leesfragment

‘Bloemen van steen’ van Ilaria Tuti

0

Tijdens WOI strijdt het Italiaanse leger hoog in de Alpen in een loopgravenoorlog. In de sneeuw en ijle lucht vechten duizenden jonge mannen voor hun leven. Er volgt een wanhopige oproep aan de bevolking om de manschappen te helpen. Honderden vrouwen uit de onderliggende dorpen komen in actie: met gevaar voor eigen leven torsen ze manden vol voedsel en munitie omhoog de bergen in. Ze worden Le Portatrici genoemd, de Draagsters, en uiteindelijk zijn zij het die de lichamen van de jonge mannen weer de berg af zullen dragen. In Bloemen van steen volgt Ilaria Tuti de lotgevallen van vijf van deze bijzondere vrouwen. Lees hieronder de eerste hoofdstukken.

Mei 1976

Ze begroef de rimpels van haar handen in die van de aarde, met het tedere gebaar van iemand die terugkeert naar de oorsprong, zoekt naar de wortels in de vochtige bodem, ze om de vingers wikkelt en naar zich toe trekt wat er nog over is in een deel van de wereld dat van het dal tot aan de hoogste toppen in puin is gelegd.

Het oude Carnia had gebeefd, Friuli was opengereten en bloedde in stoffige stilte. De kinderen van het verwoeste gebied hadden er al snel een naam voor bedacht: de Orcolat, de reus die volgens de legende in de afgelegen rotsige uithoeken woonde, was wakker geworden en had de mensheid van zich afgeschud. De aardbeving had op de seismografen een grafisch spoor achtergelaten dat tijdens elk journaal opnieuw werd getoond. Zou je de lijn tussen denkbeeldige vingers uit elkaar trekken, dan kon het met die scherpe pieken de weergave van een op hol geslagen hart zijn. Nog een tikje extra spanning en het zou aan het profiel van de bergen doen denken.

De vrouw keek omhoog naar de bergtoppen en het was alsof ze een nooit verleerde gewoonte hervond, terugviel in de oude sporen die ze lang geleden had verlaten.

Ze had haar geboortegrond tientallen jaren niet gezien. Ze was de oceaan overgestoken om terug te keren naar waar alles was begonnen, op een moment dat alles leek te zijn weggevaagd. Toch slaagden haar ogen erin de oude looppaden uit de hooitijd te onderscheiden, die omhoogklommen tot aan de schrale alpenweiden. Daarboven, voorbij de bossen, stond de Pal met zijn steile rotshellingen en loopgraven. Nooit meer slechts een armzalige alpenwei, maar gewijde grond.

De kalkbrokken gleden samen met de aarde door haar vingers.

In de wind herkende ze de roep van het dal.

De herinnering aan wat was geweest stroomde opnieuw door haar bloed.

1
Juni 1915, de Oorlog

Als kind zag ik hier in de bergen een roedel wolven.

Mijn vader wees ze me aan, tussen de met sneeuw beladen takken door, net voorbij het heuveltje dat ons bescherming bood. Het was een rondtrekkende groep op de andere oever van de beek.

Ik wist zeker dat ik hun geur in de wind kon opsnuiven. Die is me bijgebleven: natte vacht en dolend leven, een zurige warmte, ongetemd bloed.

Het geweer bleef om mijn vaders schouder.

‘Wolven eet je niet,’ zei hij in een fluistering, waarin sporen van zijn bulderstem doorklonken. Hij had een brede borstkas, ik vond het heerlijk om te voelen hoe die onder mijn wang schudde telkens wanneer hij in lachen uitbarstte.

Met die woorden legde hij alles uit, leerde hij me een levenswet en gaf me een bewustzijn mee dat ik nooit ben kwijtgeraakt. Mijn vader heeft altijd geweten wat de plaats van de mens in deze wereld is.

De beesten, die met hun afgesleten klauwen over het ijs schraapten, leken in niets op de wolven uit de sprookjes. Ze waren mager en bochelig. Goudgele ogen en snuiten die waren ingevallen van de honger, net als bij ons. De ijskou gaf al Gods schepselen er die winter van langs.

De wolf die vooropliep was kreupel, het vrouwtje dat volgde had leeggezogen tepels die rakelings over de grond scheerden. De twee jongere exemplaren waren niet veel meer dan welpen, hun tred verried ongerustheid: ze wisten dat ze niet in staat waren voor zichzelf te zorgen. Hun vacht wees op ontbering en uitputting: grote kale plekken toonden de kromming van de ribben onder de huid.

Mijn angst sloeg om in medelijden. De roedel was op sterven na dood.

Ik heb de wolven daarna nooit meer in deze streek gezien. Ook nu, nu ik volwassen ben, vraag ik me nog vaak af wat er van hen geworden is. Toch is het alsof ik ze hier weer voor me zie. Alleen zijn het nu mensen, bevolken ze deze kerk terwijl de pastoor de bedompte lucht met wierook besprenkelt. Bijna alle kerkbanken zijn leeg. De gebogen hoofden zijn die van vrouwen en een enkel kind. De zieken zijn thuisgebleven. Gezonde mannen zijn er niet meer in Timau. De oorlog is uitgebroken.

De kerkdeur zwaait open en we draaien ons onmiddellijk om, als dieren die op hun hoede zijn. Er komt een officier binnen, snelle voetstappen, laarzen die over de gewijde vloer stampen. Hij loopt naar de pastoor zonder hem de kans te geven van de preekstoel te komen. In een oorlog is niets heilig en deze zoon van de oorlog is daar een treffend voorbeeld van. We zien hoe zijn mond met dunne lippen woorden formuleert die alleen zij tweeën kunnen horen.

Don Nereo is van streek als hij zich daarna tot ons wendt.

‘De bataljons in de Carnia-zone kampen met problemen,’ kondigt hij aan. ‘Het Commando Logistiek en de Genie vragen om onze hulp. Ze hebben schouders nodig om de verbindingen met de depots beneden in de vallei zeker te stellen.’

De generaals en strategen van het opperbevel hebben eindelijk begrepen wat boeren en houthakkers altijd al wisten: er zijn geen begaanbare wegen die naar het zijgebergte voeren, geen bergpaden om levensmiddelen en munitie met pakezels naar boven te brengen. De verdedigingslinies liggen geïsoleerd op de bergtoppen, duizenden jonge soldaten zijn de uitputting nabij, en dat is nog maar het begin. Ik heb van ze gedroomd vannacht, ze baadden in het bloed. Ze gleden als bleke bloemen voorbij, door een purperrode stroom meegevoerd naar het dal.

De stem van de pastoor trilde toen hij onze hulp inriep en ik weet waarom. Hij schaamt zich. Hij weet wat hij van ons vraagt. Hij weet wat het betekent om die meedogenloze hellingen te beklimmen, urenlang, en dat te doen terwijl granaten als de toorn Gods boven onze hoofden ontploffen.

Naast hem staat de officier, hij kijkt ons geen enkele keer aan. Dat zou hij wel moeten doen. Dan zou hij zich realiseren wie en wat hij voor zich heeft. Dodelijk vermoeide wolvinnen, hongerige welpen.

Hij zou zich realiseren wat we zijn: een roedel op sterven na dood.

2

We zijn bij elkaar gekomen toen het donker werd en de dieren, de velden en de aan bed gekluisterde oudjes ons niet meer nodig hadden. Ik besefte dat we er sinds jaar en dag aan gewend zijn ons te laten leiden door de behoeftes van anderen. Ook nu, we worden uit de vergetelheid gehaald enkel en alleen omdat onze benen, armen en door het werk geharde ruggen nodig zijn.

In de muisstille hooischuur zijn we ogen die andere ogen zoeken, een kring van vrouwen van alle leeftijden. De een heeft een kind aan de borst. Een ander is zelf nauwelijks meer dan een kind, als je tegenwoordig tenminste nog kind mag zijn, als het in deze ruige streek die nooit iets cadeau geeft ooit mogelijk is geweest om het te zijn. Ik kijk naar mijn handen: het zijn niet de dameshanden waarover ik in de boeken van mijn vader lees. Gebarsten nagels, splinters die eelt zijn geworden en een heel raster van gestolde wonden, de een over de ander. In sommige is de aarde diep doorgedrongen, vlees geworden. Mijn bloed, dat druppel voor druppel in de voren van de velden is gevallen, heeft mij meer dan ooit een dochter van dit dal gemaakt.

Voor de andere vrouwen geldt precies hetzelfde, hun lichamen zijn gevormd door het gezwoeg waarmee we elke dag te maken hebben. We zijn geboren met een werklast op onze schouders, zei mijn moeder altijd, een last in de vorm van de draagkorf die we gebruiken om onze kinderen in te wiegen, maar ook om er hooi en aardappelen mee te vervoeren.

Het schijnsel van de olielamp verandert ons in schimmen die flakkeren op de grens tussen schaduw en licht, tussen wat wens en wat plicht is. We zijn niet gewend om ons af te vragen wat we werkelijk willen, maar dat zullen we vannacht voor het eerst moeten doen.

‘Mogen we net weer in onze eigen huizen wonen, en nu moeten we eropuit en ons leven gaan riskeren?’

Viola zegt wat iedereen denkt. We zijn allebei in de kerstnacht van 1895 geboren en we voelen ons zusjes, maar zij is altijd rapper van tong geweest dan ik.

‘Ze hebben zich gerealiseerd dat wonen in het laatste dorpje voor de grens en een Duits dialect spreken niet automatisch betekent dat je ook aan de kant van de indringer staat. Beter laat dan nooit,’ mompelt Caterina. Ze is de oudste van ons en op het oog ook de rustigste. Het lijkt alsof niets haar raakt, alsof ze van het hardste steen is, en sinds ze zich bij ons heeft gevoegd is ze als in steen gebeiteld blijven zitten, gebogen in haar donkere weduwejurk, het pluizige haar met de strepen grijs bijeengebonden in een knotje in de nek. In werkelijkheid hebben haar knobbelige vingers, als door de rivier meegesleurd hout, geen moment de breipennen laten rusten.

‘Ze vertrouwen ons nog steeds niet, wat ik je brom!’ gaat Viola ertegen in. ‘Waarom sturen ze anders onze mannen naar de Karst en niet hier naar de bergen die ze kennen?’

‘Jij hebt geen man, Viola, en ook geen verloofde,’ legt Caterina haar het zwijgen op, zonder op te kijken van de sok die vorm krijgt tussen haar knieën. ‘Misschien ben je daarom zo fel. Waar vind je nu nog iemand die jou wil hebben?’

De jongere vrouwen lachen, de anderen veroorloven zich een vluchtig glimlachje, alsof het onfatsoenlijk is de dood ook maar een moment te vergeten. Misschien is dat het ook, of misschien zou je dat juist moeten doen.

Viola kruipt in haar schulp, gepikeerd door een plagerijtje dat goedbedoeld was.

‘Er is nog wel iemand,’ zegt ze, maar zo zachtjes dat het lijkt alsof ze zichzelf een hart onder de riem wil steken. Haar blik ontsnapt aan de teugels van haar wil en schiet mijn kant op. Ik weet aan wie ze denkt, en dat weten de anderen ook. De interesse die Francesco Maier voor mij aan de dag legt vreet al maanden aan haar. De zoon van de apotheker is gewend ongevraagd te nemen en niet voor rede vatbaar. Ik beantwoord zijn belangstelling niet, maar God verhoede dat Viola zich van mij afkeert.

Lucia, die tot nu toe heeft gezwegen, schiet ons te hulp met het moederinstinct dat haar al typeerde toen ze als meisje op ons paste en wij een paar jaar jonger waren.

‘Misschien komen jullie daar tussen de bergtoppen wel een mooie Alpenjager tegen,’ zegt ze.

We barsten in lachen uit en eindelijk heb ik het gevoel dat ik vrij kan ademhalen, maar de stilte neemt het al snel weer over. Het is alsof ik haar kan proeven, ze voelt plakkerig aan en heeft de zoute smaak van de twijfel: hoe meer je ervan eet, hoe sterker je behoefte wordt, en uiteindelijk zijn je lippen droog, is je keel verschroeid.

In deze nacht van zorgen gedragen we ons in de duisternis alsof we het gewend zijn, maar dat zijn we helemaal niet. We hebben ogen die wijd en alert open staan, holle magen en onze sterke rug gaat schuil onder de traditionele zwarte omslagdoek. Onze huis-tuin-en-keukenrok, de zoom besmeurd met aarde, ruikt nog naar het melken van net voor de vesper.

Ik ken ze stuk voor stuk al mijn hele leven, maar het is voor het eerst dat ik zie dat ze bang zijn. In de bergen rondom Timau bulderen de kanonnen. Dat is de duivel die zijn keel schraapt, zei Maria op een dag terwijl ze de rozenkrans, die ze altijd bij zich heeft, door haar vingers liet glijden.

Ik vraag me af of we hier zomaar over ons lot kunnen beslissen, tussen het beschimmelde stro dat in de zomer niet door vers zal worden vervangen omdat niemand van ons de bergruggen zal opgaan om te maaien.

Lucia houdt haar slapende zoontje in haar armen, armen die zo sterk zijn dat ze de hele wereld zouden kunnen omsluiten. Ze is nog vrij jong, maar dankzij haar rustige kracht is ze altijd een baken voor ons geweest, nu meer dan ooit. Ik merk de zwarte kringen onder haar ogen op en sta op het punt om haar te vragen of ze vandaag iets meer heeft gegeten dan een enkele aardappel. Ze krijgt tachtig cent per maand voor haar man die soldaat is in de Karst en dertig cent voor elk van haar vier kinderen. Dat is niet genoeg.

‘Ik ga. Agata, wat wil jij doen?’ is Lucia me plotseling voor.

Even sta ik met mijn mond vol tanden. Het is zo moeilijk om de juiste woorden te kiezen, ze zijn doortrokken met onzekerheid en angst, samengesmolten in een verplichting tot gehoorzaamheid en verzorging die niemand ooit hardop van ons heeft gevraagd, maar die van moeder op dochter via het bloed wordt doorgegeven.

Wat wil ik doen? Dat heeft nog nooit iemand mij gevraagd.

Ik kijk naar deze vrouwen, mijn vriendinnen.

Viola, uitbundig en enthousiast.

Caterina, met de kalme en soms wat onbehouwen wijsheid van haar levenservaring.

Maria, een beetje op zichzelf, de rozenkrans tussen haar vingers en altijd een gebed op de lippen.

Ik weet dat op mijn antwoord dat van hen zal volgen, als een kettingreactie, en dat besef boezemt me angst in: ik ben een lokvogel die met zijn zang hen wellicht tot een zelfmoordactie veroordeelt.

Maar dan glimlacht Lucia naar me, een van die glimlachen waardoor je je met heel je ziel en zaligheid overgeeft.

Wij kennen deze bergen beter dan wie ook, vertelt ze me zonder woorden, we zijn al zo vaak op en neer gegaan. We weten hoe we ons moeten beschermen, mocht het nodig zijn.

De rest weet ik zelf ook: als wij vrouwen geen gehoor geven aan deze noodkreet, zal niemand anders het doen. Er is niemand anders.

‘Ik ga met je mee,’ hoor ik uit mijn mond rollen.

Lucia knikt, een even kort als plechtig gebaar, en drukt dan een kus op het voorhoofd van haar kleintje.

‘Laten we gaan,’ fluistert ze, ‘anders gaan die stakkers ook nog dood van de honger.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief