leesfragment

‘Brandende meisjes’ van CJ Tudor

0

Zijn we allemaal in staat tot onuitsprekelijke daden om degenen van wie we houden te beschermen?

In een dorp met een duistere geschiedenis maakt een vrouwelijke dominee een nieuwe start. Brandende meisjes is de steengoede nieuwe thriller van de auteur van de bestseller De Krijtman, CJ Tudor.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken.

Proloog

Wat voor man ben ik?

Het was een vraag die hij zichzelf de laatste tijd vaak had gesteld.

Ik ben een man van God. Ik ben Zijn dienaar. Ik voer Zijn wil uit.

Maar was dat genoeg?

Hij staarde naar het kleine, witgeverfde huisje. Rieten dak, een felpaarse clematis die langs de muren omhoog kronkelde, badend in het licht van de ondergaande zon aan het eind van de zomer. In de bomen kwetterden vogels. Bijen zoemden traag langs de bosjes.

Hier schuilt kwaad. Hier, in de meest onschuldige omgeving.

Langzaam liep hij het korte pad op. Angst maakte zich van hem meester. Het voelde als een fysieke pijn, als kramp in zijn darmen. Hij stak zijn hand uit naar de deur, maar die zwaaide open nog voor hij kon kloppen.

‘O, goddank. De Heer zij geprezen dat u bent gekomen.’

De moeder hing slap tegen de deurpost aan. Sluik, bruin haar plakte aan haar schedel. Haar ogen waren bloeddoorlopen en haar huid was vaal en doorgroefd.

Dit is wat er gebeurt als Satan je huis betreedt.

Hij stapte naar binnen. Het huis stonk. Zuur, vies. Hoe had het zover kunnen komen? Hij keek langs de trap omhoog. De duisternis bovenaan leek vol van kwaadaardigheid. Hij legde zijn hand op de trapleuning. Zijn benen weigerden dienst. Hij kneep zijn ogen dicht en haalde diep adem.

‘Vader?’

Ik ben een man van God.
Ik ben een man van God.

‘Laat zien.’

Hij begon naar boven te lopen. Bovenaan waren er maar drie deuren. Een jongen met een uitdrukkingsloze blik in een gevlekt T-shirt keek om de hoek van een van de deuren. Toen de in het zwart geklede gedaante naderbij kwam, trok de jongen de deur dicht.

Hij duwde de deur ernaast open. De hitte en de stank troffen hem als een mokerslag. Hij sloeg een hand voor zijn mond en probeerde niet te kokhalzen.

Het bed zat onder het bloed en lichaamsvocht. Aan elke hoek van het bed waren riemen gebonden, maar ze hingen slap. In het midden van het matras stond een grote, geopende leren tas. De inhoud werd met stevige riemen op zijn plaats gehouden: een zware crucifix, een bijbel, wijwater, katoenen doeken.

Er ontbraken twee dingen. Die lagen op de vloer. Een scalpel en een lang, gekarteld mes. Beide zaten onder het bloed. Een poel van bloed lag als een donkere, robijnkleurige mantel rond het lichaam.

Hij slikte en zijn mond voelde zo droog aan als de akkers in de zomer. ‘Grote God, wat is hier gebeurd?’

‘Dat heb ik u gezegd. Ik heb u gezegd dat de duivel…’

‘Genoeg!’

Hij zag iets op het nachtkastje staan. Hij liep ernaartoe. Een klein, zwart doosje. Hij staarde er een moment naar en draaide zich toen om naar de moeder, die aarzelend in de deuropening stond.

Ze wrong haar handen en keek hem smekend aan. ‘Wat moeten we doen?’

We. Want nu was hij ook verantwoordelijk.

Hij keek naar het bloederige, verminkte lichaam op de vloer.

Wat voor man ben ik?

‘Haal doeken en bleekmiddel. Nu.’

WELDON HERALD DONDERDAG
24 MEI 1990

VERMISTE MEISJES

De politie heeft om hulp gevraagd bij de zoektocht naar twee vermiste tienermeisjes uit Sussex: Merry Lane en Joy Harris. Het tweetal, waarvan wordt vermoed dat ze samen van huis zijn weggelopen, is 15 jaar oud. Joy werd op de avond van 12 mei voor het laatst gezien bij een bushalte in Henfield. Merry verdween een week later op 19 mei vanuit haar huis in Chapel Croft, waar ze een briefje had achtergelaten.

De politie beschouwt hun verdwijning niet als verdacht.
De politie beschouwt hun verdwijning niet als verdacht, maar maakt zich zorgen over hun welzijn en vraagt hun contact op te nemen met hun familie. ‘Jullie krijgen geen moeilijkheden, maar ze maken zich zorgen. Ze willen alleen maar weten dat jullie veilig zijn en jullie kunnen altijd naar huis komen.’

Joy wordt omschreven als tenger, 1,62 meter lang, met lang, lichtblond haar en frêle trekken. Ze is het laatst gezien in een roze T-shirt met gebleekte jeans en droeg Dunlop Green Flash-sportschoenen.

Merry wordt beschreven als mager, 1,67 meter lang, met kort, donker haar en werd het laatst gezien in een oversized sweater, jeans en zwarte gymschoenen.

Iedereen die hen ziet wordt verzocht contact op te nemen met de politie van Weldon onder nummer 01323 456723, of met Crimestoppers onder nummer 0800 555 111.

1

‘Het is een vervelende situatie.’

Bisschop John Durkin glimlacht minzaam.

Ik ben er vrij zeker van dat bisschop John Durkin alles minzaam doet, zelfs schijten.

Hij is de jongste bisschop die ooit de leiding heeft gekregen over het bisdom North Notts, een begaafd redenaar, de schrijver van verschillende bejubelde theologische stukken, en het zou me verbazen als hij niet in elk geval had geprobeerd om over water te lopen.

En hij is een klootzak.

Ik weet het. Zijn collega’s weten het. Zijn staf weet het. En eigenlijk denk ik dat hij het zelf ook weet.

Helaas zal niemand hem daarop aanspreken. Ik zeker niet. Vandaag niet. Niet terwijl hij mijn baan, mijn huis en mijn toekomst in zijn gladde, goed gemanicuurde handen heeft.

‘Zoiets als dit kan het geloof van de gemeenschap schokken,’ gaat hij verder.

‘Ze zijn niet geschokt. Ze zijn kwaad en bedroefd. Maar ik zal niet toestaan dat dit alles kapotmaakt wat we hebben bereikt. Ik wil de mensen niet in de steek laten juist nu ze me het meest nodig hebben.’

‘Maar is dat zo? De opkomst is gedaald. Er worden lessen afgezegd. Ik heb gehoord dat de kindergroepen misschien naar een andere kerk gaan.’

‘Dat is het effect dat politietape en agenten op ze heeft. Dit is geen gemeenschap die veel genegenheid voor de politie koestert.

‘Dat begrijp ik…’

Nee, dat begrijpt hij niet. Het dichtst dat Durkin ooit bij de binnenstad komt is als zijn chauffeur de foute afslag naar zijn privégym neemt.

‘Ik ben ervan overtuigd dat dit slechts tijdelijk is. Ik kan hun vertrouwen weer opbouwen.’

Ik voeg er niet aan toe dat ik wel zal moeten.
Ik voeg er niet aan toe dat ik wel zal moeten. Ik heb een fout gemaakt en die moet ik goedmaken.

‘Dus je kunt nu ook wonderen verrichten?’ Voor ik antwoord kan geven of hem kan tegenspreken, gaat Durkin gladjes verder. ‘Luister, Jack, ik weet dat je hebt gedaan wat je het best achtte, maar je bent te dichtbij gekomen.’

Ik zit stijf rechtop in mijn stoel en moet de neiging onderdrukken om mijn armen als een mokkende tiener over elkaar te slaan. ‘Ik dacht dat dat ons werk was. Om een hechte band met de gemeenschap op te bouwen.’

‘Het is ons werk om de reputatie van de Kerk hoog te houden. Dit zijn uitdagende tijden. Overal falen de kerken. Er komen steeds minder mensen. Zelfs zonder al deze negatieve publiciteit staan we voor een zware taak.’

En dat is het enige wat Durkin echt iets kan schelen. De kranten. Pr. De Kerk krijgt zelfs op de beste momenten al geen goede pers en ik heb het echt verkloot. Door te proberen een klein meisje te redden en haar daardoor juist te verdoemen.

‘En nu? Wilt u dat ik ontslag neem?’

‘Absoluut niet. Het zou zonde zijn als iemand van jouw kaliber zou vertrekken.’ Hij zet de vingertoppen van zijn beide handen tegen elkaar. Hij doet dat echt. ‘En het zou geen goede indruk maken. Het zou een schuldbekentenis zijn. We moeten zorgvuldig overwegen wat onze volgende stap is.’

Daar twijfel ik niet aan. Vooral omdat mijn benoeming hier zijn idee was. Ik ben zijn prijspoedel. En ik deed het geweldig, door de ooit verlaten kerk in de binnenstad te veranderen in een centrum van de gemeenschap.

Tot Ruby.

‘Dus wat stelt u dan voor?’

‘Een overplaatsing. Voor een tijdje naar een plek die minder in de belangstelling staat. Er is een kleine kerk in Sussex die plotseling zonder priester zit. Chapel Croft. Ze hebben terwijl ze een opvolger zoeken tijdelijk een predikant nodig.’

Ik kijk hem aan en voel de aarde onder mijn voeten wegzakken. ‘Het spijt me, maar dat gaat niet. Mijn dochter doet volgend jaar eindexamen. Ik kan haar niet zomaar naar de andere kant van het land meenemen.’

‘Ik heb de overplaatsing al afgesproken met bisschop Gordon van het bisdom Weldon.’

‘Wat? Hoe kan dat nou? Is er al geadverteerd voor die post? Er zullen absoluut geschikte kandidaten daar uit de buurt zijn…’

Hij wuift neerbuigend met zijn hand. ‘We zaten toevallig te kletsen. Jouw naam werd genoemd. Hij vertelde me over de vacature. Serendipiteit.’

En Durkin kan aan meer touwtjes trekken dan die verdomde Geppetto.

‘Probeer het van de zonnige kant te zien,’ zegt hij. ‘Het is een prachtig deel van het land. Frisse lucht, velden. Een kleine, veilige gemeenschap. Het zou weleens heel goed voor Flo en jou kunnen zijn.’

‘Ik denk dat ik zelf wel weet wat goed is voor mij en mijn dochter. Het antwoord is nee.’

‘Laat me dan duidelijk zijn, Jack.’
‘Laat me dan duidelijk zijn, Jack.’ Hij kijkt me recht in mijn ogen. ‘Dit is verdomme geen verzoek.’

Er is een reden waarom Durkin de jongste bisschop is geworden die de leiding over een bisdom kreeg en het heeft niets met zijn minzaamheid te maken.

Ik bal mijn vuisten in mijn schoot. ‘Begrepen.’

‘Uitstekend. Je begint volgende week. Vergeet niet een paar laarzen in te pakken.’

2

‘Christus!’

‘Alweer godslastering.’

‘Ik weet het, maar…’ Flo schudt haar hoofd. ‘Wat een kutzooitje.’

Ze heeft geen ongelijk. Ik breng de auto tot stilstand en staar naar ons nieuwe huis. Nou ja, ons nieuwe spirituele huis. Ons eigenlijke huis staat ernaast. Een plattelandshuisje, dat eigenlijk wel iets charmants zou hebben als het niet in zo’n slechte staat zou zijn dat het eruitziet alsof het langzaam, steen voor steen, zou kunnen instorten.

De kapel zelf is klein, vierkant en een beetje groezelig wit. Het ziet er niet echt uit als een plaats voor godsverering. Hij heeft geen schuin dak, kruis of glas-in-loodramen. Aan de voorkant zitten vier simpele ramen; twee boven en twee beneden. Tussen de twee bovenste ramen bevindt zich een klok. In zwierige letters eromheen staat: Redeem the Time, for the Days are Evil.

Gezellig. Helaas is in de loop der tijd de ‘e’ van het woord ‘time’ weggevallen, zodat er eigenlijk staat: Redeem the Tim, wie dat dan ook moge zijn.

Ik stap uit de auto. Door de benauwde lucht plakken mijn kleren gelijk aan mijn huid vast. Overal om ons heen is er niets dan velden te zien. Het dorp zelf bestaat uit een twintigtal huizen, een pub, een winkel en een gemeenschapshuis. De enige geluiden bestaan uit het getjirp van vogels en het gezoem van een stel bijen. Ik voel de spanning in mijn lijf.

‘Goed,’ zeg ik, terwijl ik positief probeer te klinken, zonder de tegenzin die ik eigenlijk voel. ‘Laten we maar eens binnen gaan kijken.’

‘Zouden we niet eerst gaan kijken waar we komen te wonen?’ vraagt Flo.

‘Eerst het huis van God. Daarna het huis van Zijn kinderen.’

Ze rolt met haar ogen om duidelijk te maken dat ik onmogelijk stom en irritant ben.
Ze rolt met haar ogen om duidelijk te maken dat ik onmogelijk stom en irritant ben. Tieners kunnen door het rollen met hun ogen een heleboel duidelijk maken. En dat is maar goed ook, want hun vermogen om met woorden iets te communiceren lijkt op hun vijftiende als sneeuw voor de zon te verdwijnen.

‘Trouwens,’ zeg ik, ‘onze meubels zitten nog vast in het verkeer op de M25. De kapel heeft in elk geval banken.’

Ze slaat de autodeur dicht en sloft mokkend achter me aan. Ik werp een blik op haar: kortgeknipt donker haar, een neusring – waar ze hard voor heeft gevochten en die ze moet uitdoen als ze naar school gaat – en een zware Nikon-camera die bijna permanent om haar nek hangt. Ik denk vaak dat mijn dochter perfect zou zijn voor de rol van Winona Ryder in een nieuwe versie van Beetlejuice.

Een lang pad leidt van de weg naar de kapel. Net buiten het hek staat een gedeukte brievenbus. Er is me verteld dat daarin de sleutels zullen liggen als er niemand is als we aankomen. Ik trek de klep omhoog, steek mijn hand erin en… bingo. Ik haal twee zilverkleurige Yale-sleutels tevoorschijn, die voor het huisje moeten zijn, en een zwaar metalen ding dat eruitziet alsof het iets uit een Tolkien-fantasie moet openen. Ik neem aan dat dit de sleutel van de kapel is.

‘Nou ja, we kunnen in elk geval naar binnen.’

‘Jippie,’ zegt Flo met een uitgestreken gezicht.

Ik negeer haar en duw het hek open. Het pad is steil en ongelijk. Aan beide kanten steken grafzerken boven het gras uit, aan de linkerkant staat een groter monument. Een vaalgrijze obelisk. Aan de voet ligt iets wat op een bos dode bloemen lijkt. Als ik wat beter kijk, zie ik dat het geen dode bloemen zijn. Het zijn kleine poppetjes van gevlochten twijgjes.

‘Wat zijn dat?’ vraagt Flo, terwijl ze ernaar kijkt en haar camera pakt.

‘Brandende meisjes,’ antwoord ik automatisch.

Ze gaat op haar hurken zitten en neemt een paar shots met haar Nikon.

‘Het is een soort dorpstraditie,’ zeg ik. ‘Ik heb er online iets over gelezen. Mensen maken ze om de Martelaren van Sussex te gedenken.’

‘De wie?’

‘Dorpsbewoners die tijdens de vervolgingen van de protestanten onder Queen Mary op de brandstapel ter dood zijn gebracht. Twee jonge meisjes zijn hier voor de kapel verbrand.’

Ze staat op en trekt een vies gezicht. ‘En mensen maken die enge twijgpoppetjes om ze te gedenken?’

‘En op de gedenkdag van de vervolging steken ze ze in brand.’

‘Dat lijkt veel te veel op Blair Witch.’
‘Dat lijkt veel te veel op Blair Witch.’

‘Zo gaat dat op het platteland nou eenmaal.’ Als ik eraan voorbijloop, werp ik een laatste minachtende blik op de twee twijgpoppetjes. ‘Het zit vol met zonderlinge tradities.’

Flo haalt haar telefoon tevoorschijn en neemt nog een paar foto’s, waarschijnlijk om die aan haar vrienden in Nottingham te sturen. Moet je kijken wat die heikneuters hier doen. Dan loopt ze achter me aan.

We komen bij de deur van de kapel en ik steek de sleutel in het slot. Het slot gaat nogal moeilijk en ik moet echt kracht zetten om de sleutel te draaien. De deur gaat hard krakend open, het lijkt een geluidseffect uit een horrorfilm. Ik duw de deur verder open.

Het is donker in de kapel, en mijn ogen hebben even nodig om zich aan te passen. De augustuszon dringt door de vuile ramen naar binnen en werpt zijn licht op dikke wolken stof die door de lucht zweven.

Het is een ongebruikelijke indeling: een klein schip, waar nauwelijks genoeg ruimte is voor een half dozijn banken, die recht tegenover een altaar in het midden staan. Aan beide zijden leiden smalle houten trappen naar het balkon, waar nog meer banken op de gebeurtenissen neerkijken, als in een klein theater, of een gladiatorenkooi. Ik vraag me af hoe dit ooit een inspectie van de brandweer heeft kunnen doorstaan.

Het ruikt er bedompt en ongebruikt, wat merkwaardig is, omdat het gebouw tot een paar weken geleden regelmatig werd gebruikt. Zoals in alle kapellen en kerken voelt het er muf en tegelijkertijd koud aan.

Ik zie dat er aan het eind van het schip een stuk van de vloer met gele touwen is afgezet. Aan een ervan hangen geïmproviseerde waarschuwingsbordjes: GEVAARLIJK. ONGELIJKE VLOER. LOSSE TEGELS.

 ‘Ik neem mijn woorden terug,’ zegt Flo. ‘Een compleet en absoluut kutzooitje.’

‘Het had erger kunnen zijn.’

‘Hoe dan?’

‘Houtworm, vochtigheid, overal torren?’

‘Ik wacht buiten wel.’ Ze draait zich om en loopt stampend het gebouw uit.

Ik ga haar niet achterna. Het is het beste om haar even met rust te laten. Er is niets wat ik kan zeggen om haar te troosten. Ik heb haar weggerukt uit de stad waar ze van houdt, van de school waar ze zich op haar gemak voelde, en haar naar een plek gebracht die behalve velden en het aroma van koeienstront niets te bieden heeft. Het zal nog een hoop werk kosten om haar van gedachten te doen veranderen.

Ik kijk naar het houten altaar.

‘Wat doe ik hier, Heer?’
‘Wat doe ik hier, Heer?’

‘Kan ik u helpen?’

Ik draai me met een ruk om.

Er staat een man achter me. Hij is tenger en lijkbleek. Zijn kalkachtige gelaat wordt geaccentueerd door zijn vette, donkere haar, dat hij strak naar achteren heeft gekamd. Ondanks het warme weer draagt hij een donker pak met een grijs overhemd zonder boord. Hij ziet eruit als een vampier op weg naar een jazzclub.

‘Sorry, ik heb nog nooit eerder een direct antwoord gehad.’ Ik glimlach en steek mijn hand uit. ‘Ik ben Jack.’

Hij blijft me wantrouwend aankijken. ‘Ik ben de koster van deze kerk. Hoe bent u hier binnengekomen?’

En dan begrijp ik het. Ik heb mijn boordje niet om en er is hem waarschijnlijk alleen maar verteld dat ‘eerwaarde Brooks’ vandaag zal aankomen. Hij had natuurlijk online kunnen opzoeken wie ik ben, maar ja, hij ziet eruit alsof hij nog inkt en een ganzenveer gebruikt.

‘Sorry. Jack Brooks. Pastoor Brooks?’

Zijn ogen worden iets groter. Er verschijnt een heel flauwe kleur op zijn wangen. Ik moet toegeven, mijn naam veroorzaakt vaker verwarring. En ik moet toegeven, daar geniet ik van.

‘O, grote goedheid. Het spijt me enorm. Het is alleen…’

‘Niet wat u verwachtte.’

‘Nee.’

‘Langer, slimmer, knapper?’

En dan schreeuwt een stem: ‘MAM!’

Ik draai me om. Flo staat met grote ogen en lijkbleek in de deuropening. Mijn moederlijke alarmbellen gaan af.

‘Wat is er?’

‘Er loopt buiten een meisje. Ze is… Ik denk dat ze gewond is. Je moet komen. Nu!

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief