leesfragment

‘De anderen’ van CJ Tudor

Als hij naar huis rijdt, ziet Gabe opeens het gezicht van een meisje achter het raam van een andere auto. Haar lippen vormen één woord: ‘Papa.’ Het is zijn vijfjarige dochter Izzy. Daarna ziet hij haar nooit meer.

De anderen is de aangrijpende derde thriller van CJ Tudor, de auteur van De Krijtman. Stephen King en Lee Child behoren tot Tudors grootste fans!

Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.

1

Maandag 11 april 2016
Op de M1 naar het noorden

Het eerste wat hem opviel aan de auto vóór hem waren de stickers. Ze zaten op het achterraam en op de bumper:

TOETER ALS JE GEIL BENT
DE WEG KWIJT? IK HEB OOK GEEN IDEE WAAR IK HEEN GA
IK KAN NIET RIJDEN, DUS IK VERTROUW OP GOD
MIJN TOETER IS KAPOT. IK GEBRUIK MIJN MIDDELVINGER

ECHTE MANNEN HOUDEN VAN JEZUS

Over gemengde signalen gesproken. Maar één ding was duidelijk: de bestuurder moest een lul zijn. Zo’n loser met zogenaamd grappige/scherpe/provocerende teksten op zijn T-shirts. Zo’n sukkel met een foto van een aap op het prikbord boven zijn werkplek. je hoeft niet gek te zijn om hier te werken, maar het helpt wel, stond er onder de aap, die zijn handen voor zijn ogen had geslagen.

Het verbaasde hem dat de bestuurder nog iets kon zien door het achterraam. Hoe dan ook, met zijn stickers zorgde hij wel voor leesvoer voor wie in de file stond. Een lange rij auto’s reed stapvoets langs de wegwerkzaamheden op de M1. Wegwerkzaamheden die voor zijn gevoel al in de vorige eeuw waren begonnen en die nog tot ver in het volgende millennium zouden duren.

Gabe trommelde zuchtend met zijn vingers op het stuur, alsof hij daarmee het tempo kon versnellen of de klok kon terugzetten. Hij was al bijna te laat. Bijna. Het kon nog. Het moest nog nét mogelijk zijn om op tijd thuis te komen. Maar hij had niet veel hoop meer. Sterker nog, de hoop had hem verlaten ergens ter hoogte van afslag 19, samen met de chauffeurs die de gok hadden gewaagd en hun navigatiesysteem hadden afgesteld op een route via provinciale wegen.

En hij was nog wel zo keurig op tijd vertrokken!
En hij was nog wel zo keurig op tijd vertrokken! Dat maakte het des te frustrerender. Hij had verwacht tegen halfzeven thuis te zijn, ruimschoots voor het avondeten en voordat Izzy naar bed ging. Want dat had hij Jenny beloofd. Hij had beloofd dat hij die avond op tijd thuis zou zijn. ‘Eén keer in de week. Dat lijkt me toch niet te veel gevraagd. Eén avond dat we samen eten. Eén avond dat je je dochter een verhaaltje voorleest voor het slapengaan. Eén avond dat we doen alsof we een normaal, gelukkig gezin zijn.’

Het had hem pijn gedaan. En dat was ook haar bedoeling geweest.

Hij had natuurlijk kunnen zeggen dat híj Izzy die ochtend naar school had geholpen, omdat Jenny met spoed naar een cliënt was vertrokken. Dat híj hun dochter had getroost en jodium op haar kinnetje had gedaan toen hun chagrijnige kat – het beest was komen aanlopen en Jenny had hem in huis genomen – Izzy had gekrabd.

Maar hij had er het zwijgen toe gedaan, in het besef dat die ene keer bij lange na niet opwoog tegen alle keren dat hij er níét was geweest, dat hij verstek had laten gaan. Jenny was niet onredelijk, maar ten aanzien van het gezinsleven hanteerde ze strikte regels. Wanneer je die overtrad, kon het heel lang duren voordat je weer in genade werd aangenomen.

Dat was een van de redenen waarom hij van haar hield: haar vurige toewijding aan hun dochter. De toewijding van zijn moeder had vooral voor de fles wodka gegolden, en zijn vader had hij nooit gekend. Gabe had gezworen dat hij het anders zou doen, dat hij er altijd voor zijn kleine meisje zou zijn.

En toch zou hij waarschijnlijk ook vandaag weer te laat thuiskomen. Voor de zoveelste keer. Want hij stond in de file. En Jenny zou het hem niet vergeven. Haar geduld was op. Gabe dacht er maar liever niet over na wat dat betekende.

Hij had geprobeerd haar te bellen, maar had haar voicemail gekregen. Inmiddels was de accu van zijn telefoon zo goed als leeg, en uitgerekend vandaag had hij zijn oplader niet bij zich. Dus er zat niets anders op dan geduld oefenen, ook al moest hij zich beheersen om geen plankgas te geven en de andere weggebruikers te dwingen voor hem opzij te gaan. Hij kon niets anders doen dan gefrustreerd met zijn vingers op het stuur trommelen en naar die vervloekte idioot vóór hem staren. Die lul met zijn stickers.

De meeste waren zo te zien al oud. Verkleurd. Gerimpeld. Trouwens, de auto was ook verre van nieuw. Een stokoude Ford Cortina of iets vergelijkbaars, gespoten in een kleur die in de jaren zeventig erg populair was geweest: modderig goud. Rottende banaan. Zonsondergang met smog. Stervende zon.

De gammele uitlaat stootte met onregelmatige tussenpozen de smerigste gassen uit. De bumper was pokdalig van de roest. Gabe kon geen plaatje met een merknaam onderscheiden. Dat was er waarschijnlijk allang afgevallen, samen met de halve nummerplaat. Er waren alleen nog een T en een N leesbaar, plus iets wat leek op een 6 of een 8. Hij fronste zijn wenkbrauwen. Was dat niet strafbaar? Trouwens, mocht die roestbak nog wel de weg op? Was de bestuurder wel verzekerd? Had hij wel een rijbewijs? Gabe besloot dat hij maar beter afstand kon bewaren.

Hij wilde net van baan veranderen toen er achter het raam van de roestbak een meisjesgezicht verscheen.
Hij wilde net van baan veranderen toen er achter het raam van de roestbak een meisjesgezicht verscheen, omlijst door de afbladderende stickers. Hij schatte haar op een jaar of vijf, misschien zes. Een rond gezichtje, roze wangen, twee blonde staartjes.

Ze had in een autostoeltje moeten zitten, met een gordel om, was zijn eerste gedachte. Zijn tweede was: Izzy!

Ze keek hem met grote ogen aan. Toen ze haar mond opendeed, zag hij dat ze middenvoor een tand miste. Die had hij in een papieren zakdoekje gewikkeld en onder haar kussen gelegd. Voor de tandenfee.

Hij zag haar lippen bewegen. Papa!

Toen verscheen er een hand die haar bij het raam vandaan trok. En weg was ze.

Hij staarde nog altijd ingespannen naar de achterruit, met nu alleen nog de stickers.

Izzy.

Dat kan helemaal niet!

Zijn dochter was thuis, bij haar moeder. Ze zat waarschijnlijk voor de televisie naar Disney Channel te kijken, terwijl Jenny met het eten bezig was. Het kon niet dat ze in een vreemde auto zat, zonder gordel, zonder autostoeltje.

De stickers benamen hem het zicht op de bestuurder. Boven TOETER ALS JE GEIL BENT kon hij nog net de bovenkant van zijn hoofd onderscheiden. Shit! Hij toeterde, puur uit frustratie. Knipperde met zijn lichten. De roestbak leek vaart te meerderen. Het einde van de wegwerkzaamheden kwam in zicht. De waarschuwingsborden met 50 mijl/u maakten plaats voor borden met de normale maximumsnelheid.

Izzy. Hij trapte het gaspedaal dieper in. Zijn gloednieuwe Range Rover schoot onder zijn kont vandaan. Maar de haveloze oude roestbak liep steeds verder op hem uit. Hij gaf nog meer gas. De snelheidsmeter kroop voorbij de zeventig, vijfenzeventig, vijfentachtig. Hij begon in te lopen, maar toen schoot de roestbak plotseling naar de middelste baan en passeerde diverse andere auto’s. Gabe volgde en sneed een vrachtwagen. Er klonk een hels en oorverdovend getoeter. Hij had het gevoel dat zijn hart zich dwars door zijn ribben een weg naar buiten baande, net als het gruwelijke schepsel in Alien.

De auto voor hem wisselde voortdurend – en levensgevaarlijk – van baan. Gabe werd ingesloten door een Ford Focus naast hem en een Toyota vóór hem. Shit! Hij keek in zijn buitenspiegel, schoot de langzame baan op en haalde de Toyota in. Op het moment dat hij terugzwenkte naar de middenbaan, werd hij op de buitenbaan ingehaald door een jeep, die op een haar na zijn motorkap miste. Gabe stond boven op zijn rem. De bestuurder van de jeep knipperde met zijn lichten en stak zijn middelvinger op.

‘Val dood! Lul!’

De roestbak reed inmiddels een paar auto’s voor hem en wisselde nog steeds voortdurend van baan, terwijl de achterlichten geleidelijk aan steeds verder uit het zicht raakten. Het ging te hard, het risico was te groot.

Het kón Izzy niet geweest zijn. Wat deed zijn Izzy in een oude roestbak op de snelweg?
Bovendien zei hij tegen zichzelf dat hij zich vergiste. Het kón Izzy niet geweest zijn. Wat deed zijn Izzy in een oude roestbak op de snelweg? Dat kon gewoon niet. Hij was moe. En gestrest. Het was donker. Het moest een ander klein meisje zijn geweest dat op Izzy leek. Een ander klein meisje met net zulke blonde staartjes. Een ander klein meisje dat ook een voortand miste. Een ander klein meisje dat hem ‘papa’ had genoemd.

In het licht van zijn koplampen doemde een bord op langs de kant van de weg. Hij naderde een tankstation. Daar kon hij stoppen en naar huis bellen, gewoon om zichzelf gerust te stellen. Anderzijds, hij was al laat. Misschien kon hij toch beter doorrijden. Maar wat maakten die paar minuten dan nog uit? Daar was de uitvoegstrook al. Wat zou hij doen? Doorrijden? Of stoppen? Doorrijden? Of stoppen? Izzy! Op het laatste moment gaf hij een ruk aan het stuur, en hij hobbelde, begeleid door luid getoeter achter zich, over de witte markeringslijnen de uitvoegstrook op.

 

Hij stopte zelden langs de snelweg. De tankstations en wegrestaurants vormden een deprimerende wereld, bevolkt door sombere figuren die liever ergens anders zouden zijn.

De zoektocht naar een telefooncel kostte hem enkele kostbare minuten. Uiteindelijk vond hij er een. Bij de wc’s. Vervolgens verspilde hij opnieuw een aantal minuten met zoeken naar muntgeld. Totdat bleek dat hij ook met een kaart kon betalen. Hij haalde zijn bankpas uit zijn portemonnee, stopte hem in de gleuf en belde naar huis. J

enny nam nooit meteen op. Ze was altijd druk, altijd bezig, doorgaans met Izzy. Soms wenste ze dat ze acht paar handen had, zei ze. Hij zou meer thuis moeten zijn, haar meer werk uit handen moeten nemen.

Er werd opgenomen. ‘Hallo,’ zei een vrouwenstem. Het was niet Jenny. Had hij het verkeerde nummer ingetoetst? Zo vaak belde hij niet met de vaste lijn. Hij keek op het schermpje van de telefoon. Daar stond het nummer van de vaste lijn. Dat wist hij zeker.

‘Hallo?’ klonk het opnieuw. ‘Spreek ik met meneer Forman?’

‘Dat klopt. En wie bent u?’

‘U spreekt met rechercheur Maddock.’

Wat deed een rechercheur in zijn huis? En waarom nam ze de telefoon op?

‘Waar bent u, meneer Forman?’

‘U moet zo snel mogelijk naar huis komen, meneer Forman.’
‘Op de M1. Ik ben op weg naar huis, maar ik bel vanuit een tankstation.’

Hij struikelde bijna over zijn woorden, alsof hij een slecht geweten had. En dat had hij ook. Om meer dan één reden.

‘U moet zo snel mogelijk naar huis komen, meneer Forman.’

‘Waarom? Wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd?’

De stilte die volgde, voelde beladen, verstikkend, oorverdovend, juist door wat er níét werd gezegd. Maar wat het ook was dat onuitgesproken bleef, hij wist dat het zijn leven kapot zou maken.

‘Het gaat om uw vrouw… en uw dochter.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief