leesfragment

‘De gestolen glasramen’ neemt je mee naar het Lier van de zestiende eeuw

Een Italiaanse familie, een juweel dat De Drie Broers heet, wilde feesten, struikrovers, een ongerieflijk kasteel, de schedel van een heilige en een knappe non… Het zijn de ingrediënten van De gestolen glasramen, de nieuwste historische thriller van Lydia Verbeeck.

1542 – 1545
Nadat de Italiaanse koopman Gian Carlo Affaitati de inname van Antwerpen verhinderde, beloont Karel V hem met de adellijke titel heer van Gistel. Hij installeert zich als kasteelheer en pendelt met zijn gezin tussen zijn nieuwe domein in Gistel en hun palazzo in Lier, waar hij bekendstaat als weldoener. Bij de geboorte van zijn zoon schenkt hij twee glasramen aan de Sint-Gummaruskerk in Lier.

1910 – 1918
De glasramen uit de Sint-Gummaruskerk worden opgehaald voor restauratie en verdwijnen spoorloos. Pas aan het eind van WO I komt de diefstal aan het licht. Verder onderzoek voert de lezer terug naar de zestiende eeuw, waarin de edelman Gian Carlo Affaitati niet helemaal vrij van smet blijkt…

Ontdek nu al de eerste pagina’s van het mysterieuze dubbelverhaal in De gestolen glasramen!

 

 

Meestal was kunstverzamelaar Paradis een goedlachse, vriendelijke man, maar vandaag stond zijn gezicht op onweer. ‘Is uw reputatie slechts bluf?’ snauwde hij.

Het onderwerp van zijn ergernis, meneer Renaud, drentelde schijnbaar kalm van kunstwerk naar kunstwerk. In werkelijkheid stoorde Renaud zich aan Paradis, die naar zijn mening evengoed had kunnen vragen de maan uit de lucht te plukken voor hem.

Hij bleef echter professioneel en zei geduldig: ‘Een schilderij: ja. Of een retabel, zilverwerk, een gouden monstrans of een beeldhouwwerk: noem maar op. Helaas, glasramen hebben mijn pad nog niet gekruist.’ Met zijn gemiddelde grootte en postuur, zijn verzorgde maar goedkope kledij en zijn saaie peper-en-zoutkleurige haar had hij een onopvallend uiterlijk.

Voor zijn beroep was het een zegen. Weinigen kenden zijn naam, velen zijn reputatie. Hij was de nachtmerrie van alle musea, gespecialiseerd in het roven van kunst en stijlmeubelen met een historische achtergrond. Zo had hij onder meer de prachtig uitgesneden armstoel geleverd waarop Paradis op dat ogenblik geïrriteerd heen en weer zat te schuiven. De originele eigenaar ervan was niemand minder dan keizer Karel geweest.

Ze bevonden zich in de kapel van een kasteel. De vroegere gebedsruimte was ontwijd, het altaar verwijderd. Het was nu een intieme tentoonstellingsruimte. Er viel alleen werk van grote meesters, of bij uitzondering van een aankomende belofte, te bewonderen.

Paradis gebaarde naar de twee spitsboogramen in de apsis waarvan het ordinaire vensterglas naar zijn mening door glas in lood moest worden vervangen. ‘Beeldt u zich het effect in. Alles zal een bijkomende dimensie krijgen, tot leven komen, er zal een interessant spel van licht ontstaan. Dat zult u toch met mij eens zijn?’

Renaud humde slechts.

‘Stel mij dan niet teleur!’

Hij was de nachtmerrie van alle musea.

Van de sublieme kunstverzameling was het meeste op een illegale manier verkregen. Toch had Paradis er tot nu toe geen last mee gehad. Misschien was dat omdat hij nooit over zijn verzameling liep te pochen, of omdat hij zelden iemand uitnodigde om ze te komen bekijken.

Het kon ook zijn dat hij tot nu toe gewoon geluk had gehad. Of dat zijn kasteel, weggestopt als het was in een grote verwilderde tuin, weinig aandacht trok. Bovendien lag het op de grens van de gemeente, meer bepaald in de bossen van Loksbergen, zodat het niet duidelijk was of het al dan niet op het grondgebied van Halen lag.

Het kasteel maakte deel uit van een aanzienlijke erfenis. Renaud wist uit goed ingelichte bron dat het om de nalatenschap van een suikeroom van Paradis ging. Oompje Paradis had in de kolonie een kapitaal vergaard, grotendeels door de plaatselijke bevolking uit te buiten, en nu kon een nazaat zich dankzij de erfenis aan exuberante wensen te buiten gaan.

‘Glasramen dus, alles schreeuwt erom!’ Paradis kreeg tot zijn ergernis nog steeds geen respons en sprak nog indringender. ‘Ik heb twee exemplaren op het oog die hier perfect zullen passen.’ Er kwam geen reactie. ‘Ik zal u natuurlijk flink vergoeden. Wat is uw prijs?’

Renaud opende eindelijk zijn mond en noemde een astronomisch bedrag met zes nullen in de hoop de ander te ontmoedigen, maar Paradis antwoordde zonder aarzelen: ‘Akkoord. Wanneer kunt u ze leveren?’ Het klonk gretig, alsof hij hoopte dat zijn gesprekspartner ‘morgen’ ging zeggen.

‘U gaat werkelijk akkoord met dit uitzonderlijke bedrag?’

‘Heb ik niet positief geantwoord?’ zei Paradis korzelig.

‘Dan zijn we het eens over de prijs. Het zal echter wel wat tijd vragen. U zult geduld moeten hebben. Glasramen stelen vereist een bijzondere strategie.’ Renaud legde niet uit welke dat was om de eenvoudige reden dat hij zelf nog niet wist hoe hij de klus zou klaren.

Glasramen stelen vereist een bijzondere strategie.

‘Ik zal wachten, maar overdrijf niet, mijn vertrouwen is eindig’, zei Paradis ernstig en nadat Renaud halfslachtig had geknikt, vervolgde hij met: ‘Ze hangen in de Sint-Gummaruskerk, dat is de Grote Kerk van Lier, meer bepaald aan de oostzijde van de zuidelijke dwarsbeuk.’

‘En als ik gemakkelijker andere glasramen kan leveren?’ Het was zo al een moeilijk karwei. Als hij dan ook nog eens rekening moest houden met bijzondere wensen van de opdrachtgever, dan werd het helemaal lastig.

‘Dan worden het toch deze twee exemplaren. Laat mij daarover duidelijk zijn.’ Meer uitleg over die bizarre voorkeur was Paradis niet bereid te geven, waarop Renaud piekerend over een methode om de glasramen te stelen naar huis liep.

Zo begon het die zomer in 1910. Maar eigenlijk startte het verhaal vroeger. Veel vroeger.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief