Marc Sleen

Marc Sleen

Marc Sleen

Op 30 december 1922 wordt in het gezin Neels een vierde zoon geboren: Marcel Honoree Nestor, kortweg Marc. Moeder Neels, Maria Baekeland, is dan al 42. Marc is een nakomertje in het gezin met vier kinderen. Lange tijd heeft hij beweerd dat hij op 31 december geboren is. Het was voor hem een gelegenheid om het klassieke grapje te vertellen dat als zijn vader nog enkele uren met de bevruchting had gewacht, hij een jaar jonger zou zijn.

Als Marc drie maanden oud is, verhuist het gezin van Gentbrugge naar Sint-Niklaas. Daar wordt vader Neels filiaalhouder van een groot etablissement, met 4 biljarts en vergaderzalen, in de Mercatorstraat. Vader Neels, Alois, voedt de dierenliefde van Marc met talrijke bezoekjes aan de Antwerpse dierentuin. De handelszaak eist echter de meeste aandacht van beide ouders op en Marc wordt op vijfjarige leeftijd in een internaat gestopt. Marc “ging daar dood, kreeg er van ellende geelzucht en weende er zich kapot”. Als hij zeven jaar is, haalt men hem gelukkig terug naar huis en wordt hij naar de Broedersschool gestuurd. Hij zit er op de schoolbanken met Jef Burm en Ferdinand de Bondt. Door het vrij grote leeftijdsverschil heeft Marc niet echt veel contact met zijn broers. Adolf wordt missionaris, Roger beroepsmilitair en Nestor meestertextieldesigner. Het is Nestor die Marc aanmoedigt om op 14-jarige leeftijd de zondagsklas van de Academie in Sint-Niklaas te volgen en later naar het Gentse Sint-Lucas-instituut te gaan.

Als vader Neels in 1939 overlijdt, stort voor het gezin de wereld in elkaar. Na een aantal keren verhuisd te zijn, komen ze uiteindelijk terug in Gentbrugge terecht. De weelde van Sint-Niklaas slaat om in bittere armoede. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vlucht Marc samen met zijn Gentse scoutsgroep naar Frankrijk. Hij keert al gauw terug naar België en richt een atelier in waarin hij zich ongestoord artistiek kan uitleven. Er is echter geen geld om Marc te laten studeren en hij moet gaan werken. Broer Nestor zorgt ervoor dat hij niet naar Duitsland gedeporteerd wordt maar in het ‘Arbeidsambt’ terecht kan. Marc is politiek niet gemotiveerd maar aangezien zijn vader en broers anti-Duits zijn, volgt Marc dezelfde lijn. Als de Sicherheitspolizei broer Roger wil arresteren vanwege verzetsacties maar hem niet kan vinden, nemen ze Marc en Nestor mee. Zij komen achtereenvolgens terecht in het Miljoenkwartier (het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei), de Gentse gevangenis De Nieuwe Wandeling en het concentratiekamp van Leopoldsburg. Uiteindelijk kan Marc in september 1944 terug naar huis en heeft hij het geluk vrijwel meteen aan de slag te kunnen bij de katholieke krant De Standaard (later De Nieuwe Standaard). Paul De Ryck, vóór de oorlog hoofdredacteur van Het Nieuwsblad, helpt Marc aan de job van politiek karikaturist. Marc beschouwt de Ryck als mentor en zelfs als zijn tweede vader (hij spreekt hem aan met “pa”).

Marc tekent in die periode allerlei dingen: politieke karikaturen, portretten van betrokkenen bij processen, moppen, illustraties voor artikels en verhalen, landkaarten, … Hij signeert met ‘Marc Neels’, ‘Marc’, ‘M. Neels’ of soms kortweg met ‘M’. Eind 1945 begint de tekenaar zich voor het ‘ludieke’ werk te bedienen van het pseudoniem ‘Sleen’, de omkering van zijn familienaam. Het ‘ernstiger’ werk (schilderijen, omslagillustraties voor romans, …) blijft gesigneerd met ‘Neels’. Eind 1944 werd de eerste strip van Marc Sleen gepubliceerd in het familieblad Ons Volk (en later in de kinderbijlage Ons Volkske): Neus. Het was het begin van een enorm stripoeuvre dat klassiekers als Nero, De Lustige Kapoentjes, Piet Fluwijn en Bolleke, Oktaaf Keunink en Doris Dobbel omvat. Het unieke aan het stripoeuvre van Marc Sleen is niet alleen de hoge kwaliteit maar ook de enorme kwantiteit. In de jaren 50 tekende hij op een bepaald moment niet minder dan acht reeksen tegelijkertijd. Voor al die reeksen keek Marc steeds opnieuw tegen een onvermijdelijke deadline aan: dagelijks in het geval van Nero en De Ronde van Frankrijk, wekelijks in alle andere gevallen.

Zijn bezoekjes met vader Neels aan de Antwerpse Zoo hebben de basis gelegd voor zijn uitgebreide kennis van de meest uiteenlopende dieren. Toen Marc Sleen in 1961 de eerste keer op safari trok naar Kenia, werd een droom werkelijkheid. Hij registreerde het indrukwekkende Afrika niet alleen op film maar uiteraard ook op papier. In zijn schilderijen, illustraties en strips voor 1961 beeldde hij al regelmatig dieren af maar vanaf zijn eerste safari vloeiden de dierentekeningen massaal uit zijn tekenpen en verfborstel. Die werden o.a. gebruikt om zijn safariboeken te illustreren. Sleens band met de Antwerpse Zoo is steeds gebleven en de tekenaar steunde dan ook regelmatig acties van de dierentuin door belangeloos illustraties te leveren.

De overgang van Marc Sleen in april 1965 van de krant Het Volk naar de krantengroep De Standaard veroorzaakt een ware krantenoorlog, die tot een proces leidt. Na een langdurig proces komt men tot een vergelijk: Sleen blijft in het bezit van zowel Nero als de helden uit ’t Kapoentje, maar moet de namen van de reeksen uit ’t Kapoentje achterlaten bij Het Volk. Hij zal zich vanaf dan volledig concentreren op Nero.

In 1975 ontvangt Marc Sleen het Gouden Kruis van Officier in de Brabantse Orde van Verdienste, in 1989 wordt hij Ridder in de Kroonorde en in 1997 verleent Koning Albert hem de adellijke titel van Ridder. Hij is ereburger van Sint-Niklaas, Hoeilaart, Turnhout, Brussel, Durbuy, Hulshout en het Nederlandse Sleen. Voor zijn strips ontvangt hij o.a. de Prix Saint-Michel (1974), de Gouden Adhemar (1993) en het Gouden Potlood (1997). In 1989 neemt Het groot Guinness Record Boek Sleen op als wereldrecordhouder van de langste strip die door één auteur werd getekend. Zijn stripfiguren zijn vereeuwigd in stripmuren (in Brussel, Hasselt en Antwerpen), standbeelden (Adhemar in Turnhout, Nero in Hoeilaart en Middelkerke, Tuizentfloot in Wuustwezel en Meneer Pheip in Moerbeke-Waas) en een bas-relief (in Sint-Niklaas).

Op 8 april 2008 werd De Stichting van Openbaar Nut Marc Sleen opgericht en erkend bij KB op 21 mei 2008. De Stichting Marc Sleen beheert niet alleen het immense oeuvre van Ridder Marc Sleen, een levend icoon van de Belgische stripkunst, maar stelt ook alles in het werk om het in ere te houden en bekend te maken bij een groot publiek. De Stichting heeft een viervoudige functie: conserveren, informeren, tentoonstellen en promoten. Om het stripoeuvre te bewaren en tentoon te stellen heeft de Stichting Marc Sleen het gelijkvloers en de kelderverdieping van een historisch pand in de Zandstraat 33-35, in Brussel, aangekocht en ingericht als Marc Sleen museum.

Bronnen:
50 Jaar Nero – Kroniek van een dagbladverschijnsel
Brabant Strip Magazine 190

Auteurs zoals Marc Sleen.