leesfragment

‘De denkbeeldige vriend’ van Stephen Chbosky

Christopher is zeven. Christopher is de nieuweling. Christopher heeft een denkbeeldige vriend.

Alleenstaande moeder Kate Reese is op de vlucht. Vastbesloten om het leven voor haar en haar zoon te verbeteren, ontsnapt ze midden in de nacht samen met Christopher aan een gewelddadige relatie. Samen belanden ze in de hechte gemeenschap van Mill Grove, Pennsylvania, ver van de bewoonde wereld. Het lijkt de ideale plek om tot rust te komen. Maar dan verdwijnt Christopher. Zes dagen lang kan niemand hem vinden. Totdat Christopher tevoorschijn komt uit het bos, ongedeerd maar niet onveranderd.
Hij keert terug met een stem in zijn hoofd, met een missie die alleen hij kan volbrengen: hij moet voor kerst een boomhut in het bos bouwen, anders zullen zijn moeder en alle anderen in het dorp nooit meer hetzelfde zijn.
Algauw raken Kate en Christopher verzeild in het gevecht van hun leven — een strijd tussen goed en kwaad, met hun dorp als het strijdtoneel.

Verslind hier alvast de eerste pagina’s van De denkbeeldige vriend van Stephen Chbosky!

Vijftig jaar eerder

Ga niet van de straat af. Ze kunnen je niet pakken als je niet van de straat af gaat.
Kleine David Olson wist dat hij in de problemen zat. Zodra zijn moeder terug was met papa, zou hij ervan langs krijgen. Zijn enige hoop was het kussen dat hij onder zijn deken gepropt had zodat het leek of hij nog in bed lag. Dat deden ze op tv ook. Maar dat maakte nu allemaal niet meer uit. Hij was stiekem uit zijn slaapkamer geglipt en langs de klimop omlaaggeklommen, waarbij hij was uitgegleden en zijn voet had bezeerd. Maar het was niet zo erg. Niet zoals bij zijn oudere broer, die voetbalde. Dit was niet zo erg.
Kleine David Olson strompelde over Hays Road. De nevel in zijn gezicht. De mist die op de heuvel neerdaalde. Hij keek omhoog naar de maan. Die was vol. De tweede avond op rij dat hij vol was. Een blauwe maan. Dat had hij van zijn grote broer. Net als in dat liedje waar papa en mama soms op hadden gedanst. Toen ze nog gelukkig waren. Voordat David hen bang had gemaakt.
Blue Moon.
I saw you standing alone.
Kleine David Olson hoorde iets in de bosjes. Heel even dacht hij dat het weer zo’n droom was. Maar dat was niet zo. Hij wist dat het niet zo was. Hij dwong zichzelf wakker te blijven. Zelfs met die hoofdpijn van hem. Hij moest er vanavond heen.
Er reed een auto langs, zodat de mist in het licht van de koplampen baadde. Kleine David Olson verstopte zich achter een brievenbus. Er stroomde rock-’n-roll uit de oude Ford Mustang, en een paar van de tieners lachten. Er werden een heleboel jongeren opgeroepen voor het leger, en dronken achter het stuur zitten kwam steeds vaker voor. Dat zei zijn vader in elk geval.

Het zat zeker in zijn hoofd. Dat was prima. Dan was het tenminste niet de sissende dame
‘David?’ fluisterde een stem. Sisterde. Sisss.
Zei iemand dat echt? Of hoorde hij het alleen maar?
‘Wie is daar?’ vroeg David.
Stilte.
Het zat zeker in zijn hoofd. Dat was prima. Dan was het tenminste niet de sissende dame. Dan droomde hij tenminste niet.
Of toch wel?
David keek naar de straathoek onder aan de heuvel, met de grote straatlantaarn op Monterey Drive. De tieners reden erlangs en namen al het geluid met hen mee. Op dat moment zag David iemands schaduw. Een figuur stond midden in de poel van licht. Wachtend en fluitend. Fluitend en wachtend. Een liedje dat een beetje leek op…
‘Blue Moon’.
Davids nekharen gingen rechtovereind staan.
Ga niet naar die hoek.
Blijf bij die figuur vandaan.
Kleine David Olson besloot toch een stuk af te snijden via de tuinen.
Hij liep op zijn tenen naar een oud hek. Laat ze je niet horen. Of zien. Je bent van de straat af gegaan. Het is gevaarlijk. Hij keek omhoog naar een raam waarachter een babysitter met haar vriendje zat te flikflooien terwijl de baby huilde. Maar het klonk als een kat. Hij was er nog steeds van overtuigd dat hij niet droomde, maar het werd steeds lastiger om dat met zekerheid te zeggen. Hij klom onder het hek door, en het natte gras maakte vlekken op zijn pyjamabroek. Hij wist dat hij die niet voor zijn moeder kon verbergen. Hij zou hem zelf moeten wassen. Ook omdat hij weer in zijn bed plaste. Hij waste de lakens elke ochtend. Hij kon het niet tegen zijn moeder zeggen. Ze zou vragen stellen. Vragen die hij niet kon beantwoorden.
Niet hardop.
Hij sloop door de bosjes achter het huis van de familie Maruca. Langs de schommel die meneer Maruca had gebouwd met zijn zoons. Na een dag hard werken wachtten er altijd twee Oreo’s en een glas melk. Kleine David Olson had een paar keer meegeholpen. Hij was dol op die Oreo’s. Vooral als ze een beetje zacht en oud waren.
‘David?’
De fluistering klonk nu harder. Hij keek achterom. Er was niemand in de buurt. Hij gluurde weer langs de huizen naar de straatlantaarn. De schimmige gestalte was weg. Die persoon kon overal zijn. Hij kon wel vlak achter hem staan. O, laat het alsjeblieft niet de sissende dame zijn. Laat het alsjeblieft niet zo zijn dat ik slaap.
Krak.
O, laat het alsjeblieft niet de sissende dame zijn.
Het takje knapte achter hem. Kleine David Olson vergat zijn zere voet en begon te rennen. Hij holde over het gazon van de Pruzans naar Carmell Drive en sloeg links af. Hij hoorde honden hijgen. Dichterbij komen. Maar het waren geen honden. Het waren alleen geluiden. Net als in die dromen. Net als de huilende kattenbaby. Ze renden achter hem aan. Dus rende hij sneller. Zijn laarsjes stampten op de natte straat. Smak smak smak, als een kus van oma.
Toen hij eindelijk bij de hoek van Monterey Drive was, sloeg hij rechts af. Hij rende midden op straat. Als een vlot op een rivier. Ga niet van de straat af. Ze kunnen je niet pakken als je op de straat loopt. Hij hoorde de geluiden aan weerskanten. Kleine sisgeluidjes. En hijgende honden. Gelik. En babykatten. En die fluisteringen.
‘David? Ga van de straat af. Straks raak je nog gewond. Kom naar het gras, waar het veilig is.’
De stem was van de sissende dame. Hij wist het. Ze had eerst altijd een aardige stem. Als een invaljuf die te hard haar best deed. Maar als je naar haar keek, was ze niet aardig meer. Ze veranderde in tanden en een sissende mond. Erger dan de boze heks. Erger dan wat dan ook. Vier poten, als een hond. Of een lange nek, als een giraf. Ssssss. ‘David? Je moeder heeft haar voeten bezeerd. Ze liggen helemaal open. Kom me helpen.’ De sissende dame gebruikte nu zijn moeders stem. Niet eerlijk. Maar dat deed ze. Ze kon er zelfs zo uitzien als zij. De eerste keer had het gewerkt. Toen ging hij naar haar toe, op het gras. En ze pakte hem. Daarna had hij twee dagen niet geslapen. Die keer dat ze hem naar het huis met de kelder bracht. En die oven.
‘Help je moeder, klein rotjoch.’ Zijn oma’s stem, nu. Maar niet zijn oma. David voelde de witte tanden van de sissende dame. Kijk er niet naar. Blijf voor je kijken. Blijf rennen. Ga naar het einde van de straat. Je kunt haar voor altijd laten verdwijnen. Ga naar de laatste straatlantaarn.
‘Sssssss.’
David Olson keek vooruit, naar de laatste straatlantaarn in de doodlopende straat. En toen bleef hij staan.
De schimmige gestalte was terug.
De figuur stond midden in de poel van licht. Wachtend en fluitend. Fluitend en wachtend. Droom of geen droom, dit was erg. Maar David kon nu niet blijven staan. Het kwam nu allemaal op hem aan. Hij moest voorbij die straatlantaarnfiguur om bij de ontmoetingsplek te komen.
‘Siiiisssss.’
Het kwam nu allemaal op hem aan.
De sissende dame was dichterbij. Achter hem. Opeens had David Olson het koud. Zijn pyjama was vochtig. Ondanks zijn jas. Gewoon blijven lopen. Dat was alles wat hij kon doen. Net zo dapper zijn als zijn grote broer. Zo dapper als de tieners die in militaire dienst moesten. Dapper zijn en doorlopen. Eén stapje. Twee stapjes.
‘Hallo?’ zei kleine David Olson.
De figuur zei niets. De figuur verroerde zich niet. Ademde alleen in en uit, en zijn adem maakte…
Wolkjes.
‘Hallo? Wie ben je?’ vroeg David.
Stilte. De wereld hield zijn adem in. Kleine David Olson stak een teen in de poel van licht. De figuur bewoog.
‘Sorry, maar ik moet erlangs. Is dat goed?’
Opnieuw was er stilte. David liet zijn teen verder het licht in glijden. De figuur begon zich om te draaien. David overwoog om terug naar huis te gaan, maar hij moest het afmaken. Dit was de enige manier om haar te laten ophouden. De figuur draaide zich weer een stukje om. Een standbeeld dat ontwaakte. Zijn hele been. Nog een draaiing. Ten slotte kon David er niet meer tegen, en hij stapte in het licht. De figuur rende naar hem toe. Kreunend. Met uitgestrekte arm. David rende door de kring heen. De figuur achter hem aan. Likkend. Gillend. David voelde de lange nagels naderen, en net toen ze bijna zijn haar vastgrepen, liet David zich over de harde straat glijden, net als bij honkbal. Hij haalde zijn knie open, maar dat gaf niks. Hij was uit het licht. De figuur hield op met bewegen. David was aan het eind van de straat, waar je de blokhut had en het pasgetrouwde stel.
Kleine David Olson keek naar de kant van de weg. De nacht was stil. Een paar krekels. Een restje nevel boven het pad naar de bomen. David was doodsbang, maar hij kon niet ophouden. Het was allemaal aan hem. Hij moest het afmaken, anders zou de sissende dame tevoorschijn komen. En zijn grote broer zou als eerste sterven.
Kleine David Olson ging van de straat af en begon te lopen.
Langs het hek.
Door het veld.
En naar het bos van Mission Street.

Heden

1

Droom ik?

Dat was een van de fijne dagen.
Dat dacht het jongetje toen de oude Ford-stationcar een verkeersdrempel raakte en hem wakker bonkte. Het voelde net als wanneer hij lekker in bed lag maar ineens heel nodig naar de wc moest. Hij kneep zijn ogen toe tegen de zon en keek uit over de tolweg van Ohio. De damp van de augustushitte kwam ervanaf, als golven in het zwembad waar zijn moeder hem mee naartoe nam wanneer ze had gespaard door een tijdlang de lunch over te slaan. ‘Ik ben bijna anderhalve kilo afgevallen,’ had ze met een knipoog gezegd. Dat was een van de fijne dagen.
Hij wreef in zijn vermoeide ogen en ging rechtop zitten op de passagiersstoel. Hij vond het heerlijk om op de voorbank te zitten als zijn moeder reed. Hij had dan het gevoel dat hij bij een club hoorde. Een speciale club van hem en een coole magere dame. Hij keek naar haar. Ze werd omrand door het vroege zonlicht. Haar huid plakte aan de warme vinylzitting. De schouders die uit haar haltertop staken waren rood, maar haar huid was bleek onder de bandjes. Met haar sigaret in haar ene hand zag ze er glamoureus uit. Als een oude filmster uit zo’n film die ze samen keken op vrijdagavond. Hij vond het geweldig dat er rode lipstick op het uiteinde van haar sigaret zat. De juffen in Denver beweerden dat sigaretten slecht voor je waren. Toen hij dat tegen zijn moeder had gezegd, grapte ze dat juffen slecht voor je waren, en ze bleef roken.
‘Eigenlijk zijn juffen heel belangrijk, dus vergeet maar dat ik dat heb gezegd,’ zei ze.
‘Oké,’ zei hij.
Hij keek hoe ze haar sigaret uitdrukte en meteen een nieuwe opstak. Dat deed ze alleen als ze zich zorgen maakte. Ze maakte zich altijd zorgen als ze verhuisden. Misschien zou het deze keer anders zijn. Dat zei ze altijd sinds papa dood was. Deze keer wordt het anders. Ook al was dat nooit zo.
En deze keer waren ze op de vlucht.
Ze nam een trekje, en de rook kringelde omhoog langs de druppeltjes augustuszweet op haar bovenlip. Ze tuurde over het stuur heen, diep in gedachten verzonken. Het duurde een volle minuut voordat ze in de gaten had dat hij wakker was. En toen glimlachte ze.
‘Is het geen fantastische ochtend?’ fluisterde ze.
De jongen gaf helemaal niks om ochtenden. Maar zijn moeder wel. Dus hij ook. ‘Ja, mam. Zeg dat wel.’
Hij noemde haar nu altijd ‘mam’. Ze had drie jaar eerder gezegd dat hij haar geen ‘mama’ meer moest noemen. Ze zei dat hij dan klein leek, en ze wilde niet dat haar zoon klein was. Soms zei ze dat hij zijn spierballen moest laten zien. Dan zette hij kracht op zijn magere armpjes tot zijn bicepsen niet meer plat leken. Net zo sterk als zijn vader op die foto met kerst. De enige foto die hij had.
‘Heb je veel honger, kanjer?’ vroeg ze.
De jongen knikte.
‘Er is een parkeerplaats op de tolweg, net voorbij de staatsgrens. Ik weet zeker dat daar ook een wegrestaurant zit.’
Nu maakte het jongetje zich zorgen.
‘Hebben ze daar ook pannenkoeken met stukjes chocola?’ De jongen herinnerde zich de chocoladepannenkoeken in Portland. Dat was twee jaar geleden. Er zat een eetcafé onder hun flat in de stad. En de kok maakte altijd pannenkoeken met stukjes chocola voor hem. Daarna waren ze in Denver en Michigan geweest. Maar hij was die pannenkoeken en de aardige man die ze maakte nooit vergeten. Tot hij hem leerde kennen, had hij niet geweten dat er naast zijn vader nog andere aardige mannen waren.
‘Als dat niet zo is, dan kopen we wat M&M’s en gooien we die tussen de stapel. Oké?’
Nu maakte het jongetje zich zorgen. Dat had hij haar nog nooit horen zeggen. Zelfs niet als ze verhuisden. Ze voelde zich altijd schuldig als ze verhuisden, maar zelfs op haar schuldigste dag zei ze dat chocola geen ontbijt was. Zelfs toen ze SlimFast-chocoladeshakes als ontbijt dronk, zei ze dat. En nee, die shakes telden niet als chocola. Dat had hij haar al gevraagd.
‘Oké,’ zei hij met een glimlach, en hij hoopte dat dit niet iets eenmaligs was.
Hij keek weer naar de tolweg. Het verkeer minderde vaart, en ze zagen een ambulance en een stationcar. De ambulancemensen wikkelden gaasverband om het bebloede hoofd van een man. Het leek erop dat hij een snee in zijn voorhoofd had en misschien een paar tanden miste. Toen ze iets verder waren gereden, zagen ze het hert op de motorkap van de stationcar. Het gewei zat nog vast in de voorruit. Het hert had zijn ogen open. En het worstelde en kronkelde alsof het niet wist dat het doodging.
‘Niet kijken,’ zei zijn moeder.
‘Sorry,’ antwoordde hij, en hij keek de andere kant op.
Ze vond het niet leuk dat hij erge dingen zag. Daar had hij er al genoeg van gezien in zijn leven. Vooral sinds zijn vader dood was. Dus keek hij de andere kant op en bestudeerde haar haren onder haar sjaal. Die zij een bandana noemde, maar waarvan het jongetje dacht dat het een sjaal was, zoals je die ook had in de oude films die ze keken op filmvrijdagen. Hij keek naar haar haren en naar zijn eigen bruine haar, dat eruitzag als dat van zijn vader op de enige foto die hij had, van kerst. Hij herinnerde zich niet veel van zijn vader. Zelfs zijn stem niet. Alleen de geur van tabak die opsteeg uit zijn overhemd en de geur van Noxzema-scheerschuim. Dat was alles. Hij wist niets van zijn vader, behalve dat hij een geweldige man moest zijn geweest, want dat waren alle vaders. Geweldige mannen.
‘Mam?’ vroeg het jongetje. ‘Gaat het?’
Ze zette haar beste glimlach op. Maar haar gezicht stond bang. Net als acht uur geleden, toen ze hem midden in de nacht wakker maakte en zei dat hij zijn spullen moest pakken.
Ze zette haar beste glimlach op. Maar haar gezicht stond bang.
‘Schiet op,’ had ze gefluisterd.
Het jongetje deed wat hem gezegd werd. Hij gooide alles wat hij had in zijn slaapzak. Toen hij op zijn tenen door de woonkamer sloop, zag hij Jerry buiten westen op de bank liggen. Jerry wreef met zijn vingers in zijn ogen. De vingers met de tattoos. Even werd Jerry bijna wakker. Maar niet helemaal. En terwijl Jerry buiten westen was, stapten zij in de auto. Met het geld waar Jerry niets vanaf wist in het handschoenenkastje. Verder had Jerry alles ingepikt. In de stilte van de nacht reden ze weg. Het eerste uur keek ze vaker in het achteruitkijkspiegeltje dan op de weg.
‘Mam? Gaat hij ons vinden?’ vroeg het jongetje.
‘Nee,’ zei ze, en ze stak nog een sigaret op.

Het jongetje keek omhoog naar zijn moeder. En in het ochtendlicht zag hij eindelijk dat haar wang niet rood was door de make-up. En er bekroop hem een gevoel. Hij zei het tegen zichzelf.
Je mag niet falen.
Dat was zijn belofte. Hij keek naar zijn moeder en dacht: ik zal je beschermen. Niet zoals toen hij echt klein was en niets kon. Hij was nu groter. En zijn armen zouden niet altijd plat en mager blijven. Hij zou push-ups doen. Hij zou groter worden voor haar. Hij zou haar beschermen. Voor zijn vader.
Je mag niet falen.
Je moet je moeder beschermen.
Jij bent de man in huis.
Hij keek uit het raampje en zag een oud billboard in de vorm van een sluitsteen. Op het verweerde bord stond: JE HEBT EEN VRIEND IN PENNSYLVANIA. Misschien had zijn moeder wel gelijk. Misschien zou het deze keer anders zijn. Dit werd hun derde staat in twee jaar. Misschien zou het deze keer goed komen. Hoe dan ook, hij wist dat hij haar nooit kon laten vallen.
Christopher was zevenenhalf.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief