leesfragment

‘De Das’ van Fredrik Persson Winter

0

Elk jaar, in de nacht van 5 op 6 november, slaat hij toe, de Das. Een seriemoordenaar die inbreekt in de kelder van het huis van zijn prooi.

Op een dag vindt uitgever Annika Granlund een met modder besmeurd manuscript: de morbide biografie van deze moordenaar. Ze besluit het uit te geven, maar kan niet voorzien wat voor desastreuze gevolgen dat kan hebben…

Lees hier de eerste hoofstukken van het thrillerdebuut van Fredrik Persson Winter: De Das.

Zaterdag 6 november

Cecilia Wreede liep voorzichtig over de vloer van de kelder om geen sporen te contamineren. De vloer was bepoederd met pleisterkalk die van het plafond en de muren was neergedwarreld. Her en der stonden gele markeercijfers tussen hoopjes vochtige aarde, als sandwichborden in poppenformaat.

Ooit moest dit een knusse haardkamer zijn geweest. Nu rook het er naar schimmel en was het vocht door de muren heen gedrongen, zodat het behang onderaan in brede banen was opgekruld. Het gestucte beton erachter zat vol barsten en grillige gaten.

De bank was het enige meubelstuk dat nog enigszins intact genoemd kon worden, maar ook die was lelijk toegetakeld. De kussens waren met messen bewerkt en de vulling puilde uit de scheuren in het leer. De salontafel was aan stukken geslagen, net zoals de tv en de leunstoel voor de schouw. Het glazen luik van de kachel was verbrijzeld. De betegelde vloer lag bezaaid met as en stukjes verkoold hout. De tegels waren gebarsten en hier en daar was de vloer opengebroken, zodat het beton eronder te zien was. Tussen de as en de aarde glommen groene scherven van gebroken wijnflessen en stukjes veiligheidsglas van het kachelluik.

Dwars door de chaos van aarde en puin liep een bloedspoor. Iemand had een lichaam van de haardkamer naar de keldergang gesleept.

‘Waar is het?’ vroeg Cecilia verbeten, terwijl ze het bloedspoor volgde met haar blik. De aanblik van bloed bracht haar allang niet meer van haar stuk. Toch bezorgde dit roodbruine spoor haar een onaangenaam gevoel. Ze wist wat haar te wachten stond.

‘Waar het altijd is,’ antwoordde Jonas Andrén, haar naaste collega. Er klonk geritsel toen hij naar de kelder wees. Cecilia vond hem net een reusachtige baby in zijn witte plastic pak. Zijn bril stak onder de capuchon uit die zijn haar bedekte. Zij zag er ongetwijfeld net zo belachelijk uit. ‘In de kelderopslag. Kom, dan laat ik het zien.’

Cecilia knikte en liep voorzichtig achter Jonas aan naar de stookruimte, waarbij ze goed oppaste dat ze niet in de bloedsporen stapte. In het felle licht uit een deuropening zag ze nog meer aarde en gele bordjes die modderige voetsporen markeerden.

‘Let goed op waar je je voeten neerzet daarbinnen,’ zei Jonas. ‘Het forensisch team heeft nog geen monsters van het bloed genomen. Al weten we vrijwel zeker van wie het is. Linda Sandström, gescheiden moeder van twee kinderen. Heeft dit huis een paar jaar geleden gekocht en liet een nieuw drainagesysteem aanleggen.’

Cecilia knikte. ‘Zoals alle slachtoffers voor haar. Ik moest zowat naar binnen klimmen toen ik aankwam. De hele tuin ligt open.’

De kelder baadde in het felle licht van meerdere bouwlampen. Het verblindde Cecilia en weerkaatste tegen Jonas’ plastic pak. Cecilia knipperde een paar keer met haar ogen om aan het licht te wennen terwijl ze zich voorbereidde. Ze had dit nu al zo vaak meegemaakt dat het routine zou moeten zijn. Toch voelde ze hoe haar hart sneller begon te kloppen en het maagzuur naar haar keel steeg. Ze had zoveel slachtoffers van moord gezien, in zulke onnatuurlijke houdingen, dat ze niet snel meer schrok. Maar met wat ze nu zag wist ze zich geen raad, hoe vaak ze er ook mee geconfronteerd werd. Er was geen lichaam. En de afwezigheid van een bloederig slachtoffer was erger dan het alternatief.

Midden in de ruimte was de vloer van onderaf opengebroken. Rond het gat lagen grote hopen aarde, stukken beton en tegelscherven. Wormen en zwarte insecten krioelden door elkaar. Het bloedspoor verdween over de rand. Cecilia ging op haar hurken naast het gat zitten. Het was groot genoeg voor een mens. De duisternis staarde terug toen ze in de smalle tunnel onder de grond keek. Het duizelde haar en ze zocht steun bij de vloer om haar evenwicht niet te verliezen.

Ze kon dit niet uitstaan. Ze kon het niet uitstaan dat er geen lichaam was. Ze kon het niet uitstaan dat ze niets had om op af te gaan, ook deze keer niet. Het leek wel of er op dit hele onderzoek een vloek rustte.

Cecilia schudde haar hoofd. ‘Verdomme.’

‘Had je dan iets anders verwacht?’

‘Nee,’ zei ze, en ze stond op. ‘Maar ik had het wel gehoopt.’

‘Wat dan?’

‘Weet ik veel, een gewone moord bijvoorbeeld?’

Jonas moest lachen. ‘Het is 6 november, Cissi. Je weet wat dat betekent.’

Cecilia knikte. ‘Ja, ik weet het. Iedereen weet het. Ik ben het alleen zo spuugzat.’ Ze keek radeloos om zich heen. De kelderruimte stond vol opgestapelde verhuisdozen. Tegen een van de muren stond een stellingkast, die uitpuilde van de barbiepoppen in de ongeopende, originele verpakking.

‘Vroeg of laat krijgen we hem te pakken,’ zei Jonas.

‘Dat weet ik zo net nog niet.’ Cecilia huiverde. Hadden die poppen maar kunnen spreken, dacht ze. Ze hield niet van barbies. Hun geschilderde ogen staarden haar beschuldigend aan. Ze keek weer in het gat en schudde haar hoofd, waarna ze zich omdraaide en de kelder verliet. ‘Ik ga. Jullie redden het verder zelf wel.

‘Waar ga je naartoe?’ vroeg Jonas.

‘Wat denk je? Naar het bureau. Iemand moet de media vertellen dat de Das weer heeft toegeslagen.

AKTE 1 – HET MANUSCRIPT

1

Ik ben de Das. Dit is mijn verhaal.
Als je het hebt gelezen, zul je misschien anders
over me denken, maar dat verandert niets.

Zondag 7 november

‘Hier wil ik niet wonen.’

Annika Granlund glimlachte met haar hele gezicht terwijl ze de woorden in Martin Granlunds oor fluisterde.

Martin schrok op. ‘Waarom niet?’ Hij keek om zich heen of geen van de anderen bij de huisbezichtiging hen had gehoord.

Annika’s lichtbruine ogen straalden alsof ze dolgelukkig was. ‘Hou op, dat weet je best.’ Haar blijdschap was een façade, niemand mocht merken dat er iets mis was.

‘Nee, vertel.’ Voor het raam van de woonkamer ruiste de wind in een berk die midden op het gazon stond. Gele blaadjes dwarrelden neer op het hoge gras. ‘Want als het aan de badkamer ligt: die kunnen we opnieuw betegelen.’

‘Het ligt niet aan de tegels,’ zei Annika lachend.

Ze sloeg haar arm om Martin heen en voerde haar man met zachte dwang de woonkamer uit, die identiek was aan alle andere woonkamers die ze de afgelopen maanden hadden gezien. Ze bevond zich niet in een huis, maar in een makelaarsadvertentie. Of hoogstens in iemands droombeeld van het ideale huis. Pas geschilderde witte muren. Gebroken wit natuurlijk, niet krijtwit. Trendy meubels, een zee van kussens op de bank en hier en daar trefzekere maar raadselachtige prullen. Annika zou zweren dat ze de ingelijste afbeeldingen ook tijdens andere huisbezichtigingen had gezien. Ze herkende de barst in het glas voor een ervan.

‘Wat is het nu dan weer?’ vroeg Martin licht geïrriteerd. ‘Ik bedoel, de locatie is goed. De tuin is makkelijk te onderhouden, zoals we allebei graag willen. We kunnen het betalen, zolang de biedingen binnen de perken blijven.’

Annika gebaarde met haar hoofd naar de trap die naar de kelder leidde. Beneden klonken gedempte stemmen van een ander stel dat overlegde in de haardkamer. Het gefluister dat opsteeg uit het trapgat bezorgde haar koude rillingen langs haar ruggengraat.

Martin keek haar schuin aan. ‘Dat meen je niet.’

Annika glimlachte met samengeknepen lippen en knikte. ‘Jawel. Ik wil niet in een huis met een kelder wonen. Dat heb ik toch gezegd?’

Martin zuchtte. ‘Ik dacht dat je het misschien toch een mooi huis zou vinden. Je kunt niet categorisch alles met een kelder afwijzen.’

‘Dat kan ik zeker wel, lieverd. Er zijn genoeg huizen zonder kelder. Waarom gaan we daar niet kijken?’

Martin haalde zijn schouders op. ‘Oké, ik geef het op. Kelder of niet, als jij hier niet wilt wonen, wil ik het ook niet.’

Annika keek in zijn helderblauwe ogen. Ze legde een hand tegen zijn wang. Haar trouwring glansde mat tegen zijn rossige baardje. ‘Dank je, lieverd. Zullen we gaan?’

Hij glimlachte, maar Annika zag hoe hij vocht tegen zijn teleurstelling. ‘Oké.’

Het grind op het pad van de voordeur naar het hek knerpte onder hun schoenen toen ze naar de auto liepen.

‘Ik begrijp best dat je me lastig vindt,’ zei Annika, en ze gaf een schop tegen een dennenappel die van de conifeer van de buren was gevallen. ‘Maar bekijk het eens van de praktische kant. Weet je wel hoeveel gedoe zo’n kelder is?’

‘Ja, dat heb je gezegd. Vochtproblemen, drainage die vervangen moet worden. Schimmel. Maar weet je, er zijn ook voordelen.’

‘O ja?’ zei Annika met een schuine blik naar Martin. ‘Noem er één.’

‘Een hobbykamer?’

‘Voor welke hobby? Je zit alleen maar achter je computer.’

‘Een fitnessruimte?’

Annika moest lachen. Martin ook. Hij haalde de auto van het slot en ze stapten in.

‘Een sauna?’

‘Dat klinkt al beter.’

‘Zie je wel?’

‘Ik ben nog steeds niet overtuigd.’

‘Een speelkamer voor de kinderen?’

Annika voelde een steek in haar borst. Ze wendde haar blik af en keek door het zijraampje van de auto naar buiten. Daar stond het, een rechthoekig huis van roodbruine baksteen uit 1974, omgeven door een gazon, berken en een kleine den. Om de hoek was een stukje van een grijze functionalistische villa te zien, met eternieten muren achter een haag van knoestige struiken.

Martin boog zich naar haar toe. ‘En als ze ouder zijn, kunnen ze in de kelder films kijken terwijl wij vrienden op bezoek hebben in de woonkamer.’

Ze slikte. ‘Ja.’

Een van de andere stellen van de bezichtiging kwam naar buiten. De vrouw hield haar opbollende buik vast. De man wees iets aan in de brochure die de makelaar had uitgedeeld. Annika’s hand kopieerde onwillekeurig de beweging van de vrouw en ze streelde haar buik door haar rode jas heen. Een golf van verlangen trok door haar lichaam. Ze waren het nu al een tijdje aan het proberen.

‘Eén ding is in elk geval zeker,’ zei Annika, terwijl ze haar hoofd weer naar Martin draaide. ‘In ons appartement kunnen we geen kind opvoeden.’

‘Hier zouden we genoeg ruimte hebben voor minstens drie kinderen.’

Annika schudde haar hoofd. Ze keek Martin strak aan. ‘Twee. In een ander huis. Zonder kelder. Kunnen we nu eindelijk gaan?

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief