leesfragment

‘De geluksvogel’ van Richard Russo

De geluksvogel van Richard Russo is een tijdloos en humoristisch relaas van een academicus in een midlifecrisis.

Lees hier de proloog van De geluksvogel. Veel leesplezier!

Het zit Hank Devereaux, een gesjeesd auteur, niet mee. Als voorzitter van de faculteit Engels moet hij zich het gekonkel van zijn collega’s laten welgevallen, terwijl hij zijn vrouw ervan verdenkt een relatie te hebben met de decaan. Ook is hij niet in staat zijn dochter te begrijpen of op goede voet te komen met zijn eigen vader, een gevierd schrijver in wiens schaduw hij nog steeds lijkt te staan. Wanneer de spanningen door een op handen zijnde bezuiniging oplopen, krijgt hij te maken met fysiek ongemak en veroorzaakt hij een rel als hij dreigt de campusgans om het leven te brengen. En dat allemaal in één week…

 

Proloog

Ze zijn leuk om te hebben.
Een hond.
– F. Scott Fitzgerald, De grote Gatsby

 

Om eerlijk te zijn: ik ben geen gemakkelijke man. Ik kan vermakelijk zijn, hoewel het mijn ervaring is dat de meeste mensen niet vermaakt willen worden. Ze zoeken troost. En natuurlijk hoeft mijn idee van vermaak niet het uwe te zijn. Ik ben het volkomen eens met al die mensen die zeggen, als het om films gaat: ‘Ik wil gewoon vermaakt worden.’ Dit populistische standpunt wordt vaak belachelijk gemaakt door mijn academische collega’s, omdat ze het onnadenkend vinden, en vinden getuigen van een gebrek aan verfijning, een bewijs van twijfelachtige analytische en kritische scherpzinnigheid. Maar ik ben het met de premisse eens, ook ik wil gewoon worden vermaakt. Dat ik hoogstzelden word vermaakt door wat andere mensen als vermaak zien, betekent niet dat we filosofisch gezien zoveel van elkaar verschillen. Het betekent simpelweg dat we niet samen naar de bioscoop moeten gaan.

Het soort man dat ik ben, volgens hen die mij het beste kennen, is een vermoeiende.
Het soort man dat ik ben, volgens hen die mij het beste kennen, is een vermoeiende. Volgens mijn ouders was ik ook als kind al vermoeiend. Ze scheidden toen ik in de brugklas zat, en ze zijn het maar over weinig dingen eens, behalve over dat ik een onmogelijk kind was. De twee versies van het verhaal dat ze over de jonge William Henry Devereaux en zijn eerste hond vertellen, lijken griezelig veel op elkaar, met dezelfde feiten en conclusies, en zelfs dezelfde verteltrant, ongeacht wie van hen het vertelt. Het verhaal dat ze vertellen gaat zo:

Ik was negen en het huis van de universiteit waarin we verbleven, was het vierde huis waarin ik woonde. Mijn ouders waren academische nomaden. Mijn vader was, toen en nu, een academische opportunist, altijd in de voorhoede van wat trendy en chic was in de literatuurkritiek. Dit was in de jaren vijftig, en voor hem was New Criticism alweer oud. Vroeg in zijn middelbare leeftijd was hij al een hoogleraar die verschillende boeken had gepubliceerd die allemaal veelbesproken waren, onderwerp van verhitte discussie op de borrels van de vakgroep Engels. De academische positie die hij het liefste bekleedde, was die van gerenommeerde visiting professor, een positie die doorgaans voor hem in het leven werd geroepen, voor een of hooguit twee jaar, want het is moeilijk om gerenommeerd te blijven als mensen je eenmaal kennen. Meestal hoefde hij maar weinig les te geven, een of twee cursussen per jaar. Afgezien daarvan verwachtte men dat hij las, nadacht, schreef en publiceerde, en in het voorwoord van zijn volgende boek de ruimhartigheid erkende van het instituut dat hem het goede academische leven had geboden. Mijn moeder, ook hoogleraar Engels, kreeg eveneens een aanstelling, als een soort koppelverkoop, maar zij moest wel voltijds lesgeven, om zo de kosten te beperken.

De huizen waarin we woonden hadden hoge plafonds en waren elegant, oud en tochtig. Ze stonden op de campus, of er vlakbij. Ze hadden hardhouten vloeren en rokerige open haarden, die alleen werden aangestoken als mijn vader hof hield, iets wat hij ofwel op vrijdagmiddag deed, als de ruime kamers vol stroomden met overbeleefde, jonge faculteitsmedewerkers en zenuwachtige masterstudenten, of op zaterdagavond, als mijn moeder een diner gaf voor de voorzitter van de vakgroep of de decaan of een dichter die de universiteit bezocht. In al die situaties was ik het enige kind, en ik moet een eenzaam kind zijn geweest, want wat ik liever dan alles op de wereld wilde, was een hond.

Zoals te verwachten was, wilden mijn ouders geen hond.
Zoals te verwachten was, wilden mijn ouders geen hond. Waarschijnlijk waren er speciale regels verbonden aan het wonen in deze universiteitshuizen, als het om huisdieren ging. Rond de tijd dat ik negen jaar was, had ik al een jaar of twee ijverig gelobbyd voor een hond. Mijn vader en moeder hoopten dat dit verlangen zou slijten, als ze maar lang genoeg wachtten. Ik kon die hoop in hun ogen zien, en dat maakte mij alleen maar standvastiger en intensiveerde mijn verlangen. Wat ik graag met kerst wilde hebben? Een hond. Wat wilde ik voor mijn verjaardag hebben? Een hond. Wat wilde ik verder nog op mijn broodje met ham? Een hond. Op zulke momenten wierpen ze elkaar moegestreden een blik vol ergernis toe, iets wat me tevreden stemde, want als ik geen hond kreeg, was dit bijna net zo leuk.

Zo kabbelde het leven voort, totdat mijn moeder uiteindelijk een fout beging, een knoeper van een blunder, veroorzaakt door emotionele uitputting en wanhoop. Zij, veel meer dan mijn vader, wilde het liefst een gelukkig kind. Op een voorjaarsdag had ik onophoudelijk tegen haar gezeurd, waarop ik van haar moest gaan zitten en ze zei: ‘Weet je, een hond is iets wat je moet verdienen.’ Mijn vader hoorde dit, stond op en liep de kamer uit, een onwrikbare erkenning dat mijn moeder zojuist had gecapituleerd. Haar idee was om voorwaarden aan de hond te verbinden. De voorwaarden waaraan ik moest voldoen waren talrijk en zwaar, en ik zou niet in staat zijn ze te vervullen, dus als ik geen hond kreeg, dan zou dat mijn eigen schuld zijn. Dat was haar logica en het feit dat ze dacht dat dit plan misschien zou werken, laat maar weer eens zien dat sommige mensen nooit kinderen zouden moeten krijgen, en dat zij een van die mensen was.

Ik zette meteen mijn eigen plan in werking om mijn moeder op de knieën te krijgen. Heel anders dan het hare, was mijn plan eenvoudig en kende het geen tekortkomingen. ’s Ochtends werd ik wakker en ’s avonds viel ik in slaap, pratend over honden. Als mijn vader en moeder van onderwerp veranderden, veranderde ik het weer terug. ‘Nu we het toch over honden hebben,’ zei ik dan, met een vork vol braadvlees vlak voor mijn mond, en dan begon ik weer. Misschien had niemand iets over honden gezégd, maar dat maakte niet uit, nu praatten we er wel over. Bij de bibliotheek haalde ik elke twee weken een stapeltje boeken over honden, die ik overal in huis opengeslagen neerlegde. Ik wees haar op honden die we op straat tegenkwamen, op honden op televisie, op honden in de tijdschriften waarop mijn moeder was geabonneerd. Ik besprak de relevante voordelen van verschillende rassen tijdens elke maaltijd. Mijn vader luisterde zelden naar mij, maar ik zag tekenen dat het fundament van mijn moeders persoonlijkheid begon te roesten in het zoute water van mijn onophoudelijke woordenvloed, en toen ik van mening was dat ze volledig op instorten stond, ging ik naar de dure dierenwinkel om de hoek en besteedde mijn spaargeld tot op de laatste cent aan een oogverblindende halsband, afgezet met edelstenen, en een hondenriem.

Misschien had niemand iets over honden gezégd, maar dat maakte niet uit, nu praatten we er wel over.

In deze periode, toen we voortdurend ‘over honden praatten’, was ik geen modelkind. Omdat ik geacht werd ‘een hond te verdienen’, vroeg ik mijn moeder voortdurend hoe ik het eraf bracht, hoeveel hond ik precies had verdiend, maar ik betwijfel of mijn gedrag ook maar iets was veranderd. Ik was niet echt een stout jochie. Alleen maar een luidruchtig, druk en permanent behoeftig jochie. Meneer Binnen en Buiten, noemde mijn moeder me, omdat ik de hele tijd kamers in- en uitliep, naar binnen en weer naar buiten ging, of de koelkast open- en dichtdeed. ‘Henry,’ smeekte mijn moeder dan, ‘ga toch eens ergens zitten.’ Een van de dingen waaraan ik vaak behoefte had, was informatie, en ik onderbrak mijn moeder voortdurend om haar iets te vragen als ze las of werkstukken nakeek. Mijn vader bracht, deels om mijn vragen te ontlopen, de meeste tijd door op zijn kantoor op de campus, waarvan alle wanden waren volgebouwd met boekenkasten, en voegde zich alleen bij mijn moeder en mij tijdens de maaltijden, zodat we de kwestie honden als gezin konden bespreken. En dan ging hij er weer vandoor, in zalige onwetendheid, dacht ik destijds, dat mijn moeder moordlustig naar de stoel waarop hij zojuist had gezeten keek, lange minuten achtereen. Maar hij beweerde dat hij bijna klaar was met een boek waaraan hij werkte, en dit was een krachtig excuus voor een vrouw die zoveel respect voor boeken en onderwijs had als mijn moeder.

Langzaamaan leek ze te begrijpen dat ze een veldslag was begonnen die ze niet kon winnen.
Langzaamaan leek ze te begrijpen dat ze een veldslag was begonnen die ze niet kon winnen, en dat ze helemaal alleen op het slagveld stond. Ik weet nu dat dit deel uitmaakte van een grotere verzameling bittere inzichten over haar huwelijk, maar in die tijd rook ik alleen de overwinning. Begin augustus, tijdens de periode die mensen ‘de hondsdagen’ noemen, stelde zij nog één laatste, zwakke voorwaarde – het laatste bewijs dat ik een hond had verdiend – en nam ik wat gas terug en probeerde ik mijn gedrag echt te veranderen. Het was het minste wat ik kon doen.

Wat mijn moeder van mij verlangde, was dat ik ophield de hordeur achter me dicht te gooien. Het moet worden gezegd dat het huis waarin we woonden een akoestisch wonder was, dat veel leek op de fluistergalerij in St. Paul’s Cathedral, waar gedempte stemmen een weidse ruimte weten te overbruggen en duidelijk hoorbaar en intact de overkant van de grote koepel bereiken. In ons huis werd de hordeur dichtgetrokken door een stugge veer die de houten rand van de deur tegen het kozijn kwakte, wat een geluid produceerde dat leek op een pistoolschot, afgespeeld via een gitaarversterker met alle knoppen op tien. De knal was in elk vertrek, boven en onder in huis, luid en duidelijk te horen. Die zomer rende ik tientallen keren per dag door die deur, en mijn moeder zei dat het leek alsof ze op een schietbaan woonde. Ze was zo wanhopig dat ze soms wenste dat de deur geen losse flodders schoot. Als ik er alleen al aan zou denken de deur niet telkens dicht te gooien, dan zou ze zien wat ze kon doen, qua hond. Binnenkort.

Ik deed mijn best, dacht er ongeveer de helft van de keren aan om de deur niet dicht te laten vallen. Als ik het vergat, kwam ik weer binnen om mijn excuses aan te bieden, waarna ik het soms wéér vergat. Toch, het feit dat ik het probeerde, samen met het feit dat ik de dure halsband en hondenriem overal met me mee naartoe nam, ontroerde mijn moeder kennelijk, want aan het einde van die eerste week, waarin ik de deur minder vaak liet dichtvallen, ging mijn vader op zaterdagochtend ergens heen en weigerde te zeggen waarheen, dus natuurlijk wist ik genoeg. ‘Welk ras?’ vroeg ik smekend aan mijn moeder toen hij weg was. Maar ze beweerde het niet te weten. ‘Dit is een actie van je vader,’ zei ze en ik dacht dat ik een bang voorgevoel van haar gezicht kon aflezen.

Ik denk dat de hond mij ook zag, maar als hij dat deed, liet hij dat niet blijken.
Toen hij terugkwam, begreep ik waarom. Hij had de hond op de achterbank gezet en toen mijn vader de oprit indraaide en de auto naast het huis parkeerde, zag ik vanuit het keukenraam dat de hond met zijn kin op de rugleuning van de achterbank lag. Ik denk dat de hond mij ook zag, maar als hij dat deed, liet hij dat niet blijken. Ook leek hij niet te merken dat de auto was gestopt, dat mijn vader was uitgestapt en de voorstoel naar voren had geklapt. Mijn vader moest zijn arm naar binnen steken, de hond bij zijn halsband pakken en hem uit de auto trekken.

Terwijl het dier zijn lange poten strekte en aarzelend en stijf uit de auto stapte, begreep ik dat mijn ouders me zowel hadden bedrogen als te slim af waren geweest. Al die tijd waarin we ‘over honden praatten’, had ik pups voor mijn geestesoog gezien. Colliepups, beaglepups, labradorpups, herderpups, maar dat was nergens vastgelegd, begreep ik nu. En als het geen pup was, dan maar een jonge hond. Een bengel vol levenslust en mogelijkheden, een hond die je nieuwe kunstjes kon leren. Déze hond was amper ambulant. Hij stond daar maar, met zijn kop naar beneden, alsof hij zich schaamde voor iets wat hij lang geleden als puppy had gedaan, en ik dacht dat ik een rilling door zijn lijf zag trekken toen mijn vader het portier dichtgooide.

Ik neem aan dat je het dier een mooie hond kon noemen. Een volbloed, roestrode Ierse setter, goedverzorgd, welgemanierd, het soort hond dat je veilig in een huis van de universiteit kon loslaten, dat geen inbreuk zou maken op de regel betreffende huisdieren, het soort hond, zo begreep ik, dat je nam als je eigenlijk geen hond wilde, of er zorg voor wilde dragen. De hond was van een emeritus hoogleraar van de universiteit, zo hoorde ik later, die eerder die week in een zorgcentrum was opgenomen, waardoor het dier verweesd was achtergebleven. Het leek op een schilderij van een hond, of een hond die je huurde om te poseren voor een portret, een hond waarvan je zeker wist dat die zich niet zou bewegen.

Zowel mijn vader als de hond stapte met tegenzin de keuken binnen, waarna mijn vader de hordeur voorzichtig sloot. Ik geloof graag dat hij op weg naar huis bange voorgevoelens had gekregen, maar ik merkte ook dat het zijn bedoeling was om deze hand ten volle uit te spelen. Mijn moeder, die mijn ontzetting meteen had bespeurd, keek me even aan en wierp toen een blik op mijn vader.

‘Wat?’ zei hij.

Mijn moeder schudde slechts haar hoofd.

Mijn vader keek me aan, en keek toen weer naar haar. Er trok een heftige, verlammende rilling door de ledematen van de hond. Het dier leek op het koude linoleum te willen gaan liggen, maar leek te zijn vergeten hoe dat moest. Hij slaakte een diepe zucht, waarmee hij namens ons allemaal leek te spreken.

Hij slaakte een diepe zucht, waarmee hij namens ons allemaal leek te spreken.

‘Het is een brave hond,’ zei mijn vader nogal bits tegen mijn moeder. ‘Een beetje nerveus, maar dat heb je nu eenmaal met raszuivere setters. Die zijn allemaal zenuwachtig.’

Dit was niet iets wat mijn vader kon weten. Hij herhaalde overduidelijk de verklaring die hij had gekregen toen hij de hond had opgehaald.

‘Hoe heet hij?’ vroeg mijn moeder, kennelijk om maar iets te zeggen. Dat was mijn vader vergeten te vragen. Hij bekeek de halsband, in de hoop daarop iets te vinden.

‘O god,’ zei mijn moeder. ‘O gottegod.’

‘We kunnen zelf ook wel een naam voor hem bedenken,’ zei mijn vader, geïrriteerd nu. ‘Dat moet ons toch lukken, hè?’

‘Je zou hem kunnen vernoemen naar een achterhaalde stroming in de literatuurkritiek,’ stelde mijn moeder voor.

‘Het is een zij,’ zei ik, want dat was het geval.

Het leek mijn vader op te vrolijken, een beetje tenminste, dat ik mezelf in het gesprek wilde mengen. ‘Wat vind jij, Henry?’ wilde hij weten. ‘Hoe moeten we hem noemen?’

Deze tweede keer dat het verkeerde persoonlijk voornaamwoord werd gehanteerd, was me te veel. ‘Ik wil nu buiten spelen,’ zei ik en ik stoof op de hordeur af voordat iemand bezwaar kon maken. Ik gooide hem achter me dicht, hard, en het pistoolschot klonk luider dan gewoonlijk. Toen ik met een grote sprong het trapje afsprong, dacht ik een bons in de keuken te horen, een doffe, gedempte echo van de deur, en toen hoorde ik mijn vader zeggen: ‘Wat krijgen we nou?’ Ik liep de trap weer op, omzichtig nu, en wilde mijn excuses maken voor het dichtslaan van de deur. Door de hordeur zag ik mijn vader en moeder staan, midden in de keuken, terwijl ze naar de hond keken, die een dutje leek te doen. Mijn vader tikte met de neus van zijn leren instapper tegen de heup van de hond.

Hij groef het graf in de achtertuin, met een schop die hij van de buren had geleend. Mijn vader had zachte handen en kreeg snel blaren. Ik bood aan hem te helpen, maar hij keek me alleen maar aan. Toen hij tot halverwege zijn dijen in het gat stond, schudde hij zijn hoofd nog een laatste keer vol ongeloof. ‘Dood,’ zei hij. ‘Voordat we hem zelfs maar een naam konden geven.’

Ik wist wel beter dan hem te corrigeren op het punt van het persoonlijk voornaamwoord, dus dacht ik alleen na over wat hij had gezegd, terwijl hij uit het gat klom en naar de achterveranda liep om de hond te halen, die daar onder een oud laken lag. Ik merkte aan de omzichtige manier waarop hij het laken onder het dier stopte dat hij niets doods wilde aanraken, zelfs al was het dan recentelijk overleden. Hij liet de hond met laken en al in het gat zakken, maar moest haar de laatste halve meter laten vallen. Toen het dier met een bons neerkwam en stil bleef liggen, keek mijn vader me aan en schudde zijn hoofd. Toen pakte hij de schop en leunde er even op, voordat hij het gat weer ging dichtgooien. Hij leek te wachten tot ik iets zou zeggen, dus zei ik: ‘Red.’

Mijn vaders ogen vernauwden zich, alsof ik een vreemde taal had gesproken
Mijn vaders ogen vernauwden zich, alsof ik een vreemde taal had gesproken. ‘Wat?’ zei hij.

‘We noemen haar Red,’ legde ik uit.

In de jaren nadat hij ons had verlaten werd mijn vader nog beroemder. Het wordt soms gezien als zijn verdienste, als verdienste het juiste woord is, dat hij de vader van de Amerikaanse literaire kritiek is. Naast zijn vele wetenschappelijke boeken heeft hij ook zijn literaire memoires geschreven, die op de shortlist voor een grote literaire prijs terechtkwamen en die een inzicht geven in de persoonlijkheden van diverse, inmiddels overleden, literaire kopstukken van de twintigste eeuw. Zijn foto wordt vaak afgedrukt bij literaire recensies. Hij had een periode waarin hij een trui met ronde hals en een gouden ketting droeg onder zijn tweed jasje, maar tegenwoordig wordt hij meestal gefotografeerd in een buttondownoverhemd, stropdas en jasje, in zijn kantoor op de universiteit, omringd door wanden vol boeken. Maar ik, zijn zoon, herinner me William Henry Devereaux senior het levendigst op zijn modderige instappers, terwijl hij op de steel van een geleende schop leunt, zijn vieze handen vol blaren bekijkt en mijn suggestie hoe we een dooie hond moeten noemen aanhoort. Ik vermoed dat het graven van het graf voor onze hond een van de relatief weinige ervaringen in zijn leven was (afgezien van de vleselijke) die niet zijn ontsproten aan een gedrukte pagina. En toen ik voorstelde de dooie hond Red te noemen, keek hij me aan alsof ik zojuist uit een boek was gekropen waarin hij jaren geleden was begonnen en terzijde had gelegd toen iets anders zijn interesse wekte. ‘Wat?’ zei hij, terwijl hij de steel van de schop losliet, zodat het handvat tussen mijn voeten neerkwam. ‘Wat?’

Het is voor geen enkele ouder gemakkelijk, het moment waarop het je begint te dagen dat je iets op de wereld hebt gezet wat de dingen nooit op jouw manier zal zien, ondanks het feit dat het je nalatenschap is, dat het jouw naam draagt.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief