Van de hand in de tand

Paul Auster

Van de hand in de tand

Van de hand in de tand
In Van de hand in de tand komen de donkere kanten van Paul Austers levensverhaal aan bod. Als jongen van zestien, zeventien wist hij namelijk al: hij zou schrijver worden. Het vergaren van zoveel mogelijk wereldse goederen zei hem niets, zijn hele leven zou in het teken van dat ene Grote Doel staan. Natuurlijk moest hij zichzelf daartoe allereerst in leven zien te houden en daarom waren baantjes prima. Voorwaarde was wel dat ze tijdelijk waren en op de een of andere manier van nut voor zijn schrijverscarrière: hetzij als levenservaring, hetzij als ‘beproeving’ van zijn instrument, de taal. Dit leven van de hand in de tand slorpte al zijn tijd en energie op en van het echte werk kwam het niet. De levenskeuze die hij als adolescent zo gemakkelijk maakte blijkt fatale gevolgen te hebben. In Van de hand in de tand heeft Auster een cruciaal thema bij de kop gevat: leven van de pen. De belangrijkste personages: hijzelf, het Geld en het Toeval. In lucide proza voert hij het Geld ten tonele als een mogelijke brenger van vrijheid, maar vooral als de meest tirannieke slavendrijver die er bestaat.