leesfragment

‘De fjord’ van Jørn Lier Horst

0

Het is vijftien jaar geleden dat Simon Meier spoorloos verdween. En een dag geleden dat het lichaam van politicus Bernard Clausen gevonden werd. Als Wisting op de zaak wordt gezet, ontdekt hij algauw dat hij wellicht ook de missende link naar de verdwijning van Simon Meier heeft gevonden. Maar om uit te vinden wat er destijds gebeurde, zal hij moeten samenwerken met een oude vijand.

Lees hier de eerste twee hoofdstukken van de nieuwe thriller van Jørn Lier Horst!

1

Het was maandag 18 augustus, drie minuten voor tien in de ochtend.

William Wisting werd het grote kantoor binnengeleid. Het zag er anders uit dan hij zich had voorgesteld. Hij had gedacht dat hij indrukwekkend grote meubels, leer en mahonie te zien zou krijgen, maar de inrichting was eenvoudig en praktisch. Een bureau met hoge stapels documenten viel het meest op. Van de bijbehorende stoel waren de armleuningen sleets. Rond de pc stonden familiefoto’s van allerlei formaten in verschillende lijsten.

De vrouw die hem in de wachtkamer had ontvangen liep met hem mee naar binnen en zette kopjes, glazen, een kan water en een pot koffie op een tafeltje bij een klein bankstel.

Wisting keek naar buiten terwijl hij wachtte tot ze klaar was. De zon stond al hoog aan de hemel. Langzaam maar zeker verschenen er steeds meer mensen op de Karl Johans gate.

De vrouw uit de wachtkamer hield het lege dienblad voor haar borst, knikte, glimlachte en vertrok.

Bijna twee uur geleden had hij het verzoek gekregen om te komen. Hij had de procureur-generaal nog nooit ontmoet. Hij had hem weleens op een congres over de kwaliteit van het recherchewerk horen spreken, maar hem nog nooit persoonlijk gesproken of de hand gedrukt.

Johan Olav Lyngh was een grote man met grijs haar en een grof gezicht. De rimpels en de staalblauwe ogen wekten de indruk dat hij al het nodige had meegemaakt. ‘Laten we gaan zitten,’ zei hij met een handgebaar.

Wisting nam op de bank tegen de wand plaats.

‘Koffie?’

‘Ja, graag.’

De procureur-generaal schonk in. Zijn hand beefde een beet je; het was geen teken van angst of onrust, maar moest met zijn leeftijd te maken hebben. Johan Olav Lyngh was tien jaar ouder dan Wisting en stond al eenentwintig jaar aan het hoofd van het Openbaar Ministerie. In een tijd waarin alle bekende structuren bij de politie aan veranderingen onderhevig waren, leek Lyngh de vertegenwoordiger te zijn van wat blijvend en veilig was. Iemand die niet van koers veranderde op aanwijzing van adviseurs die de publieke sector volgens bedrijfseconomische principes wilden bestieren.

‘Fijn dat je kon komen,’ zei hij. ‘Op zo’n korte termijn.’

Wisting pakte zijn kopje koffie en knikte. Hij had geen idee waarom hij hier was, maar begreep dat het komende gesprek zeer gevoelige informatie zou bevatten.

De procureur-generaal schonk zich water in en nam een slok, alsof hij een brok in zijn keel moest wegslikken. ‘Bernhard Clausen is dit weekend overleden,’ begon hij.

Wisting kreeg een gevoel van onbehagen in zijn buik en een bang voorgevoel. Bernhard Clausen had voor de Arbeiderspartij in het parlement gezeten, maar was met pensioen. Hij had in diverse regeringen ministersposten bekleed. Grote delen van de zomer bracht hij in Stavern door. Op vrijdag was hij in een restaurant in de buurt van de haven niet lekker geworden. Een ambulance had hem naar het ziekenhuis gebracht, maar op zaterdag liet het partijkantoor weten dat hij op de leeftijd van achtenzestig jaar was gestorven.

‘Ze zeiden dat hij een hartstilstand had gehad,’ merkte Wisting op. ‘Is er een reden om aan iets anders te denken?’

De procureur-generaal schudde zijn hoofd. ‘In het ziekenhuis kreeg hij opnieuw een infarct,’ legde hij uit. ‘Later vandaag wordt er nog wel sectie verricht, maar niets wijst erop dat het geen natuurlijke dood zou zijn.

Wisting hield zijn koffiekopje in zijn hand terwijl hij op het vervolg wachtte.

‘De partijsecretaris nam gisteravond contact met me op,’ vertelde de procureur-generaal. ‘Hij was in het ziekenhuis toen Clausen stierf.’

De procureur-generaal had het over Walter Krom, die leidinggaf aan de partijorganisatie. ‘Na de dood van Clausens zoon was er geen directe familie meer. Krom stond als naaste verwant genoteerd. Hij ontfermde zich over de spullen die Clausen bij zich had toen hij naar het ziekenhuis ging, waaronder de sleutel van zijn vakantiewoning in Stavern.’

Wisting wist waar het huisje stond. Toen Clausen minister van Buitenlandse Zaken was, had het deel uitgemaakt van de politieplanning voor het beveiligen van objecten. Het lag helemaal aan de rand van het bebouwde terrein bij natuurreservaat Hummerbakken, dat zich strikt genomen dichter bij Helgeroa dan bij Stavern bevond.

‘Gisteren is Krom naar de vakantiewoning gegaan; hij wilde eigenlijk vooral controleren of de ramen dicht en de deuren op slot zaten, maar ook kijken of er geen partijgevoelige paperassen lagen. Hoewel Clausen met pensioen was, maakte hij nog wel deel uit van een adviesgroep rond het partijbestuur.’

Wisting schoof een stukje naar voren op zijn stoel. ‘Wat heeft hij gevonden?’ vroeg hij.

‘Het is een oude vakantiewoning van royaal formaat,’ ging de procureur-generaal verder, alsof hij tijd nodig had om tot de kern van de zaak te komen. ‘Clausens schoonvader heeft het in de jaren vijftig gebouwd en toen Clausen tot de familie toetrad, heeft hij meegeholpen om het uit te bouwen. Je moet weten dat hij aanvankelijk werkte als betontimmerman en ijzerbinder voordat hij fulltime de politiek in ging.’

Wisting knikte. Bernhard Clausen behoorde tot de oude garde van de partij en was een van de weinige politici binnen de Arbeiderspartij die een achtergrond als ambachtsman had. Door zijn vakbondsactiviteiten was zijn belangstelling voor de politiek gewekt.

‘Het huisje werd verbouwd voor een grote familie, met kinderen en kleinkinderen. In totaal waren er zes slaapkamers.’

De procureur-generaal streek een vouw uit zijn grijze pantalon. ‘Een van de kamers zat op slot,’ vervolgde hij. ‘Krom had de sleutel en ging naar binnen. Het was een van de kleinste vertrekken, met slechts één stapelbed. Hierop stonden kartonnen dozen, hoeveel het er waren weet ik niet. Walter Krom heeft ze doorzocht. Ze zaten vol geld, contanten.’

Wisting rechtte zijn rug. Terwijl hij naar het verhaal luisterde, waren zijn gedachten allerlei kanten opgegaan, maar dit had hij niet voorzien. ‘Kartonnen dozen met geld?’ vroeg hij. ‘Waar hebben we het hier over? Hoeveel?’

‘Buitenlandse valuta,’ zei de procureur-generaal. ‘Euro’s en dollars. Naar schatting vijf miljoen van elk.’

Wisting opende zijn mond, maar moest naar woorden zoeken. ‘Tien miljoen Noorse kronen?’

De procureur-generaal schudde zijn hoofd. ‘Vijf miljoen euro en vijf miljoen dollar,’ corrigeerde hij. Wisting probeerde het totaal te berekenen. Het moest gaan om zo’n tachtig miljoen kronen. ‘Waar komt dat vandaan?’ vroeg hij. De procureur-generaal maakte een machteloos gebaar en uit zijn gezichtsuitdrukking bleek dat het een mysterie was. ‘Daarom heb ik je gevraagd hier te komen,’ antwoordde hij. ‘Ik wil dat jij dat uitzoekt.’

Er viel een stilte. Wisting keek uit het raam, naar de domkerk van Oslo.

‘Jij bent plaatselijk bevoegd,’ vervolgde de procureur-generaal. ‘De vakantiewoning ligt in jouw politiedistrict en bovendien ben jij er geschikt voor. Het moet een vertrouwelijk onderzoek worden. Dit is een buitengewoon gevoelige zaak. Bernhard Clausen is vier jaar lang minister van Buitenlandse Zaken geweest en was een centrale figuur in de commissie voor militaire aangelegenheden. Er kunnen nationale belangen mee gemoeid zijn.’

Wisting dacht na over de betekenis daarvan. Clausen was verantwoordelijk geweest voor beslissingen die van invloed waren op de Noorse relatie met vreemde mogendheden.

‘Ik heb je commissaris verzocht je van alle overige taken vrij te stellen, zonder hem te vertellen waaraan jij gaat werken,’ ging de procureur-generaal verder terwijl hij overeind kwam. ‘Je zult vrije toegang krijgen tot alle financiële en vakinhoudelijke middelen. De laboratoria van de Landelijke Recherche zullen alle gewenste onderzoeken de hoogste prioriteit geven.’ Hij liep naar het bureau en pakte een grote envelop.

‘Waar is het geld nu?’ wilde Wisting weten.

‘Dat bevindt zich nog in de vakantiewoning,’ antwoordde de procureur-generaal en hij gaf Wisting de envelop.

Wisting voelde dat er onder andere een sleutelbos in zat.

‘Ik wil dat je een klein team van gekwalificeerde mensen samenstelt en dat leidt,’ zei de procureur-generaal en hij bleef staan. ‘Krom heeft Georg Himle op de hoogte gesteld. Hij was minister-president toen Clausen in de regering zat. Verder weet niemand er iets van en dat moet zo blijven.’

Wisting begreep dat de bijeenkomst op zijn eind liep en stond op.

‘Het huisje is voorzien van een alarm uit de tijd dat Clausen in de regering zat. Er is een nieuwe code geïnstalleerd, zowel voor de vakantiewoning als voor zijn woonhuis. Die zit daarin,’ legde de procureur-generaal uit en hij wees op de envelop. ‘Ik stel voor dat je je allereerst over het geld ontfermt.

2

Toen Wisting voor het grote gebouw in het centrum van de stad stond, sloeg de warmte van de nazomer vol in zijn gezicht. Hij haalde diep adem, stak de Karl Johans gate over en liep regelrecht naar de parkeergarage waar zijn auto stond. Voordat hij wegreed, liet hij de inhoud van de envelop op de stoel naast zich vallen.

De nieuwe code van het alarm was 1705. Behalve de sleutelbos zaten er een zwarte leren portefeuille, een gouden horloge, een mobiele telefoon en een paar losse munten in de envelop. Dat waren de spullen die Bernhard Clausen bij zich had gehad toen hij in het ziekenhuis aankwam.

De telefoon was een oud type. Solide en functioneel, met een grote batterijcapaciteit. De batterij was nog niet leeg. De display gaf aan dat er twee gemiste oproepen waren, maar er stond niet van wie die kwamen.

Hij legde de mobiel aan de kant en keek naar de portefeuille. Die zat vol krassen en was versleten, een beetje kromgebogen. Hij maakte hem open en vond vier verschillende creditcards, een rijbewijs, een verzekeringspolis, klantenkaarten van diverse hotelketens en een lidmaatschapskaart van de Arbeiderspartij. In het bankbiljettenvakje ontdekte hij zevenhonderd kronen, enkele kwitanties en een visitekaartje van een journalist van Aftenposten. Achter een plastic hoesje zaten een paar foto’s van zijn overleden vrouw en zoon.

Lisa Clausen was overleden toen haar man minister van Volksgezondheid was. Dat moest minstens vijftien jaar geleden zijn, maar Wisting herinnerde zich de aandacht die de media eraan hadden geschonken. Ze werkte bij de grootste vakbond van het land en er werd een zeldzame vorm van kanker bij haar vastgesteld. Er bestond een experimentele en kostbare behandeling die niet door de Noorse zorgautoriteit was goedgekeurd. Als minister van Volksgezondheid was Bernhard Clausen indirect verantwoordelijk voor het feit dat zijn vrouw geen levensverlengende behandeling kreeg.

Ze was een paar jaar jonger dan haar man. Hun zoon moest destijds halverwege de twintig zijn geweest. Een jaar later kwam hij bij een verkeersongeval om het leven. In korte tijd werd Bernhard Clausen door twee tragedies getroffen. Een tijdlang verdween hij uit het politieke beeld en het openbare leven, waarna hij als minister van Buitenlandse Zaken terugkeerde.

Wisting stopte de telefoon, de sleutels en de portefeuille terug in de envelop en wierp een blik op het gouden horloge. De band was ook van goud, in elk geval verguld. Op de wijzerplaat stond het rode logo van de Arbeiderspartij.

Hij dacht een paar seconden lang na. Vervolgens deed hij ook het horloge weer in de envelop en startte zijn auto.

De eerste die hij nodig had, was Espen Mortensen. Hij was een ervaren technisch rechercheur, een practicus die zijn vak verstond, maar ook daadkrachtig en veelzijdig bleek. Bovendien was hij loyaal, iemand van wie Wisting zeker wist dat hij niet met anderen zou praten. Wisting had hem die ochtend vroeg in de gangen van het politiebureau zien lopen en hij wist dus dat Mortensen na een vakantie van drie weken terug was.

Hij volgde het bord naar de E18 en verliet de hoofdstad, waarna hij Mortensen belde.

Die leek druk bezig toen hij opnam.

‘Heb je alweer een overzicht van wat er allemaal speelt, na je vakantie?’ vroeg Wisting.

‘Nog niet helemaal,’ antwoordde Mortensen. ‘Er lag hier een heleboel te wachten.’

‘Laat dat dan maar liggen,’ zei Wisting. ‘Ik heb je ergens bij nodig.’

‘O?’

‘Over anderhalf uur ben ik terug in Larvik,’ legde Wisting uit en hij wierp een blik op het dashboardklokje. ‘Neem je technische apparatuur mee en kom naar me toe op de parkeerplaats bij sporthal Stavernhallen, dan vertrekken we vanaf daar.’

‘Wat is er aan de hand?’ wilde Mortensen weten.

‘Dat vertel ik je straks,’ antwoordde Wisting. ‘Praat hier met niemand over.’

‘En Hammer?’

Nils Hammer was de tweede in rang op de afdeling en droeg de verantwoordelijkheid wanneer Wisting afwezig was.

‘Ik zal met Hammer praten,’ antwoordde Wisting. Hij beëindigde het gesprek en zocht Hammers nummer op.

‘Ik heb iets te doen waardoor ik er een tijdje niet ben,’ deelde hij mee. ‘Jij moet de afdeling zolang leiden.’

‘Wat heb je dan te doen?’ wilde Hammer weten.

‘Een zaak op hoog niveau.’

Hammer wist wel dat hij niet door moest vragen. ‘Hoe lang gaat dat duren?’

‘Geen idee,’ antwoordde Wisting. ‘In de beginfase neem ik Mortensen mee. Komende week hoef je niet op hem te rekenen.’

Hij wist dat dit Hammer in een moeilijke situatie bracht. Er waren al nauwelijks voldoende mensen.

‘Prima,’ antwoordde Hammer. ‘Moet ik verder nog iets weten?’

Wisting vertrouwde Hammer. Wat hij vertelde bleef tussen hen, maar er was geen reden om hem verder te informeren. Ze stonden niet tegenover een concrete bedreiging of direct gevaar wat onmiddellijke assistentie noodzakelijk kon maken.

‘Ik weet zelf ook nog niet veel,’ gaf hij toe.

‘Prima,’ zei Hammer nogmaals. ‘Ik ben hier als je nog iets nodig hebt.’

Toen Wisting het gesprek beëindigde, ging automatisch de autoradio aan. Hij zette hem uit, waarna alleen het gebrom van de motor en het regelmatige geluid van de wielen op het asfalt nog te horen waren. Er kwamen al ideeën in zijn hoofd op over de vraag waar het geld vandaan kwam.

Bernhard Clausen was een partijveteraan met een lange politieke carrière en had talloze keren een machtsstrijd moeten leveren. Hij had altijd sympathie gekoesterd voor de Verenigde Staten. Tijdens de oorlog in Irak vond hij dat Noorwegen de geplande aanval van de VS diende te steunen. Dat zorgde voor onenigheid in de regering en Clausen leed een nederlaag toen werd besloten dat Noorwegen niet aan de aanvalsoorlog ging deelnemen, maar na afloop militairen zou sturen om mee te werken aan de stabilisatie van het land. Daarna was hij als hoofd van de parlementaire commissie voor militaire aangelegenheden een centrale figuur toen een afspraak met Zweden werd afgekeurd en er in plaats daarvan werd overeengekomen om in Amerika geproduceerde gevechtsvliegtuigen voor Defensie aan te schaffen. De overeenkomst was op termijn meer dan veertig miljard kronen waard.

Wisting kromde zijn vingers om het stuur. Geld was vaak de bron van alles wat riekte naar inhaligheid, corruptie en machtsmisbruik. Dit zou een onderzoek op een heel ander niveau worden dan hij gewend was, maar hij had het allerbeste uitgangspunt. Hij had het geld. Geld liet altijd sporen na. Je hoefde dat alleen maar naar de bron terug te volgen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief