leesfragment

‘De glorieuze reis van Arthur Less’ van Andrew Sean Greer

Wie zegt dat je niet van je problemen kunt wegrennen?

Het zit Arthur Less niet mee. Zijn schrijverscarrière loopt vast, zijn vijftigste verjaardag hangt boven zijn hoofd en hij krijgt een uitnodiging voor de bruiloft van zijn ex-minnaar. Gelukkig is er een uitweg: een reeks internationale uitnodigingen van halfbakken literaire evenementen. Zo begint een reis om de wereld in tachtig dagen vol fiasco’s en misverstanden. 

De glorieuze reis van Arthur Less van Pulitzer Prize winnaar Adrew Sean Greer is een geestige en geraffineerde roman over wat liefde voor je betekent als je ouder wordt. Begin hieronder direct met lezen!

Less in het begin

Vanuit mijn positie is het verhaal van Arthur Less niet zo slecht.

Moet je hem zien zitten: gesoigneerd op de ronde pluchen bank in de hotellobby in zijn blauwe pak en zijn witte overhemd, de benen bij de knie over elkaar geslagen zodat een van zijn gepoetste loafers aan zijn tenen bungelt. De pose van een jongeman. Zijn slanke silhouet is inderdaad nog steeds dat van zijn jongere zelf, maar nu hij bijna vijftig is, begint hij net als een bronzen beeld in een park, dat afgezien van de ene knie die het geluk heeft door schoolkinderen te worden kaal gestreeld, prachtig te verkleuren tot dezelfde tint als de bomen om hem heen. Zo is ook Arthur Less, ooit jeugdig roze met goud, net zo vaal geworden als de bank waarop hij met een vinger op zijn knie tikkend naar de staande klok staart. De lange, aristocratische neus is eeuwig zonverbrand (zelfs in deze bewolkte New Yorkse oktobermaand). Het verwassen blonde haar is bovenop te lang en aan de zijkanten te kort; sprekend zijn grootvader. Hij heeft dezelfde waterig blauwe ogen. Luister: misschien hoor je het tik, tik, tik van de nerveuze spanning terwijl hij naar die klok staart, die helaas zelf niet tikt. Hij staat al vijftien jaar stil. Dat beseft Arthur Less niet; nog steeds, ondanks zijn rijpe leeftijd, gelooft hij dat begeleiders voor literaire evenementen op tijd komen en dat je erop kunt vertrouwen dat piccolo’s de klok in de lobby opwinden. Hij draagt geen horloge; zijn vertrouwen is rotsvast. Het is puur toeval dat de klok is blijven stilstaan op halfzeven, vrijwel precies de tijd waarop hij moet worden opgehaald voor de bijeenkomst van deze avond. De arme man weet het niet, maar het is al kwart voor zeven.

Terwijl hij wacht, dwaalt een jonge vrouw in een bruine wollen jurk, een soort kolibrie van tweed, door het vertrek en bestuift eerst de ene en dan de andere groep toeristen. Ze steekt haar gezicht in een groepje stoelen, stelt een bepaalde vraag en schiet dan ontevreden met het antwoord verder naar het volgende. Less ziet haar niet terwijl ze haar ronde maakt. Hij concentreert zich te veel op de kapotte klok. De jonge vrouw loopt naar de receptionist en dan naar de lift, waar ze een groep opgedirkte dames opschrikt die op weg zijn naar het theater. Ze loopt telkens langs de losse schoen van Less. Als hij had opgelet, dan zou hij misschien de nerveuze vraag van de vrouw hebben gehoord die verklaart waarom ze die aan iedereen in de lobby stelt, behalve aan hem:

‘Pardon, bent u mevrouw Arthur?’

Het probleem – dat in deze lobby niet zal worden opgelost – is dat de begeleidster ervan uitgaat dat Arthur Less een vrouw is.
Het probleem – dat in deze lobby niet zal worden opgelost – is dat de begeleidster ervan uitgaat dat Arthur Less een vrouw is.

Tot haar verdediging kan worden aangevoerd dat ze maar één roman van hem heeft gelezen, in elektronische vorm, zonder foto, en dat ze de vrouwelijke verteller zo dwingend, zo overtuigend vond dat ze zeker wist dat alleen een vrouw die had kunnen schrijven; ze zag de auteursnaam aan voor het zoveelste merkwaardige Amerikaanse gendercuriosum (ze is Japanse). Voor Arthur Less is dat zeldzaam lovend. Maar daar heeft hij op dit moment weinig aan, op die ronde bank met de opening in het midden waaruit een oliepalm oprijst. Want het is inmiddels tien voor zeven.

Arthur Less is drie dagen in New York voor een openbaar interview met de vermaarde sciencefictionschrijver H.H.H. Mandern ter gelegenheid van het verschijnen van H.H.H. Manderns nieuwe roman, waarin hij zijn woest populaire holmesiaanse robot Peabody weer tot leven wekt. In de boekenwereld is dat voorpaginanieuws en achter de schermen rinkelt er een hoop geld. Geld in de stem die Less vanuit het niets belde om te vragen of hij bekend was met het werk van H.H.H. Mandern en of hij zich wellicht vrij kon maken voor een interview. Geld in de berichten van de uitgever waarin Less werd meegedeeld welke onderwerpen voor H.H.H. Mandern absoluut taboe waren (zijn vrouw, zijn dochter, zijn slecht ontvangen poëziebundel). Geld in de keuze van de zaal en de posters die overal in de Village hingen. Geld in de opblaasbare Peabody die voor het theater in de wind op en neer deinde. Geld zelfs in het hotel dat voor Arthur was geboekt en waar hij op een berg appels werd gewezen, ‘service van de zaak’, waarvan hij vrijelijk mocht pakken, overdag en ’s nachts, ga gerust uw gang. In een wereld waarin de meeste mensen één boek per jaar lezen, is er veel geld gemoeid met de hoop dat dit dat ene boek wordt en dat deze avond de aftrap is voor een grootse zegetocht. En ze rekenen op Arthur Less.

Nog steeds zit hij plichtsgetrouw naar de stilstaande klok te kijken. Hij ziet de begeleidster niet die terneergeslagen naast hem staat. Hij ziet niet dat ze haar sjaal rechttrekt en zich dan door de centrifuge van de draaideuren naar buiten laat slingeren. Aanschouw het dun wordende haar op zijn kruin, het snelle knipperen van zijn ogen. Aanschouw zijn kinderlijk vertrouwen.

Eens, toen hij in de twintig was, had een dichteres met wie hij stond te praten haar sigaret in een bloempot uitgedrukt en gezegd: ‘Het lijkt wel alsof je geen huid hebt.’ Dat had een dichteres gezegd. Iemand die aan de kost kwam door in het openbaar haar vel af te stropen had gezegd dat hij, de lange, jonge, hoopvolle Arthur Less, geen huid had. Maar het was waar. ‘Je moet wat meer eelt kweken,’ zei zijn oude rivaal Carlos destijds vaak, maar Less begreep niet wat hij bedoelde. Moest hij valser worden? Nee, hij moest zich beter tegen de wereld beschermen, een pantser krijgen, maar dat kun je toch net zomin ‘kweken’ als gevoel voor humor? Of doe je alsof je het hebt, zoals een humorloze zakenman die grappen uit zijn hoofd leert, en als ‘waanzinnig grappig’ wordt beschouwd en bij feestjes altijd weggaat voordat hij door zijn materiaal heen is?

Hoe is het mogelijk dat zoveel dingen met de jaren minder interessant worden – filosofie, radicalisme en ander geestelijk fastfood – maar dat hartzeer altijd even erg blijft?
Wat het ook is, Less heeft het nooit kunnen aanleren. Hij is de veertig gepasseerd en het enige wat hij heeft weten te kweken is een vriendelijk soort zelfbewustzijn, iets als het transparante pantser van een pas vervelde krab. Een matige recensie of achteloze belediging doet hem niets meer, maar hartzeer, echt, onvervalst hartzeer, dringt door zijn dunne huid en ontlokt daaraan net zulk rood bloed als vroeger. Hoe is het mogelijk dat zoveel dingen met de jaren minder interessant worden – filosofie, radicalisme en ander geestelijk fastfood – maar dat hartzeer altijd even erg blijft? Misschien komt het doordat hij er steeds verse bronnen voor vindt. Zelfs irrationele oude angsten werden nooit overwonnen, alleen vermeden: telefoneren (met trillende handen het nummer draaien alsof hij een tikkende bom moet demonteren), een taxi nemen (klungelen met kleingeld en eruit wegvluchten alsof hij gegijzeld wordt), en op een feest met aantrekkelijke mannen of beroemdheden praten (in zijn hoofd nog steeds een goede binnenkomer repeterend totdat tot hem doordringt dat ze al afscheid nemen). Al die angsten zijn er nog wel, maar het verstrijken van de tijd heeft voor oplossingen gezorgd. Sms, WhatsApp en e-mail hebben hem voorgoed van het telefoneren bevrijd. Taxi’s kregen pinapparaten. Een gemiste kans kan online alsnog contact met je opnemen. Maar hartzeer – hoe kun je dat vermijden, tenzij je helemaal van de liefde afziet? Uiteindelijk was dat de enige oplossing die Arthur Less kon bedenken.

Misschien verklaart dat waarom hij negen jaar aan een zekere jongeman heeft gewijd.

Ik had nog verzuimd te vermelden dat er een Russische kosmonautenhelm op zijn schoot ligt.

Maar nu heeft hij geluk: uit de wereld buiten de lobby klinkt een klok: een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, en Arthur Less springt op. Moet je hem zien: hij staart naar zijn verrader, de klok, rent naar de receptie en stelt – eindelijk – de essentiële vraag omtrent de tijd.

 

*****

 

‘Ik snap niet hoe u erbij kwam dat ik een vrouw zou zijn.’

‘U bent zo’n getalenteerd schrijver, meneer Less. U hebt me op het verkeerde been gezet! Wat hebt u daar?’

‘Dit? De boekhandel had me gevraagd…’

‘Ik vond Donkere materie zo mooi. Er staat een passage in die me aan Kawabata doet denken.’

‘Dat is een van mijn lievelingsschrijvers! De oude hoofdstad. Kioto.’

‘Daar kom ik vandaan, meneer Less.’

‘Echt? Ik ga er over een paar maanden heen…’

‘Meneer Less. Er is een probleem…’

Dit gesprek vindt plaats terwijl de vrouw in de bruine wollen jurk met hem door de hal van een theater loopt. Daar staat een eenzame boom, een decorstuk van het soort waar de held in een komedie zich achter verschuilt; verder is alles glanzend zwart geschilderd. Less en zijn begeleidster hebben de afstand tussen het hotel en het theater rennend afgelegd en hij voelt dat zijn schone witte overhemd doorschijnend wordt van het zweet.

Waarom hij? Waarom hebben ze Arthur Less gevraagd?
Waarom hij? Waarom hebben ze Arthur Less gevraagd? Een schrijver van het tweede garnituur die vooral beroemd is vanwege de banden die hij in zijn jeugd onderhield met de schrijvers en kunstenaars van de Russian River School, te oud om fris te zijn en te jong om te worden herontdekt, een schrijver die in een vliegtuig nooit naast iemand zit die weleens van zijn boeken heeft gehoord. Maar Less snapt wel waarom. Dat is niet zo’n mysterie. Er was een rekensommetje gemaakt: welke literaire auteur is bereid onbetaald iemand te interviewen? Iemand die ten einde raad is. Hoeveel andere schrijvers die hij kende hadden ‘natuurlijk niet’ gezegd? Hoe ver hadden ze hun lijstje al afgewerkt voordat iemand zei: ‘Arthur Less, dan?’

Hij was inderdaad ten einde raad.

Aan de andere kant van de muur hoort hij het publiek iets scanderen. Ongetwijfeld de naam H.H.H. Mandern. De afgelopen maand heeft Less zich ondergedompeld in de werken van H.H.H. Mandern, die ruimteoperettes waar hij eerst weerstand tegen had vanwege het speelgoedtaaltje en de belachelijk stereotiepe personages, maar waar hij toch in meegesleept raakte vanwege de vindingrijkheid, die beslist groter was dan de zijne. Zijn eigen nieuwe roman, een diepgravende verkenning van de menselijke ziel, leek een bijplaneetje naast de sterrenstelsels die deze man had bedacht. Maar wat moest hij hem vragen? Wat kun je aan een schrijver vragen, behalve: ‘Hoe?’ Waarop het antwoord, zoals Less maar al te goed weet, natuurlijk ‘Geen idee!’ luidt.

De begeleidster babbelt over het aantal zitplaatsen in het theater, de bestellingen bij de boekhandels, de promotietournee, het geld, het geld, het geld. Ze vermeldt ook dat H.H.H. Mandern voedselvergiftiging schijnt te hebben opgelopen.

‘U zult het wel zien,’ zegt de begeleidster, en achter een zwarte deur blijkt een lichte, schone kamer te liggen met een klaptafel waarop allerlei charcuterie uitgestald ligt. Daarnaast staat een dame met wit haar en een overdaad aan sjaals en onder haar: H.H.H. Mandern, die in een emmer braakt.

De dame richt zich tot Arthur en werpt een blik op de ruimtehelm. ‘Wie bent u in godsnaam?’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief