leesfragment

‘De henna-kunstenares’ van Alka Joshi

0

De zeventienjarige Lakshmi ontsnapt begin jaren vijftig aan een gedwongen huwelijk. Lakshmi weet zich staande te houden als hennakunstenaar, haar ontwerpen maken haar tot de favoriet van de rijkste vrouwen. Tijdens het schilderen hoort ze geheimen aan van haar klanten en ze moet discreet opereren.
Het lukt Lakshmi om onafhankelijk te leven, maar op een dag staat haar man voor haar neus. Ineens lijkt haar zorgvuldig opgebouwde wereld weer in te storten…

Lees hier alvast de eerste pagina’s van De henna-kunstenares, de bestseller van Alka Joshi.

PROLOOG

Ajar, deelstaat Uttar Pradesh, India
September 1955

Lichtjes stapt ze op de harde aarde, haar vereelte voeten ongevoelig voor de kleine keitjes en de aangekoekte modder op de oever van de rivier. Op haar hoofd balanceert een mutki, de aardewerken kruik die ze elke dag gebruikt om water te halen bij de put. Vandaag haalt ze geen water, maar draagt het meisje er heel haar hebben en houden in mee: een rok en blouse, de trouwsari van haar moeder, De verhalen van Krishna, waaruit haar vader haar voorlas – de pagina’s zijdezacht door de vele aanrakingen – en de brief die vanochtend uit Jaipur is aangekomen.

Als ze in de verte de stemmen hoort van de dorpsvrouwen aarzelt het meisje. De roddeltantes zijn aan het kletsen, lachen en vertellen verhalen terwijl ze sari’s, vesten, rokken en dhoti’s wassen. Maar als ze haar in de gaten krijgen, zullen ze ineens zwijgen, weet het meisje, en naar haar staren of op de grond spuwen en God smeken om ze te beschermen tegen het Onheilskind. Ze herinnert zichzelf aan de brief die veilig in de mutki zit en denkt: laat ze maar. Het is toch voor het laatst.

Gisteren nog hebben de vrouwen het dorpshoofd fel aangesproken: Waarom woont het Onheilskind nog steeds in het huisje van de schoolmeester terwijl we dat nodig hebben voor de nieuwe schoolmeester? Bang een geluid te maken omdat ze haar dan misschien aan haar haren naar buiten zouden slepen was ze roerloos tussen de vier lemen muren blijven zitten. Er is niemand meer die haar beschermt. Afgelopen week is het lichaam van haar moeder verbrand, samen met de beenderen van kadavers, de brandstapel van de armen. Haar vader, de vorige schoolmeester, heeft hen een halfjaar geleden verlaten en is niet lang daarna vlak voor de oever verdronken in een ondiepe poel – hij was zo dronken dat hij de angel des doods waarschijnlijk niet heeft gevoeld.

De afgelopen week heeft het meisje elke dag aan de rand van het dorp op de postbode gewacht, die soms van het naburige dorp aan komt rijden. Zodra ze hem vanochtend zag was ze zo snel uit haar schuilplaats gerend dat hij ervan schrok, en vroeg ze of hij een brief voor haar familie bij zich had. Hij fronste zijn wenkbrauwen en beet op zijn wang, terwijl hij haar met zijn waterige ogen achter dikke brillenglazen aandachtig opnam. Ze kon aan hem zien dat hij met haar te doen had, maar hij was ook geërgerd omdat ze iets vroeg wat hij alleen aan het dorpshoofd mocht geven. Zonder met haar ogen te knipperen bleef ze hem echter aankijken. Toen hij haar eindelijk de dikke envelop van flinterdun papier gaf die geadresseerd was aan haar ouders, deed hij dit schielijk en reed vervolgens zo hard als hij kon weg.

Nu loopt ze met gerechte rug en haar schouders naar achteren langs de vrouwen.
Nu loopt ze met gerechte rug en haar schouders naar achteren langs de vrouwen op de oever. Ze kijken haar boos aan. Haar hart gaat tekeer in haar borst, maar recht als suikerriet loopt ze hen met de mutki op haar hoofd voorbij, alsof ze op weg is naar de put van de boeren, drie kilometer van het dorp, de enige die ze mag gebruiken.

De roddeltantes fluisteren nu niet meer, maar roepen tegen elkaar: Daar gaat het Onheilskind! Het jaar dat ze werd geboren hebben sprinkhanen het koren opgevreten! Haar zus heeft haar echtgenoot verlaten en niemand heeft haar ooit nog gezien! Schandelijk! En hetzelfde jaar is haar moeder blind geworden! En haar vader aan de drank geraakt! Schandalig! Zelfs de kleur van haar ogen is verdacht. Alleen Angreji-walli hebben blauwe ogen. Is ze wel een van ons? Hoort ze wel in dit dorp?

Het meisje heeft zich vaak afgevraagd hoe de zus is, over wie ze het hebben. De zus van wie ze het gezicht alleen ziet als een schim in haar dromen, de zus van wie haar ouders het bestaan nooit hebben erkend. De roddeltantes beweren dat ze dertien jaar geleden is weggegaan uit het dorp. Waarom? Waar is ze heen gegaan? Hoe is ze ontsnapt aan een dorp waar de roddeltantes heel je doen en laten in de gaten houden? Is ze in het holst van de nacht vertrokken, toen de koeien en de geiten sliepen? Ze zeggen dat ze geld heeft gestolen, maar in het dorp heeft helemaal niemand geld. Waar heeft ze van geleefd? Sommigen beweren dat ze zich had verkleed als man zodat ze onderweg niet zou worden aangehouden. Anderen zeggen dat ze ervandoor is gegaan met een circusjongen en als nautch-meid kilometers verderop danst in de rosse buurt van Agra.

Als ze niet uit het huisje trok zou de hoofdman erop staan dat ze zou trouwen met een bestorven boer, en anders zou hij eisen dat ze wegging uit het dorp, waarschuwde de oude, manke Munchi – haar enige vriend in het dorp – drie dagen geleden.

‘Je hebt hier niets meer wat je bindt,’ zei Munchi-ji. Maar hoe kon ze weggaan – een dertienjarig weesmeisje zonder familie of geld?

Munchi-ji zei: ‘Je moet dapper zijn, bheti.’ Hij vertelde haar dat haar schoonbroer, de man die jaren geleden door haar zus was verlaten, in een nabijgelegen dorp woonde. Misschien kon hij haar helpen haar zus te vinden.

‘Waarom kan ik niet bij u blijven?’ vroeg ze.

‘Dat zou niet gepast zijn,’ antwoordde de oude man vriendelijk.
‘Dat zou niet gepast zijn,’ antwoordde de oude man vriendelijk. Hij voorzag in zijn levensonderhoud met het beschilderen van gedroogde bladeren van de banyan. Om haar te troosten had hij haar een schilderijtje gegeven. Ze was zo boos dat ze het bijna naar hem terug had gesmeten tot ze zag dat het een afbeelding was van Heer Krishna, die zijn gezellin Radha, naar wie ze is vernoemd, een mango voert. Zoiets moois had ze nog nooit gekregen.

Radha houdt haar pas in als ze de dorsplaats van het dorp nadert. Twee koppels ossen lopen rondjes om een grote platte steen en malen graan. Prem, die de ossen verzorgt, zit met zijn rug tegen de hut te slapen. Stilletjes snelt ze langs hem heen naar het pad dat naar de tempel van Ganesh-ji leidt. Het heiligdom heeft een smalle ingang; binnen staat een beeld van Heer Ganesh. Rond de poten van de Olifantgod zijn geschenken uitgestald: een jonge kokosnoot, goudsbloemen, een potje met ghee, schijfjes mango. Uit een kegeltje sandelhoutwierook kringelt loom rook omhoog.

Radha legt Munchi-ji’s afbeelding van Krishna neer voor Ganesh-ji, die alle obstakels wegneemt, en smeekt hem om haar van de vloek te bevrijden die ze als Onheilskind met zich meedraagt.

Tegen de tijd dat ze aankomt bij het dorp van haar schoonbroer, dat vijftien kilometer naar het westen ligt, is het achter in de middag en is de zon naar de horizon gezakt. Ze zweet in haar katoenen blouse. Haar voeten en enkels zijn stoffig, haar mond is droog.

Op haar hoede sluipt ze het dorp binnen. Ze kruipt weg in struiken en verstopt zich achter bomen. Ze weet dat een meisje dat alleen op pad is, niet vriendelijk wordt bejegend. Ze speurt naar een man die voldoet aan de beschrijving die Munchi-ji heeft gegeven.

Ze ziet hem. Daar. Pal tegenover haar. Gehurkt onder een banyanboom. Haar schoonbroer.

Hij heeft glanzend, gitzwart haar. Vanaf zijn onderlip kron kelt een lang grof litteken naar zijn kin. Hij is niet jong, maar ook niet oud. Op zijn onderhemd zitten curryvlekken en zijn dhoti is stoffig.

Dan ziet ze de vrouw die in het zand voor de man neerhurkt. Ze ondersteunt haar elleboog met een hand, haar onderarm bungelt in een onnatuurlijke hoek naar beneden. Haar hoofd is volledig bedekt met haar pallu en ze fluistert tegen de man. Radha kijkt toe en vraagt zich af of haar schoonbroer een andere vrouw heeft genomen.

Ze pakt een steentje en gooit het naar hem.
Ze pakt een steentje en gooit het naar hem. Ze mist. De tweede keer raakt ze zijn bovenbeen, maar hij wappert alleen even met zijn hand, alsof hij een vlieg wegjaagt. Aandachtig luistert hij naar de vrouw. Radha gooit nog meer kiezelsteentjes en weet hem een paar keer te raken. Eindelijk heft hij zijn hoofd op en kijkt om zich heen.

Radha stapt naar voren zodat hij haar kan zien.

Hij spert zijn ogen wijd open, alsof hij een geest ziet, en zegt: ‘Lakshmi?’

DEEL EEN

EEN

Jaipur, deelstaat Rajasthan, India 15 november 1955 De onafhankelijkheid heeft alles veranderd. De onafhankelijkheid heeft niets veranderd. Acht jaar na het vertrek van de Britten hadden we inmiddels gratis onderwijs, stromend water en verharde wegen. Toch voelde Jaipur voor mij als toen ik er tien jaar geleden mijn eerste stappen op de stoffige grond zette. Op weg naar onze eerste afspraak van die ochtend boorde een fietser zich tussen Malik en mij in, waardoor we tegen een man met zakken cement op zijn hoofd opbotsten. Door de fietser, die een ladder van twee meter onder zijn arm geklemd hield, schampte een rijtuig een varken, dat krijsend een steegje in rende. Even later gingen we opzij en wachtten we tot een luidruchtige stoet hijra’s voorbij was getrokken. De in sari geklede mannen met gestifte lippen zongen en dansten voor een huis om de geboorte van een jongetje te zegenen. We waren zo gewend aan de geuren van de stad – koemest, kookvuurtjes, kokoshaarolie, sandelhoutwierook en urine – dat we ze nauwelijks nog roken.

Wat de onafhankelijkheid wél had veranderd was ons volk. Je kon het zien aan de houding van de mensen: borst vooruit, alsof ze het zich eindelijk toestonden te ademen. Je zag het aan de manier waarop ze naar hun tempel liepen – vastberaden en trots. Aan de manier waarop ze in de bazaar afdongen bij de verkopers – brutaler dan voorheen.

Malik floot om een tonga aan te houden. Hij was klein en zo mager als een lat. Zijn fluitje, zo luid dat het tot in Bombay te horen was, verraste me telkens weer. Hij tilde onze zware tiffins in het koetsje, waarna de tonga-walla ons knorrig over het korte ritje vijf straten verder af zette. Onder het toeziend oog van de poortwachter stapten we uit.

Voor de onafhankelijkheid woonden de meeste families in Jaipur dicht op elkaar gepakt in de oude Roze Stad, maar de Singhs woonden al generaties lang ruim behuisd buiten de stadsmuren. Ze behoorden tot de heersende klasse – de klasse van radja’s, lagere prinsen en legerofficieren – die tijdens, en zelfs nog na het Britse bewind, gewend was privileges te genieten. Het verblijf van de Singhs lag aan een brede, met banyanbomen omzoomde boulevard. Muren van tweeënhalve meter hoog, afgezet met glasscherven, onttrokken het pand aan het oog. Zowel de beneden- als bovenverdieping had voor en opzij een marmeren veranda, overgroeid met bougainville- en jasmijnranken, die het huis koel hielden als Jaipur in de zomer zo heet werd als een tandoori.

We laadden we onze spullen uit. Malik bleef achter om met de poortwachter te roddelen terwijl ik over het geplaveide pad dat was aangelegd in het midden van een breed, verzorgd gazon, naar de veranda van Parvati Singh liep.

Het was november en de ochtend was kil, maar vochtig.
Het was november en de ochtend was kil, maar vochtig. Lala, die van al het personeel het langst bij Parvati Singh in dienst was en de kindermeid van haar zoons was, begroette me bij de deur. Als teken van respect trok ze haar sari over haar hoofd.

Ik glimlachte en bracht mijn handen tegen elkaar tot een namasté. ‘Heb je de magnoliaolie gebruikt, Lala?’ De vorige keer dat ik langskwam had ik haar een flesje met mijn middeltje tegen vereelte voetzolen toegestopt.

Terwijl ze een lachje verborg achter haar pallu stak ze een blote voet uit en draaide ermee om me haar gladde hiel te laten zien. ‘Hahn-ji,’ zei ze vrolijk.

Shabash,’ zei ik om haar te feliciteren. ‘En hoe gaat het met je nichtje?’ Een halfjaar geleden had Lala haar vijftienjarige nichtje meegenomen om voor de Singhs te werken.

Er vormde zich een groef in het voorhoofd van de oude vrouw en haar lach verdween. Net toen ze antwoord wilde geven, riep haar mevrouw: ‘Ben jij dat, Lakshmi?’

Lala trok haar gezicht vlug in de plooi, glimlachte gespannen en gaf met een gebaar van haar hoofd te kennen dat het goed ging met haar nichtje. Daarna ging ze naar de keuken, omdat ze wist dat ik de weg naar de slaapkamer van Parvati zelf zou weten te vinden, want daar was ik al talloze keren geweest.

Parvati zat achter haar rozenhouten bureau. Ze keek even op haar smalle gouden polshorloge en ging daarna verder met de brief die ze aan het schrijven was. Ze stond op punctualiteit en had er een hekel aan als anderen te laat waren. Ik was het daarentegen gewend om te wachten terwijl zij een briefje schreef aan Nehru-ji of een telefoongesprek met een lid van de Indo-Sovjet Bond afrondde.

Ik zette mijn tiffins neer en ordende de kussens op Parvati’s crèmekleurige divan terwijl zij de brief dichtplakte en Lala riep.

Niet de oude bediende verscheen, maar Lala’s nichtje. Ze sloeg haar grote donkere ogen neer en staarde met haar handen samengevouwen voor haar lichaam naar de grond.

Parvati vertrok haar wenkbrauwen tot een frons en zei na een zeer korte stilte: ‘Er komt een gast lunchen. Zorg dat we boondi raita hebben.’

Het meisje trok bleek weg en zag eruit alsof ze onpasselijk werd
Het meisje trok bleek weg en zag eruit alsof ze onpasselijk werd. ‘Er is geen verse yoghurt in huis, memsahib.’

‘Waarom niet?’

Het meisje schuifelde ongemakkelijk. Ze zocht een antwoord in het Turkse vloerkleed, de ingelijste foto van de premier en de drankenkast met spiegels.

Toen Parvati sprak klonken haar woorden glashard, duidelijk en scherp.

‘Zorg dat er boondi raita voor de lunch is.’

De onderlip van het meisje trilde. Ze keek me smekend aan.

Ik liep naar het raam dat uitkeek op de achtertuin. Parvati was ook mijn meesteres en ik kon het meisje net zomin helpen als de tijgerhuid aan de muur dat zou kunnen.

‘Zeg tegen Lala dat zij vandaag de thee moet brengen.’ Parvati gebaarde dat het meisje weg kon gaan en zeeg neer op de divan. Nu kon ik de henna aanbrengen. Als altijd ging ik op het andere eind van de chaise longue zitten en pakte haar handen vast.

Voor ik naar Jaipur kwam, lieten mijn klanten hun handen en voeten door vrouwen van de sjoedra-kaste met henna beschilderen. Maar de vrouwen van de laagste kaste schilderden wat hun moeders vóór hen hadden gedaan: simpele stippen, streepjes en driehoekjes. Net genoeg om er een schamel inkomen mee te verdienen. Mijn patronen waren veel complexer; ze vertelden verhalen over de vrouwen die ik diende. En mijn hennapasta was fijner en zachter dan het mengsel dat de sjoedravrouwen gebruikten. Voor ik de henna aanbracht wreef ik de huid van mijn dames eerst in met een lotion van citroen en suiker, zodat het patroon weken bleef zitten. Hoe donkerder de henna, hoe meer de vrouw door haar man werd bemind – dat dachten mijn klanten tenminste – en mijn weelderige, kaneelkleurige ontwerpen stelden hen nooit teleur. Na verloop van tijd meenden mijn klanten dat mijn hennaschilderingen hun onberekenbare man terug in hun bed konden lokken of ervoor konden zorgen dat zich een kind in hun schoot nestelde. Hierdoor kon ik een prijs vragen die tien keer hoger was dan die van de sjoedravrouwen. En die prijs werd betaald.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief