. Amir zou haar aan de hand van dat spoor kunnen volgen, zoals een eenzame wolf zijn prooi achtervolgt.

Maar Mehri wist hoe ze hem van zich af kon schudden. Als jonge bedelaarster had ze haar kostje bij elkaar gescharreld in de straten van de Teheran-Noord, waar de rijken woonden, van wie sommigen haar weleens iets te eten hadden gegeven. Meestal had ze echter helemaal niets gekregen, in tegenstelling tot haar broer. Maar hij was dan ook een jongen.

Aangekomen in de Pahlavistraat, die het zuiden met het noorden verbond en de grens vormde tussen werelden en bestaansvormen, ontdekte ze dat ze zich die heel anders herinnerde: het was er vrijwel uitgestorven en vrijwel stil, terwijl de rijken allang sliepen voerden de geesten er het woord. In het licht van straatlantaarns waren de besneeuwde wegen twintig kilometer ver tot in de toppen van het Elboersgebergte te zien. Als kind droomde ze ervan om naar die bergen te gaan. Als de feniks in de oude verhalen zou ze haar armen spreiden en erheen vliegen. Misschien zou je daarboven de geheimen van de stad kunnen zien. Zouden de mensen vrijer ademen in de bergen dan in de vallei waarin de stad lag? Ze stelde zich de rijken voor, picknickend op de berghellingen en langs de rivieren.

Na drie uur lopen was ze ergens in het centrum. Haar benen beefden. Ze bonkten en bonkten en bonkten van de pijn, haar spieren sloegen tegen haar botten in het ritme van een oorlogstrom. Ze had overal pijn. Haar geslacht deed het meest pijn. Wat zou er gebeuren als de baby uit haar armen viel? Zou ze doodvriezen, een waarschuwing worden voor de wereld, voor de toekomst: hoed je voor je geboorte, hoed je voor het leven, want zo kan het je vergaan als je komst ongewenst is? Als het kindje viel, zou haar schedel dan uit elkaar barsten? Zouden al haar botten breken? Of zou ze, net als bij de bevalling, alle obstakels overwinnen en zich onstuitbaar een weg naar de wereld banen?

Mehri liep verder en de stad openbaarde zich aan haar.
Mehri liep verder en de stad openbaarde zich aan haar. Bouwwerken en wegen ontvouwden zich en legden de wereld van de bevoorrechte klasse bloot. Hier, in het centrum, reikten de gebouwen steeds hoger: van zo dichtbij gezien waren ze even immens als de bergen die de stad omsloten. Aan een kant van de straat stond het hoogste gebouw dat ze ooit had gezien. Er was een afbeelding van een oude man op aangebracht: de premier, Mossadeq. Ze herkende hem. Iedereen wist inmiddels hoe hij eruitzag. Ze stond er een tijdje naar te kijken, toen vervolgde ze haar weg langs geparkeerde auto’s en het incidentele verkeer dat zachtjes door de nacht reed. Zelfs de auto’s zagen er anders uit dan de laatste keer dat ze hier was, dacht ze. Ze waren gestroomlijnder en hadden kleuren die ze nooit eerder had gezien.

De straten en de stoepen werden breder. Mehri’s tenen tintelden van de kou. Het meisje hield zich merkwaardig stil, alsof ze wist wat haar moeder van plan was. Mehri tastte langs en tussen de drie lagen van haar sluier – een laag voor vroomheid, een voor beschaving en een voor warmte – en bevoelde haar beurse dijen. Ze pakte een handvol sneeuw, drukte die onder haar sluier tegen de plek waar ze was opengescheurd en probeerde de vlek weg te wassen, maar door de kou werd de pijn alleen maar erger. Er kwam bloed op haar vingers. Opnieuw stak ze haar tepel in de mond van de baby, maar ook nu wilde ze niet drinken.

Na nog een uur lopen kwam ze aan bij een groot kruispunt. Aan de rand van de straat probeerden grassprieten zich door de sneeuw heen naar boven te werken. Mehri keek om zich heen. Alles was nieuw, alles was modern.

Vanaf dit kruispunt kon ze vier kanten op. Ze kon terug naar het zuiden, naar het noorden, of verder langs de straat die oost- en westwaarts liep. Weer zag ze het gezicht van de oude man, dit keer afgebeeld op kranten die op bakstenen muren waren geplakt. In oostelijke richting was de straat smaller, en omzoomd door boompjes die hun bladeren voor de winter hadden laten vallen. Eén boom week af van de rest. Het was een moerbei, ze herkende hem, als kind had ze vaak urenlang met haar broertje de vruchten van zo’n boom geraapt. De duizenden moerbeibessen lieten ze eerst in blikken trommels drogen en zoet worden, om ze vervolgens te verkopen. Daarmee verdienden ze in een dag genoeg om iets te eten te kunnen kopen – misschien zelfs een stukje vlees om hun spieren mee aan de gang te houden.

Mehri had niet verwacht dat ze ooit moeder zou worden. Ze had nooit gedacht dat ze lang genoeg zou leven. Maar het leven was op haar afgestormd, had zich vol op haar gestort, was in haar organen en tussen haar spieren en aderen ontkiemd en gaan groeien, maand in, maand uit, en uiteindelijk uit haar gebarsten in de vorm van het schepsel dat ze in haar armen hield. Ze hunkerde ernaar om de baby dichter tegen zich aan te drukken, haar zelfs te kussen. In plaats daarvan legde ze haar hand op de bast van de moerbeiboom en voelde de groeven. Voor het eerst kermde het kindje, als in protest, alsof het smeekte om genade.

Met de baby op één arm liep ze langs de rijen vuilnis, op zoek naar de juiste plek.
Mehri liep door. Ze zag nog een moerbeiboom, daarnaast was een steegje. Het stonk er naar afval. Ze trok haar sluier voor haar gezicht en liep de steeg in. Aan weerszijden lagen papieren zakken met vuilnis. Met de baby op één arm liep ze langs de rijen vuilnis, op zoek naar de juiste plek. Ze voelde niets en had geen besef van tijd. Het kindje verroerde zich nauwelijks toen Mehri haar op de grond legde. Een paar minuten lang roerde moeder noch kind zich. Het maanlicht viel op het gezicht van de zuigeling en voor het eerst keek Mehri haar in de ogen. Zij en haar kind hadden dezelfde kleur ogen, zoals Fariba had gezegd. Ze bukte zich en streelde de baby over haar wang, haar kin en voorhoofd. In het maanlicht zag ze dat er bloed van haar vinger op het gezichtje van de baby was gekomen. Maar daar was nu niets aan te doen.

Ten slotte richtte Mehri zich op en draaide ze zich om. Ze liep weg – zo ver weg dat zelfs het maanlicht haar niet meer kon helpen haar dochter te zien.

*

Auteursfoto (c) Tenille Campbell

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief