nieuws

‘De geschiedenis van bijen’ van Maja Lunde

Engeland, 1852. Bioloog William is al weken niet meer uit bed gekomen. Hij heeft het idee dat hij als onderzoeker mislukt is. Maar dan komt hij op een idee dat alles kan veranderen: een nieuw soort bijenkorf die hem en zijn kinderen eer en roem zal brengen.
De Verenigde Staten, 2007. Imker George werkt hard op zijn boerderij. Hij hoopt dat zijn zoon het bedrijf op een dag wil overnemen, maar Tom droomt van de journalistiek. Als George op een dag zijn korven controleert, verandert alles: zijn bijen sterven.
China, ergens in de nabije toekomst. De bijen zijn verdwenen. Daarom bestuift Tao samen met andere arbeiders handmatig bloemen. Ze droomt van een beter leven voor haar zoon. Maar als hij een mysterieus ongeluk krijgt, staat alles op het spel: het leven van haar kind en de toekomst van de mensheid.

De geschiedenis van bijen is het eerste deel in het klimaatkwartet van Maja Lunde (het tweede boek, Het einde van de oceaan, verschijnt op 27 oktober 2020). Nieuwsgierig? Lees hier alvast een fragment.

TAO

District 242, Shirong, Sichuan, 2098

Als misvormde vogels balanceerden we ieder op een tak, met een plastic emmertje in de ene hand en een verenborstel in de andere.

Ik was naar boven geklommen, langzaam, zo voorzichtig mogelijk. Ik was niet geschikt voor dit werk, was niet zoals veel andere vrouwen in de werkploeg, ik maakte vaak onhandige bewegingen, had niet de fijne motoriek en de nauwkeurigheid die het werk vereiste. Ik was hier niet voor gemaakt, maar toch moest ik hier zijn, elke dag, twaalf uur achter elkaar.

De bomen waren stokoud, een mensenleven oud. De takken breekbaar als glas, ze braken onder ons gewicht makkelijk af. Ik bewoog me behoedzaam voort, mocht de boom niet beschadigen. Plaatste mijn rechterbeen op een tak een stukje hoger, zette voorzichtig mijn linkerbeen ernaast. Eindelijk had ik een betere houding gevonden, oncomfortabel, maar stevig. Vanaf hier kon ik bij de bovenste bloemen komen.

De kleine emmer zat vol met het vederlichte goud, nauwkeurig afgewogen en uitgedeeld aan het begin van de werkdag, precies evenveel voor iedereen. Zo voorzichtig mogelijk probeerde ik onzichtbare hoeveelheden uit het emmertje mee de bomen in te nemen. Elke bloem moest apart bestoven worden met een klein borsteltje van kippenveren, afkomstig van kippen die speciaal voor dat doeleinde gefokt werden. Er was geen enkele soort kunstmatige fiberveer die zo effectief was. De ene test na de andere was uitgevoerd, want we hadden tijd genoeg, in mijn district werden de planten al meer dan honderd jaar met de hand bestoven. De bijen waren hier al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw verdwenen, lang voor de Verdwijnziekte de kop opstak; pesticiden kostten hun het leven. Een paar jaar later, toen pesticiden niet langer mochten worden gebruikt, keerden de bijen terug, maar toen was men al van start gegaan met het handmatig bestuiven. De resultaten werden beter, al waren er voor het werk ongelooflijk veel mensen nodig, vele handen. Daardoor had het district waar ik woonde een voorsprong op de concurrentie toen de Verdwijnziekte toesloeg. Het feit dat dit het meest verontreinigde gebied was, had in ons voordeel gewerkt. We waren koploper op het gebied van verontreiniging en werden daardoor koploper op het gebied van bestuiving.

Een paradox had ons gered.
Een paradox had ons gered. Ik strekte me zo ver mogelijk uit, maar toch kon ik niet bij de bovenste bloemen komen. Ik wilde het het liefst opgeven, maar ik wist dat ik gestraft kon worden, dus probeerde ik het nog een keer. Ons loon werd namelijk ingehouden als we het stuifmeel te snel hadden opgemaakt. Ons loon werd ook ingehouden als we te veel stuifmeel overhielden. Ons werk was onzichtbaar. Als we aan het einde van de dag uit de bomen klommen, was het enige bewijs van het werk dat we die dag hadden gedaan het kruis van rood krijt op de boomstam. Bij voorkeur veertig bomen per dag. Pas als de herfst kwam en de bomen vol fruit hingen, wisten we wie van ons een goed stuk werk had geleverd. En tegen die tijd waren we waarschijnlijk vergeten wie welke boom bestoven had. Ik was vandaag in Veld 748 aan het werk. Van de hoeveel? Ik had geen idee. Mijn ploeg was een van honderden. In onze beige overalls zagen we er net zo eentonig uit als de bomen. En we zaten net zo dicht op elkaar als de bloemen. We waren nooit alleen, altijd samen in een groep, hier in de bomen, of wandelend over de karrensporen van het ene veld naar het andere. Alleen binnen de muren van onze kleine appartementen konden we onszelf zijn, een paar korte uren per dag. Verder speelde het leven zich hierbuiten af.

Het was stil. We mochten onder het werk niet praten. Het enige wat je hoorde, was ons behoedzame geklim in de bomen, iemand schraapte zachtjes zijn keel, een ander hijgde, de stof van onze werkkleding schuurde tegen de stam. En af en toe het geluid dat we allemaal hadden leren haten – een knappende tak, of in het ergste geval een tak die afbrak. Een gebroken tak betekende minder fruit en dat was nog een reden om een deel van ons loon in te houden. Verder hoorde je alleen de wind die door de takken waaide, over de bloemen veegde, voorbij het gras op de heuvel dwarrelde.

De wind kwam uit het zuiden, uit het bos. Het stak donker en wild af tegen de fruitbomen, de wilde bomen hadden nog geen blad, maar over een paar weken zou het eruitzien als een vredige, groene muur. We kwamen er nooit, hadden er niets te zoeken. Maar nu gingen er geruchten dat ook het bos gekapt zou worden, omdat het plaats moest maken voor een plantage.

Een vlieg kwam zoemend uit de richting van het bos vliegen, dat gebeurde niet vaak. Een paar dagen geleden had ik een vogel gezien, daar waren er ook steeds minder van. Ze jaagden op de paar insecten die er nog waren en verder leden ze honger, net als de rest van de wereld.

Een snerpend geluid doorbrak de stilte. De fluit van de barak van de voorman, het signaal voor de tweede en laatste pauze van de dag. Mijn tong was kurkdroog, voelde ik.

Mijn collega’s en ik lieten ons als één man uit de bomen glijden. De andere vrouwen zaten al te kletsen, het volume van het kakofonische gebabbel ging flink omhoog zodra ze wisten dat het was toegestaan.

Ik zei niets, concentreerde me op het langzaam naar beneden klimmen zonder een tak af te breken.
Ik zei niets, concentreerde me op het langzaam naar beneden klimmen zonder een tak af te breken. Het lukte. Pure mazzel. Ik was onhandig, lomp, had het hier lang genoeg volgehouden om te weten dat ik nooit goed zou worden in dit werk.

Op de heuvel bij de boom stonden gebutste metalen bidons. Ik pakte er een en nam een flinke slok. Het water was lauw, smaakte naar aluminium, dus ik dronk minder dan ik zou moeten. Twee in het wit geklede jongens van het Voedingskantoor deelden vlug de herbruikbare bakken met de tweede maaltijd van de dag uit.

Ik ging een eindje bij de anderen vandaan met mijn rug tegen de boomstam zitten en maakte mijn bak open. Vandaag was de rijst gemixt met mais. Ik nam een hapje. Zoals gewoonlijk te zout, op smaak gebracht met kunstmatig geproduceerde chilipoeder en soja. Vlees had ik al heel lang niet meer gegeten. Voor het verbouwen van diervoer waren te veel kostbare akkers nodig. En een groot deel van het traditionele diervoer moest bestoven worden. De dieren waren het intensieve handwerk niet waard. De bak was zoals gewoonlijk leeg voor ik verzadigd was. Ik ging staan en zette hem terug in de verzamelmand. Vervolgens jogde ik op de plaats. Mijn benen waren moe en stijf van het lang in ongemakkelijke posities op de boomtakken staan. Mijn ledematen prikten, mijn lichaam bleef onrustig.

Maar het hielp niet. Ik keek snel om me heen. Niemand van de leiding had me in de gaten. Snel ging ik op de heuvel liggen om heel even mijn rug te strekken. Die deed pijn van het uren achter elkaar kromgebogen in dezelfde houding staan.

Ik deed even mijn ogen dicht. Probeerde het gesprek van de andere vrouwen uit mijn ploeg te negeren. Luisterde liever naar het stijgen en dalen van het volume. Die behoefte om met zoveel mensen tegelijk door elkaar heen te praten, waar kwam die vandaan? De anderen waren als kleine meisjes al begonnen. Urenlange groepsgesprekken waarvan het thema altijd het minst belangrijk was en waarbij nooit eens ergens dieper op werd ingegaan. Misschien met uitzondering van de momenten waarop er werd gepraat over iemand die niet aanwezig was.

Zelf gaf ik de voorkeur aan een-op-eengesprekken. Of bracht ik tijd in mijn eentje door. Op het werk vaak het laatste. En thuis had ik Kuan, mijn man. Niet dat wij nou lange gesprekken voerden, maar dat was ook niet wat ons bond. Kuans opmerkingen waren hier en nu, hij was concreet, hunkerde niet naar kennis, naar meer. In zijn armen vond ik rust. En we hadden Wei-Wen, onze driejarige zoon. Over hem konden we praten.

Juist op het moment dat het gebabbel me in slaap had gewiegd, hield het plotseling op. Iedereen zweeg.

Ik ging rechtop zitten. Mijn collega’s keken naar de weg. De groep liep over het karrenspoor in onze richting. Ze waren een jaar of acht, negen, niet ouder; ik herkende verschillende gezichten van Wei-Wens school. Ze hadden allemaal dezelfde overalls aan, dezelfde beige synthetische kleding die wij ook droegen, en liepen zo snel hun korte beentjes hen konden dragen. Twee volwassenen begeleidden hen. Een vooraan, een achteraan. Ze hadden beiden harde stemmen waarmee ze de kinderen constant corrigeerden. Maar ze blaften niet, de aanwijzingen werden vol warmte en medelijden gegeven. Want al beseften de kinderen nog niet wat hun te wachten stond, de volwassenen wisten het wel.

De kinderen liepen hand in hand, in ongelijke paren, de grootsten met de kleinsten, de oudere kinderen letten op de jongere.
De kinderen liepen hand in hand, in ongelijke paren, de grootsten met de kleinsten, de oudere kinderen letten op de jongere. Ze liepen uit de pas, ongeorganiseerd, maar ze hielden elkaars handen vast alsof ze aan elkaar vastgelijmd zaten. Misschien hadden ze op strenge toon te horen gekregen dat ze elkaar niet mochten loslaten.

Hun blikken waren op ons en op de bomen gericht. Nieuwsgierig, gefronste wenkbrauwen, hoofden scheef. Alsof ze hier voor het eerst waren, al waren ze allemaal in het district opgegroeid en kenden ze geen andere natuur dan de lange rijen fruitbomen, in de schaduw van het uit de kluiten gewassen bos in het zuiden.

Een gedrongen meisje keek me lang aan met grote, dicht bij elkaar staande ogen. Ze knipperde een paar keer, vervolgens haalde ze luidruchtig haar neus op. Ze had de hand van een mager jongetje vast. Hij gaapte luid en ongegeneerd, hield zijn vrije hand niet voor zijn mond, was zich er totaal niet van bewust dat zijn gezicht vertrok van de uitgebreide gaap. Hij gaapte niet uit verveling, daar was hij te jong voor, maar vanwege door voedselgebrek veroorzaakte vermoeidheid. Een tenger, lang meisje liep hand in hand met een klein jongetje. Hij ademde zwaar door zijn neus, had zijn mond open. Het lange meisje trok hem mee terwijl ze haar gezicht naar de zon keerde, knipperde en snoof, maar ze hield haar hoofd in dezelfde houding, alsof ze een kleurtje wilde krijgen, of misschien energie wilde verzamelen.

Elk voorjaar kwamen ze, de nieuwe kinderen. Maar waren ze altijd zo klein? Waren ze jonger geworden?

Nee. Ze waren acht. Net als altijd. Klaar met school. Of school… toch wel, ze hadden leren tellen en schrijven, maar verder was school vooral een vorm van reguliere opvang. Opvang en voorbereiding op een leven hierbuiten. Oefenen in lang stilzitten. Rustig stilzitten. Helemaal stil, prima. En opdrachten voor fijne motoriek. Ze knoopten al tapijten sinds hun derde. De kleine vingertjes waren zeer geschikt voor het maken van ingewikkelde patronen. Net zoals ze perfect waren voor het werk hier.

De kinderen liepen langs ons, draaiden hun hoofden in de richting van de andere bomen. Zo liepen ze verder, naar een ander veld. Het tandeloze jongetje struikelde even, maar het lange meisje hield hem stevig vast, zodat hij niet viel. De ouders waren hier niet, dus moesten de kinderen op elkaar passen.

De kinderen verdwenen over het karrenspoor, werden opgeslokt door de bomen.

‘Waar gaan ze heen?’ vroeg een vrouw uit mijn ploeg.

‘Vast naar 49 of 50,’ zei een ander. ‘Daar is nog niemand bezig.’

Ik voelde een knoop in mijn maag. Waar ze heen gingen, naar welk veld, dat was niet belangrijk. Wat ze zouden gaan doen…

De fluit van de barak klonk. We klommen weer omhoog. Mijn hart ging tekeer, terwijl ik niet buiten adem was. Want de kinderen waren niet jonger geworden. Wei-Wen was… Over vijf jaar was hij acht. Over vijf jaar was hij aan de beurt. De ijverige handjes waren hier meer waard dan waar ook. De kleine vingertjes, al gewend aan het tapijt knopen, elke dag op school getraind in fijne motoriek, al helemaal klaargestoomd voor dit soort werk.

Achtjarigen hier, dag in, dag uit, verstijfde kleine lichamen in de bomen.
Achtjarigen hier, dag in, dag uit, verstijfde kleine lichamen in de bomen. Geen herinneringen aan een jeugd zoals ik en mijn leeftijdgenoten hadden gehad, wij waren tot ons vijftiende naar school geweest.

Een niet-leven.

Mijn handen trilden toen ik het kostbare stuifmeel oppakte. Er werd gezegd dat we allemaal moesten werken om aan voedsel te komen, om het eten te maken dat we zelf konden opeten. Iedereen moest zijn steentje bijdragen, zelfs kinderen. Want wat heb je aan een opleiding als de graanvoorraad opraakt? Als de rantsoenen elke maand kleiner werden? Als je ’s avonds hongerig naar bed ging?

Ik draaide me om om de bloemen achter me te kunnen bereiken, maar deze keer bewoog ik te bruusk. Ik stootte tegen een tak die ik niet had gezien, verloor opeens mijn evenwicht en leunde te ver door naar de andere kant.

En toen hoorde ik het. Dat droge geluid dat wij zo haatten. Het geluid van een brekende tak.

De voorvrouw snelde op me af. Ze keek de boom in, taxeerde zwijgend de schade. Schreef iets op haar notitieblok voor ze weer wegliep.

Er was geen grote of sterke tak afgebroken, maar ik wist dat ik nu mijn spaargeld voor deze maand wel kon vergeten. Het geld dat in het blik in de keukenkast moest, want we spaarden elke yuan die we aan het einde van de maand overhielden.

Ik haalde diep adem. Mocht er niet aan denken. Kon niets anders doen dan verdergaan. Pakte de kwast, dipte hem in het stuifmeel, stak voorzichtig mijn hand uit naar de bloemen, streek over ze heen alsof ik een bij was.

Ik keek niet naar de klok. Wist dat dat niet hielp. Wist alleen dat de avond een stukje dichterbij kwam bij elke bloem waar ik overheen streek. En dus het ene uurtje van de dag dat ik met mijn kind kon doorbrengen. Dat uurtje was alles wat we hadden en in dat uurtje kon ik misschien een verschil maken. Iets opbouwen wat hem de kans gaf die ik zelf nooit had gekregen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief