leesfragment

‘Bevroren goud’ van Cilla & Rolf Börjlind

In de bergen van Noord-Zweden wordt een lichaam gevonden dat twintig jaar onder de sneeuw verborgen heeft gelegen. De jonge rechercheur Olivia Rönning reist ernaartoe. Haar helikopter wordt verrast door een sneeuwstorm… en stort neer.
Als haar gepensioneerde oud-collega Tom Stilton hoort van Olivia’s verdwijning, verlaat hij halsoverkop zijn rustige bestaan in Thailand om haar te gaan zoeken.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van Bevroren goud, het zesde deel in de Rönning & Stilton-serie van Cilla & Rolf Börjlind!

Politiebureau, Stockholm, 1999

Arne Rönning hield niet van de donkere novembermaand. Hij werd er depressief van en kreeg slaapproblemen, maar zodra het december werd verbeterde zijn humeur. Op dit moment was het midden november en het regende pijpenstelen. Hij draaide zich van het raam af en keek naar het donkerharige meisje dat achter zijn bureau zat. Het was zijn dochter, de twaalfjarige Olivia. Ze had vanochtend pijn in haar keel gehad en wilde niet naar school. Haar moeder moest ’s ochtends in de rechtbank zijn en Arne had haar niet alleen thuis willen laten, dus had hij haar voor een paar uur meegenomen naar het politiebureau. Maria zou haar rond lunchtijd ophalen. Hij wist dat het niet druk was op het werk, dus zou het geen probleem zijn.

Olivia had zijn boekenplanken bekeken en had een deel van de serie Scandinavische Misdaadkronieken gepakt omdat er geen andere boeken stonden. De rest van de planken werd in beslag genomen door mappen en ordners. Nu bladerde ze in het boek. Arne vond het niet de meest geschikte literatuur voor een twaalfjarige, vooral niet omdat er veel foto’s van plaatsen delict in stonden.

‘Maar ik wil erin kijken,’ reageerde Olivia meteen.

Dat besliste de kwestie. Hij wilde geen ruzie met haar maken, dus mocht ze blijven bladeren.

‘Papa, wat is dat?’ Olivia wees naar een foto en Arne boog zich naar voren.

‘Dat is een dolk.’

‘Dat zie ik, maar waarom ligt er een liniaal onder?’

‘Zodat je kunt zien hoe lang de dolk is.’

‘Er is een anonieme brief opgedoken waaruit blijkt dat Kaldma ontvoerd is.’
‘Waarom dat?’ Er werd hard op de deur geklopt, die meteen daarna openging. Zijn cheffin, Mette Olsäter, kwam binnen. Haar stevige, enigszins grijzende haar hing los en ze had een vel papier in haar hand.  ‘Hallo Olivia,’ zei ze, waarna ze zich tot Arne wendde. Ze vond het niet prettig dat haar werknemer zijn kind had meegenomen naar het bureau, maar zag het voor deze keer door de vingers. ‘Er is een anonieme brief opgedoken waaruit blijkt dat Kaldma ontvoerd is.’ Ze hield Arne het vel papier voor. ‘Ze willen vijf miljoen, maar geven geen nadere uitleg. De brief is in het Spaans geschreven en voelt niet helemaal zuiver.’

‘Waarom niet?’ vroeg Arne terwijl hij het vel papier aanpakte.

‘De brief is heel onhandig geformuleerd en bevat geen details over hoe of wanneer er contact opgenomen zal worden. Ze waarschuwen echter wel dat de politie er niet bij betrokken mag worden.’

‘Wie heeft de brief gekregen?’

‘Die was naar zijn bedrijf gestuurd. Ik geloof niet helemaal in zijn verdwijning, maar we moeten de kwestie natuurlijk onderzoeken. De technisch rechercheurs bekijken het origineel op dit moment.’

‘Mooi.’

Er verscheen nog een collega in de deuropening, Tom Stilton, die al jarenlang nauw samenwerkte met Arne. Op dit moment was hij uitermate informeel gekleed in een blauwe trui en een spijkerbroek. ‘Boberg heeft daarnet gebeld,’ zei hij. ‘Ze hebben een paar vreemde haren in de slaapkamer gevonden.’

‘Op welke manier vreemd?’ vroeg Mette.

‘Donker.’

‘Oké.’

Stilton richtte zijn aandacht op het meisje aan het bureau.

‘Olivia, ga je mee koffiedrinken?’

‘Graag.’ Olivia sloeg het boek dicht en liep naar de deur. Stilton sloeg een arm rond haar schouders en ze verdwenen naar de gang.  Mette en Arne keken elkaar aan. ‘Hij zou zelf kinderen moeten nemen,’ zei Mette.

‘Dat gaat niet gebeuren.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat hij zich hier doodwerkt.’
‘Omdat hij zich hier doodwerkt.’

Mette wist niet of het een steek onder water was, maar besloot er niet op te reageren. ‘Over een uur hebben we een bespreking,’ zei ze.

‘Ik ben erbij.’

Mette bleef in de deuropening staan en draaide zich om. ‘Denk je dat we hem vinden?’

‘Vroeg of laat wel.’

Radtja-gebergte, Arjeplog, augustus 2019

Hij stond in een grijs stoffen jack en een donkere leren broek op de kale berg en streek langzaam met zijn hand over zijn voorhoofd. Het was ruim dertig graden en er stond geen zuchtje wind. De zon was meedogenloos, het was één uur en zijn lichaam vormde geen schaduw. Hij keek uit over het schrale landschap dat in alle richtingen verlaten was. In de verte daalde een buizerd langs een rotswand en verdween, aan de horizon zag hij het Sarek-gebergte met zijn met sneeuw bedekte, fonkelende toppen.

Daar ging hij niet naartoe. 

Hij pakte zijn houten stok op en begon weer te lopen. Zwermen vliegjes vielen zijn gezicht van alle kanten aan, maar daar had hij geen last van. Zijn huid was gehard en deed denken aan de grijze lava op de rotsblokken. Dit waren de rendierweiden van het dorp. Zijn opa en zijn vader hadden over het pad dat hij volgde gelopen. Hij was de laatste van de bloedlijn omdat hij geen kinderen had. Na een paar meter bleef hij staan en bukte zich. Zijn vingers waren in de loop der jaren krom en stijf geworden, maar het was geen probleem om een paar rijpe, gele bergframbozen te plukken. Het zoete sap leste de dorst en gaf een beetje nieuwe energie. Hij was er bijna; het bruisende geluid werd harder. Het laatste stuk ging hij langzamer lopen omdat hij wist wat hij te zien zou krijgen en dat stond hem tegen. Toch was er niets wat hij kon doen. Even later keek hij naar de brede, wilde stroomversnelling voor hem. Het kristalheldere water stortte tussen de stenen naar beneden en spatte omhoog alsof het al spelend de helling af stroomde. Het was heel mooi en tegelijkertijd heel verdrietig. Vroeger kabbelde hier ’s zomers een rustige, kleine beek die ruisend tussen dwergberken en kruipende rotsroosjes naar het grote Låddauremeer stroomde. Voordat alles veranderde.

Hij keek naar de schaduwzijde van de berg, naar de rotswand die in het Samendorp ‘de blauwe wolf’ werd genoemd.
Hij keek naar de schaduwzijde van de berg, naar de rotswand die in het Samendorp ‘de blauwe wolf’ werd genoemd. Zijn blik gleed verder omhoog naar de fonkelende sneeuw in een van de kloven, de oorsprong van de brede stroomversnelling. In zijn jeugd strekte de sneeuwlaag zich als een harde gletsjer tussen de bergwanden uit en was die nog niet beïnvloed door het klimaat. Tijdens een warme zomer stroomde er iets meer water naar beneden, dat was alles. Nu was het geen gletsjer meer, maar een krimpende sneeuwplek die elk jaar sneller smolt en een stroomversnelling veroorzaakte. Geen kalme beek, maar een brede, bruisende stroomversnelling. Alsof het leven uit de berg vloeide. 

Hij liet de groene drinknap in het water zakken en nam een grote, ijskoude slok. Toen hij weer naar de kloof keek zag hij kleine donkere stippen die zich tegen de sneeuw aftekenden. Hij had geen verrekijker nodig om te weten wat het was. Hij bezat een kudde rendieren die de koelte daar opzocht. Vooral in een zomer zoals deze, met een paar van de warmste dagen die hij zich kon herinneren. Hij begon naar zijn dieren toe te lopen. 

Ze zagen hem aankomen en liepen een stukje weg toen hij naderde. Hij had de hond vandaag niet bij zich omdat het beest ziek was, maar dat was ook niet nodig. Hij wilde de dieren in deze hitte niet opdrijven. Toen hij de sneeuwrand had bereikt zag hij een plantje boven de sneeuw uitsteken. Was de sneeuw inmiddels tot de bodem weggesmolten? Hij liep ernaartoe om te zien wat voor plant het was. Sneeuwwilg misschien, of een jeneverbesstruik? Dat was het geen van beide. Het was een mensenhand die uit de sneeuw stak. Een stuk van de ringvinger ontbrak. 


Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief