leesfragment

‘De andere vrouw’ van Michael Robotham

Klinish psycholoog Joe O’Loughlin kijkt verbijsterd naar de vrouw die naast het ziekenhuisbed van zijn vader zit. Wie is de mysterieuze vrouw? Een vriendin, een maîtresse, een leugenaar, of een moordenaar? Lees hier alvast de eerste pagina’s van De andere vrouw.

Dag een

1

Vanaf de top van Primrose Hill lijken de torenspitsen en koepels van Londen, afgetekend tegen de dageraad, wel de geschilderde achtergrond van een filmstudio te vormen, waar acteurs wachten om hun plek in te nemen en een onzichtbare regisseur op het punt staat om ‘Actie!’ te roepen.

Wat hou ik toch van deze stad. Hij is gebouwd op de ruïnes van het verleden en elke vierkante meter is gebruikt, hergebruikt, platgegooid, gebombardeerd, ontmanteld, opnieuw opgebouwd en opnieuw platgegooid, totdat de lagen van de geschiedenis net rotsafzettingen zijn die op een dag door toekomstige archeologen en schattenjagers zullen worden doorzocht.

Ik ben net zo: een verwoeste man, gebouwd op de brokstukken van mijn verleden.
Ik ben net zo: een verwoeste man, gebouwd op de brokstukken van mijn verleden. Dertien jaar geleden heb ik de diagnose parkinson gekregen. Het begon met een onbewuste, willekeurige samentrekking van de vingers aan mijn linkerhand, een beweging die op een zenuwtrek leek, maar een vonnis bleek te zijn waarin ik schuldig werd verklaard. Zonder dat ik het wist was mijn lichaam in het geheim aan een lange, slepende scheiding van mijn geest begonnen, een scheiding waarbij niemand de platenverzameling mag houden of ruziet over wie de hond krijgt.

Die kleine verkramping van mijn duim en wijsvinger heeft zich nu stilletjes door al mijn ledematen verspreid, zodat ze zonder de ondersteuning van medicijnen niet meer aan mijn wil gehoorzamen. Als ik de juiste hoeveelheid medicijnen heb ingenomen, vertoon ik bijna geen symptomen. Ik loop iets meer voorovergebogen en beweeg wat behoedzamer, maar in de meeste opzichten zijn mijn bewegingen normaal. Op andere momenten is meneer Parkinson een wrede poppenspeler, die aan onzichtbare touwtjes trekt en me laat bewegen op muziek die alleen hij hoort.

Parkinson kan niet worden genezen – nog niet – maar ik heb de hoop dat de wetenschap de wedstrijd zal winnen. Intussen wordt dagelijkse lichaamsbeweging aangeraden. Daarom sta ik hier, met de gehavende en grootse geschiedenis van Londen voor me. Mijn blik gaat van oost naar west en blijft rusten op de ronde daken en het gaaswerk van de London Zoo. Het eerste huis dat Julianne en ik ooit kochten staat een paar straten verderop. Op warme avonden lagen we in bed en dan bewogen de gordijnen voor de open ramen en luisterden we naar de roep van de leeuwen, hyena’s en dieren die we niet herkenden.

We hebben de stekker eruit getrokken en ze gleed weg als een lege, van zijn touw losgesneden roeiboot in de rivier.
Ze is zestien maanden geleden overleden. Door een complicatie tijdens een operatie, werd er gezegd: een bloedprop die vanuit haar lies langs haar hart was gegaan en in een hoofdbloedvat naar de longen terecht is gekomen. Ze heeft nog een week aan de apparaten geleefd. Ze lag op witte lakens en zag er vredig en prachtig uit, maar volgens de neuroloog was ze ‘niet huis’. We hebben de stekker eruit getrokken en ze gleed weg als een lege, van zijn touw losgesneden roeiboot in de rivier.

De seizoenen die sindsdien zijn verstreken lijken op de stadia van rouw. De zomer is verstreken in ontkenning en afzondering, de herfst bracht boosheid, in de winter gaf ik iedereen de schuld en in de lente had mijn depressie me ertoe gebracht hulp te vragen.

Ik houd het vol vanwege mijn dochters, Charlie en Emma, want zij moeten het leven dan meer als een tragedie beschouwen. Ook leeft er zoveel van Julianne in hen voort, van de scheiding in hun haar tot hun stembuigingen en de manier waarop ze lopen, fronsen en lachen.

We zijn een jaar geleden terugverhuisd naar Londen, nadat we de cottage in Somerset hadden verkocht. Met de opbrengst van de verkoop en een aanvullende hypotheek heb ik een penthouse gekocht in het monumentale pand Wellington Court in Belsize Park, niet ver van Primrose Hill. Het is ruim en vrolijk, met hoge plafonds en een grote erker in de woonkamer, het heeft drie slaapkamers en een klein dakterras, waar je via het keukenraam kunt komen. Daar zitten Emma en ik soms op dekstoelen naar de zonsopgang boven Londen te kijken, als de passagiers van een oceaanstomer.

Emma is twaalf. Ik heb haar slapend in het appartement achtergelaten, de wekker gaat zo af omdat ze naar school moet. Ze is niet langer mijn kleine meisje, ze staat op de rand van vrouwzijn, met haar groengrijze ogen, krullen en haar huid zo bleek dat hij bijna gepoederd lijkt, zoals bij een kabuki-danser. Sinds januari gaat ze naar North Bridge House, een privéschool in Noord-Londen die een bedrag aan schoolgeld rekent waarvan de tranen me in de ogen springen. De beurs die ze kreeg kwam als extraatje en als verrassing.

Ze wil begrijpen waarom sommige mensen, de psychopaten en sociopaten die haar nachtmerries bevolken, gruwelijke dingen doen en over nog erger misdaden fantaseren.
Mijn oudste, Charlie, is tweedejaarsstudent gedragspsychologie in Oxford. Normaal gesproken zijn ouders trots als hun kind in hun voetstappen treedt, maar ik vind het helemaal niet leuk dat Charlie forensisch psycholoog wil worden, omdat ik weet waar haar fascinatie ligt en hoe die ontstaan is. Ze wil begrijpen waarom sommige mensen, de psychopaten en sociopaten die haar nachtmerries bevolken, gruwelijke dingen doen en over nog erger misdaden fantaseren.

Ik loop verder de heuvel af, steek het kanaal over en ga Regent’s Park in. Er jogt een jonge vrouw voorbij, met haar billen in strak lycra en haar paardenstaart dansend op haar rug. Ik overweeg haar in te halen. Dan kunnen we samen hardlopen. Contact maken. Ik droom. Ze is al weg.

Ik heb vanochtend een afspraak met dr. Victoria Naparstek, in een café niet ver van haar praktijk aan Harley Street. Victoria is een knappe vrouw van in de veertig. Slank. Aantrekkelijk. Ik ben een keer met haar naar bed geweest toen Julianne en ik uit elkaar waren. Victoria kapte het af. Toen ik haar naar de reden vroeg, zei ze: ‘Je houdt nog steeds van je vrouw.’ Ik vroeg haar of dat iets uitmaakte. ‘Voor mij wel,’ antwoordde ze.

Ze zit op me te wachten in een café aan Portland Place. Ze draagt een rok met een a-lijn en een bijpassend jasje, met een eenvoudige witte blouse, die open staat bij haar hals. Ze glimlacht en er verschijnen kuiltjes in haar wangen.

‘Professor O’Loughlin.’
‘Dr. Naparstek.’
‘Je bent bezweet.’
‘Moet je zien wat je me aandoet.’
We plagen elkaar wat. Flirten een beetje. Een serveerster heeft onze bestelling opgenomen. Thee. Koffie. Toast. Jam.

Na Juliannes dood zei iedereen tegen me dat ik met iemand moest gaan praten. Ik weet wat rouwcounseling kan doen, maar ik verzette me tegen het idee, totdat Victoria me een ‘godvergeten idioot’ noemde en ‘echt een man’, die zich afsluit en doet alsof het probleem niet bestaat.

‘Je ziet er goed uit,’ zegt ze.
‘Het gaat ook goed.’
Mijn eerste leugen.
‘Hoe gaat het met slapen?’
‘Goed.’
Nog een.
‘En hoe is het met de dromen?’
‘Een of twee.’
‘Altijd dezelfde?’
Ik knik.

Therapie zonder therapie.
Zo doen we dat. Therapie zonder therapie. Zij ondervraagt me, ik geef antwoord, en geen van ons beiden voelt de verplichting om vertrouwelijke dingen te vertellen of advies te geven.

Victoria wil dat ik mijn ergste angsten onder woorden breng, maar dat is helemaal niet nodig, want ik leef er elke dag mee. Ik hoef me niet voor te stellen dat ik alleen ben, of dat ik ziek ben, of dat ik plotseling in tranen uitbarst vanwege een gebroken kopje of een ei dat ik heb laten vallen.

‘Hoe gaat het met Emma?’ vraagt ze.
‘Goed. Beter. We hebben gisteren haar kamer geschilderd en posters aan de muren gehangen.’
‘Heeft ze het over Julianne gehad?’
‘Nee.’
‘En de foto’s?’
‘Daar kijkt ze niet naar.’

Emma heeft niet gehuild, is niet opstandig geworden en heeft niets gevraagd over haar moeders dood. Ze gaat niet naar Juliannes graf, bekijkt geen foto’s van haar en haalt geen herinneringen op aan het verleden. Dat is geen teken dat ze het ontkent, of doet alsof er niets is veranderd. Emma weet heel goed dat Julianne niet meer terugkomt, maar ze weigert zich ermee bezig te houden, of het ons leven te laten beheersen.

Ik heb haar weleens ’s avonds in haar kledingkast aangetroffen, opgerold tot een balletje.

‘Wat is er?’
‘Ik kan niet slapen.’
‘Dat is niet erg. Je kunt ook gewoon uitrusten.’
‘Stel dat ik nooit meer kan slapen?’
‘Dat gebeurt niet.’
Stel dat ik de enige ben die wakker is? Dan slaapt de hele wereld en ben ik in mijn eentje, in het donker… en dan kan niemand me helpen.’
‘Ik ben er toch.’
‘Beloof me dat je pas in slaap valt als ik slaap.’
‘Dat beloof ik.’

Als we oversteken, wil ze mijn hand vasthouden – niet om zichzelf te beschermen, maar om mij te beschermen.
Ik maak me zorgen over Emma, omdat ik de enig overgeblevene ouder ben. Als we oversteken, wil ze mijn hand vasthouden – niet om zichzelf te beschermen, maar om mij te beschermen. Ze zorgt ervoor dat ik goed eet, genoeg beweeg en mijn medicijnen inneem. Soms staat ze als ik wakker word met haar hand op mijn borstkas over mijn bed gebogen. Dan telt ze mijn ademhalingen. Drie sets van negen. Zevenentwintig. Dat is normaal gesproken genoeg om haar gerust te stellen.

Onze koffie komt. Victoria scheurt een suikerzakje open en schudt de korrels op het schuim. ‘Heb je Emma al gevraagd of ze met me wil praten?’
‘Ze loopt er niet echt warm voor.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Ik wil haar niet pushen.’
‘Dat moet je ook niet doen. Laat haar de beslissing maar nemen als ze eraan toe is.’
Datzelfde advies heb ik aan talloze rouwende ouders gegeven, maar als het om mijn eigen vlees en bloed gaat, begin ik te twijfelen aan mijn dertig jaar ervaring als klinisch psycholoog.
Mijn telefoon, die op tafel ligt, trilt. Ik herken het nummer niet.
‘Spreek ik met professor O’Loughlin?’ vraagt een vrouw.
‘Ja.’
‘U spreekt met het secretariaat van het St. Mary’s-ziekenhuis in Paddington. Uw vader, William O’Loughlin, is in het ziekenhuis opgenomen met ernstige verwondingen aan zijn hoofd.’
‘Verwondingen aan zijn hoofd.’
‘Hij is zes uur geleden geopereerd.’
‘Geopereerd.’
‘Om de druk op zijn hersenen te verminderen. Hij had interne bloedingen. Op dit moment wordt hij in coma gehouden.’
‘In coma gehouden.’
Waarom herhaal ik alles wat ze zegt?

Op een plank in het café staan bonsaiboompjes, miniboompjes met knoestige stammen en met mos bedekte takken. Ik merk dat ik naar het gekrompen bos staar en niet meer luister naar wat de vrouw zegt. Mijn knieën trillen.

‘Bent u er nog, professor?’
‘Ja. Sorry. Wat deed mijn vader in Londen?’
Wat maakt dat nou uit?
‘Dat zou ik niet weten,’ antwoordt de vrouw.
Natuurlijk niet! Wat een stomme vraag.
‘Weet mijn moeder het al?’
‘Ze is nu bij hem.’
‘Kan ik met haar praten?’
‘Op de intensive care zijn mobiele telefoons niet toegestaan.’
‘Aha. Oké. Zeg maar tegen haar dat ik eraan kom.’

Ik beëindig het gesprek en staar naar het lege scherm. Ik moet mijn zussen bellen. Nee, dat heeft mam vast al gedaan. Ik moet een taxi nemen. Emma is thuis. Ik zou met haar naar school lopen en daarna heb ik patiënten. Ik kan mijn afspraken wel afzeggen.

Ik begin te joggen, probeer uit alle macht mijn voeten op te tillen en vloeiend met mijn armen te zwaaien.
Victoria zoekt haar portemonnee. ‘Ga maar. Bel me later.’ Binnen een paar tellen sta ik op de stoep en kijk ik uit naar een taxi. Er komen er drie voorbij. Bezet. Ik begin te joggen, probeer uit alle macht mijn voeten op te tillen en vloeiend met mijn armen te zwaaien. Het verkeer in Euston Road staat helemaal vast. Ik ga dwars door Regent’s Park, Primrose Hill op. Mijn longen doen pijn en mijn benen verzuren.

Als ik de trappen van Wellington Court ben opgeklommen, stort ik bijna in.

‘Heb je de hele weg gerend?’ vraagt Emma, die in haar schooluniform – een gestreepte jurk, rood vest, zwarte maillot en schoenen met een gesp – aan de keukentafel zit.

‘Opa… in het ziekenhuis… Ik moet weg.’
‘Wat is er gebeurd?’
‘Een ongeluk of zo. Ik moet even douchen.’
‘Wordt hij weer beter?’
‘Hij is in goede handen.’
Emma loopt achter me aan de gang door. ‘Er gebeuren akelige dingen in ziekenhuizen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Er gaan mensen dood.’ Haar mondhoeken trekken naar beneden en haar ogen glanzen.
‘Niet altijd. De meesten worden beter,’ zeg ik, maar ik weet dat mijn woorden hol klinken in de oren van iemand die haar moeder heeft verloren.
‘Ik wil niet dat je erheen gaat,’ zegt ze.
‘Mij zal niets gebeuren.’
‘Laat me dan in elk geval meegaan.’
‘Je moet naar school.’
‘Wie gaat me dan brengen?’
‘Ik praat wel met de jongens.’

De jongens zijn mannen: Duncan en Arturo. Een homostel dat op de verdieping onder ons woont. De ene werkt in de reclame en de ander heeft een kunstgalerie in Islington. Als ik heb gedoucht en me heb verkleed, klop ik bij hen aan. Duncan doet open. Hij draagt een korte ochtendjas, die tot boven aan zijn dijen reikt.

‘Joseph!’ zegt hij enthousiast, en hij kust me op beide wangen. Ik steek mijn billen naar achteren om niet met mijn kruis tegen het zijne te drukken.

‘Mijn vader ligt in het ziekenhuis. Kan een van jullie Emma naar school brengen?’

Duncan geeft de boodschap over zijn schouder door aan Arturo en die antwoordt, schreeuwend vanuit de keuken: ‘Ik kan haar wel brengen, ze kan bij mij achter op de fiets.’

Ik wil nee zeggen, maar dat doet Duncan al voor mij. ‘Je brengt haar niet met de fiets. Je rijdt als een bezetene.’

‘Ik heb een cursus veilig fietsen gevolgd.’

‘Bij Evel Knievel ja.’

Ik heb een huiselijke ruzie veroorzaakt. Duncan maakt een wegwuivend gebaar. ‘Ga maar, ik breng haar wel lopend. Ik hoop dat je vader er niet al te erg aan toe is.’

Een paar minuten later zit ik in een taxi, die vastzit in het verkeer aan Edgware Road, te luisteren naar bellers in een radioprogramma die klagen over Brexit, ‘nepnieuws’, immigranten en lage lonen. Ik ben de politiek en de actualiteiten helemaal zat. Ik wil niet op de hoogte worden gebracht door journalisten of geregeerd worden door politici van welke overtuiging ook. De democratie is mislukt. Laten we eens een goedaardige dictatuur proberen.

Ik heb hem lang geleden al de titel ‘Gods Persoonlijke Lijfarts’ gegeven, vanwege zijn onuitputtelijke energie en ongeëvenaarde geloof in zichzelf.
Mijn vader ligt in coma. Hij is dit jaar tachtig geworden en ik kan me niet herinneren dat hij ooit in het ziekenhuis is geweest, als patiënt dan. Ik heb hem lang geleden al de titel ‘Gods Persoonlijke Lijfarts’ gegeven, vanwege zijn onuitputtelijke energie en ongeëvenaarde geloof in zichzelf. Hij is ruim vijftig jaar een zeer vooraanstaand medicus geweest – professor in heelkunde en volksgezondheid. Hij was adviseur van diverse regeringen, oprichter van de International Trauma Research Unit, docent, schrijver, commentator en filantroop. De liefdadigheidsinstelling van onze familie – de O’Loughlin Foundation – verstrekt elk jaar miljoenen ponden aan onderzoeksbeurzen.

Ik heb pap twee weken geleden nog gezien, toen we twee oppervlakkige uurtjes in zijn club in Mayfair hebben geluncht. Ik weet niet meer waar we het over hadden. Niets belangrijks. Hij zag er goed uit. Gelukkig. Hij brengt het grootste deel van zijn tijd door op de boerderij in Wales, maar komt met regelmaat naar Londen voor besprekingen en lezingen.

De taxi arriveert bij het St. Mary’s en ik haast me langs een groepje verpleegkundigen en verzorgenden, die op de stoep staan te roken. De afdeling Traumachirurgie ligt op de negende verdieping. Als ik op de lift sta te wachten ruik ik die specifieke ziekenhuisgeur: ontsmettingsmiddel, boenwas en lichaamsvloeistoffen. Er borrelen herinneringen op, die mijn keel dichtsnoeren. Met moeite slik ik ze weg, ik proef braaksel.

Ik druk op een zoemer bij de ic. Er doet een verpleegkundige open, de zware deur maakt een zuigend geluid bij het naar binnen draaien, alsof ze een luchtsluis opent.

‘Mijn vader ligt hier. William O’Loughlin. Mijn moeder is bij hem.’ Haar glimlach is bemoedigend. Ik vraag me af hoe lang ze daarop geoefend heeft. ‘U moet eerst uw handen wassen,’ zegt ze, en ze brengt me naar een wasbak met antibacteriële zeep en een papieren handdoekdispenser. Ik loop achter haar aan door een lange, schemerige gang met bedden, van elkaar gescheiden door apparaten en gordijnen. In elke lichtkring ligt iemand die dicht bij de dood is, aan snoeren, met overal tape, er lopen vloeistoffen in en uit, iedereen wordt gehydrateerd en ontlast, zit onder de medicijnen en verdovingsmiddelen.

‘Hij ligt in het laatste bed,’ zegt de verpleegster. ‘Maak hem alstublieft niet wakker.’

Ik kom aarzelend dichterbij en vang de eerste glimp op van een gebroken man in een bed, die gevangenzit aan buisjes en snoeren.
Ik kom aarzelend dichterbij en vang de eerste glimp op van een gebroken man in een bed, die gevangenzit aan buisjes en snoeren. Zijn hoofd is flink omzwachteld. Zijn mond is bedekt met een zuurstofmasker. Er hangen infuuszakken boven zijn hoofd. Er zijn naalden in zijn aderen gestoken. Sensoren houden zijn vitale functies in de gaten.

Ik wil me omdraaien en zeggen: ‘Dit is mijn vader niet. Er is een fout gemaakt,’ maar ik weet dat het hem wel is.

Naast het bed zit een vrouw, deels in schaduwen gehuld. Ze kijkt op alsof ze geschrokken is, haar ogen zijn roodomrand en hebben donkere kringen door het slaapgebrek.

Ze laat mijn vaders hand los en staat op. ‘Joseph, toch?’

Ik knik.
‘Zo had ik me onze ontmoeting niet voorgesteld.’
‘Ik begrijp het niet. Waar is mijn moeder?’
‘Ze is er niet.’
‘Maar ze zeiden…’
‘Ik heb het ziekenhuis gevraagd om je te bellen.’
‘Het spijt me, maar wie bent u?’
‘Ik ben zijn andere vrouw.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief