leesfragment

‘De appel en het paradijs’ van Sonja Barend

0

Als programmamaker mocht Sonja Barend alles maken wat ze wilde. Het gaf haar de mogelijkheid zich te bemoeien met wat er om haar heen gebeurde. Nu de wereld om haar heen tot stilstand is gekomen komt het terug, de wil zich uit te spreken, haar gedachten over de wereld om haar heen te formuleren. En dat doet ze nu in De appel en het paradijs, haar nieuwste boek.

Of het nu gaat over racisme, politiek, opvoeding, of het milieu, geen onderwerp ontkomt aan de pen van Sonja Barend. Lees hier alvast de eerste pagina’s.


Hoe kijk jij naar de wereld om je heen?

Schrijf het eens op, zei de uitgever.

Toen ik nog televisieprogramma’s maakte was die wereld onbeperkt.

Het genoegen antwoord te krijgen op al je vragen, je mening te toetsen aan die van een ander, het feest van de discussie en dat te kunnen delen met een groot publiek.

Die ‘wereld’ heb ik niet meer, hij werd een ‘stad’, een ‘dorp’ of nog iets kleiner, geliefden, familie, vrienden, de mensen om je heen.

Op de dag dat ik mijn vulpen vulde om te schrijven, een nieuwe blocnote openvouwde, moest de voordeur dicht, we mochten er niet meer uit en niemand mocht erin.

Mijn wereld werd de huiskamer met – goddank – één gesprekspartner.

Hier in huis gaat alles goed. Hardop zeggen dat ik daarvan geniet durf ik nog steeds nauwelijks. Doodstille gracht zie ik door de iepenbloesem. Twee bedelende zwanen dobberen langs de woonboten. Ramen gaan open, restjes brood naar buiten. Ik hoor ze happen. Eén enkele fiets: een pizzakoerier om kwart over acht in de ochtend. In New York bouwen ze appartementen zonder keuken. Als we onze ogen opendoen is de krant er, vol onderwerpen om je druk over te maken en tegen de tijd dat je hem uit hebt is de avondkrant binnen. Waarom wordt er meteen al gesproken over een ‘coronageneratie’? Met de ‘oorlogsgeneratie’ in mijn omgeving, die nauwelijks een halve lagere school kon doen in die tijd, liep het – als ze het overleefden – toch nog goed af.

Kwesties en problemen lijken regelmatig op een variant van die van jaren geleden. Ze zijn niet nieuw maar anders. Een splinternieuw probleem overvalt ons, dat alle mensen met ervaring, en een paar miljoen zonder, proberen op te lossen. Ik ben verbaasd dat ze niet sneller worden opgelost door mensen met ervaring, die, net als wij, vrijwel alles al eerder hebben meegemaakt en kunnen putten uit de kennis die ze toen hebben opgedaan. Echte optimisten denken dat de nieuwe zachtheid de toekomst is, maar toen begin dit jaar het huisje met hangbuikzwijntjes in brand werd gestoken met de aandoenlijk lelijke varkentjes die een pijl dwars door hun kop werd geramd, verdwenen al mijn illusies.

Voor de somberheid toeslaat over de middelvingers die zo gauw we allemaal naar buiten mogen weer omhoog zullen gaan, remt achter onze stadstuin piepend een fiets met mijn oude VARA-collega Riza. Tussen zijn snelbinders een bos van de mooiste roze pioenrozen. Door het hek krijg ik ze met een kus die door de lucht vliegt.

De buurman die ooit een succesvol middel tegen mond-en-klauwzeer ontwikkelde bracht ons een flesje vol wondermiddel om het verdund dagelijks in huis te spuiten. ‘In de vier hoeken van de plafonds, dat werkt het beste.’ Dat het niet alleen tegen mond-enklauwzeer werkt, daarvan is hij overtuigd. ‘Ik wil natuurlijk graag mijzelf redden maar ook mijn aardige buren behouden. Het vanuit de lucht over heel Nederland laten spuiten is nog beter. Misschien weten jullie iemand die daar de verantwoordelijkheid voor wil nemen?’

Alle buren doen boodschappen, de kinderen bellen elke dag en kopen lekkerder koekjes bij de banketbakker dan wijzelf bij de supermarkt bestellen, voorzien ons van versgebakken appeltaart en blauwe bloemen waar ik zo van hou.

Niet te stillen knuffelbehoefte, als de appel in het paradijs. Ervan eten vond ik al stom toen ik zes was.

Al maandenlang laten we elkaar eenmaal per dag uit, stappen in de auto, rijden naar een park en lopen een eindje. Het is een klein en stil park. De paden zijn smal. Als er twee wandelaars arm in arm van de andere kant komen, gaan wij achter elkaar lopen om ze te laten passeren. We zijn een grote familie geworden met hetzelfde probleem.

Anderhalve meter ruimte halen we net.

Ik draai mijn hoofd om, houd mijn adem in en kijk naar de duizenden bloeiende wilde anemonen en lichtgele primula’s naast het pad onder de uitlopende struiken en de dunne bibberige berken. Die weten van niets, groeien en bloeien gewoon door. Net als de vogels, de eenden die we zien en de prachtige goudkleurige fazant. Een roodbruin eekhoorntje rent razendsnel hoog de boom in en vliegt met geweldige sprongen door de lucht naar de volgende.

Na een uur moeten we terug naar onze gevangenis, voor onbepaalde tijd. Tot we morgen weer een uurtje mogen luchten. Erg is dat niet, het is aangenaam in onze ruime cellen, smaakvol, warm, vol boeken, kunst aan de muur en laptop, radio, televisie, iPad en telefoon binnen handbereik. Precies waar ik naar verlangde toen ik ophield met werken: tijd om in te vullen met de wensen van dat moment. Alle afspraken in de agenda werden afgezegd. Hij staat al vol strepen, en is bijna helemaal leeg.

Wij zitten apart. Man neuriet als hij werkt en tikt graag met zijn vingers op het tafelblad. Ik kan niks bij wat voor geluid dan ook. De wetenschap dat je elkaar op elk gewenst moment kunt zien heet geluk. De online bestelde boodschappen worden in kratten buitengezet bij de supermarkt. De kinderen, die niet willen dat we ons tussen de mensen begeven, halen ze voor ons op. Wat via de post komt wordt op anderhalve meter op de stoep gezet. ‘Ik set wel even een parafie Son, dan ken jij het so oppakke.’

Op de gracht blijft het stil. Ik kijk. Overweldigende schoonheid. Ik kan altijd blijven kijken, al moet ik hier nog een jaar gedwongen zitten. Alleen de enorme rode bouwkranen zie ik bewegen, omdat ze boven de historische huizen aan de overkant uitsteken.

Een elegante dans in slow motion. Ik denk aan The Lost Language of Cranes van David Leavitt, dat ik zeker dertig jaar geleden las. Het enige wat een verwaarloosd klein kind uit het raam van zijn slaapkamer kon zien was de beweging van de bouwkranen. Het was toen hij ouder werd de enige manier om de buitenwereld iets duidelijk te maken. Tegelijkertijd komt de vuilnisauto langs. Twee mannen in oranje pakken rennen erachteraan, bukken zonder hun vaart af te remmen, grijpen zakken en dozen en gooien ze zonder te missen in de rijdende auto die al meters verder is. Atleten in topvorm.

Twee duiven zitten onbeweeglijk in de iep voor ons huis. Na een tijdje komt nummer drie. Ze kunnen zo uren voor zich uit zitten dromen. Als twee van de drie een echtpaar zijn, dan zijn ze totaal op elkaar uitgekeken. Geen geluidje kan eraf, geen stapje komen ze dichter bij elkaar. Geen enkele neiging in de zon tussen de ontluikende blaadjes de liefde te bedrijven. Nummer drie doet niets. Jaagt niet op de vrouw of de man van het echtpaar. Hij neemt plaats op een meter afstand en toont geen enkele interesse. Ze zijn niet van elkaar te onderscheiden in hun saaie grijze verenjas. Urenlang zitten ze en doen ze niets behalve poepen op het linnen dak van de prachtige Porsche van de buurman, terwijl ze zo naar Zuid-Frankrijk kunnen vliegen als ze willen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief