leesfragment

‘De heren van de tijd’ van Eva García Sáenz de Urturi

De heren van de tijd maakt de trilogie van De witte stad compleet!

Vitoria, 2019. De roman De heren van de tijd, die zich afspeelt in de Middeleeuwen, is een groot succes. Hij verschijnt onder het mysterieuze pseudoniem Diego Veilaz. 
Vitoria, 1192. De legendarische graaf Diago Vela komt thuis na een missie van twee jaar, hem opgedragen door de koning. Hij treft zijn broer aan, getrouwd met de vrouw die ooit zíjn bruid was. 
In het heden krijgt Unai López de Ayala te maken met een reeks gruwelijke moorden, identiek aan beschrijvingen in De heren van de tijd. Zijn onderzoek leidt naar de toren van Nograro, een fort dat al eeuwen bewoond wordt door dezelfde familie. Gaandeweg vindt Unai in De heren van de tijd allerlei overeenkomsten met zijn eigen verleden. En deze ontdekking zal voor hem en zijn familie alles veranderen.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van De heren van de tijd van Eva García Sáenz de Urturi!

1
Het Palacio de Villa Suso
Unai

September 2019

Ik zou deze geschiedenis kunnen beginnen met de verwarrende vondst van het lichaam van een van de rijkste mannen van het land, de eigenaar van een groot lowcostmode-imperium, vergiftigd met cantharide – de legendarische middeleeuwse viagra – in het Palacio de Villa Suso. Dat doe ik niet.

In plaats daarvan vertel ik liever wat er gebeurde op de avond dat we naar de onthutsende presentatie gingen van de roman waarover iedereen het had: De heren van de tijd.

We waren gefascineerd door die historische roman. Ik wel in de eerste plaats, dat geef ik toe. Het was zo’n boek waardoor je gegrepen wordt, een onzichtbare hand die je vanaf de eerste alinea in je nekvel pakt en je als een magneet zijn grimmige middeleeuwse wereld in trekt terwijl jij je willoos laat meevoeren.

Het was geen boek, het was een val van papier, een hinderlaag van woorden… en er was geen ontkomen aan.

Mijn broer Germán, mijn alter ego Estíbaliz, onze vriendengroep… Niemand had het ergens anders over en velen hadden de roman ondanks de vierhonderdzeventig pagina’s in drie avonden uitgelezen, terwijl anderen hem juist doseerden alsof het een gif was – van het soort dat je genot geeft wanneer je het jezelf toedient – en de ervaring om met het hoofd in het jaar des Heeren 1192 te zitten probeerden te rekken. Die onderdompeling was zo intens dat ik Alba soms, wanneer we tussen de lakens stoeiden in nachten met verstrengelde dijen en tongen, mi seniora noemde.

Er was een extra spannende factor, een op te lossen raadsel: de identiteit van de schuwe auteur.
Er was een extra spannende factor, een op te lossen raadsel: de identiteit van de schuwe auteur.

Al anderhalve week een kaskraker in de boekhandels, maar er was niet één foto van hem in de kranten verschenen, en ook niet op het omslag van de roman. Interviews had hij evenmin gegeven. Geen spoor van een digitale identiteit op de social media en ook geen website. Hij was een paria van het heden of iemand die echt in een anachronistisch, analoog verleden leefde.

Het vermoeden bestond dat de naam waarmee hij zijn werk had getekend, Diego Veilaz, een pseudoniem was, een knipoog naar de lezer en naar de hoofdpersoon van de roman, de charismatische graaf don Diago Vela. Hoe konden we het ook weten? Hoe konden we op dat moment ook maar iets weten, toen de waarheid haar grillige vleugels nog niet had uitgeslagen boven de geplaveide straten van de Almendra Medieval, de middeleeuwse amandelvormige stadskern.

 

De avond viel in sepia toen ik het Plaza del Machete overstak met Deba op mijn schouders. Ik vertrouwde erop dat mijn dochtertje van twee – zij vond zichzelf al groot – niet te druk zou zijn tijdens de presentatie van De heren van de tijd. Grootvader was meegekomen als versterking, ook al was het de vooravond van San Andrés en werden in Villaverde de patroonsfeesten gevierd.

Hij had zich bij ons thuis aangediend met een: ‘Ik zorg voor de kleine meid, jongen.’ En het kwam Alba en mij goed uit om eens te kunnen ontspannen.

Al enkele weken maakten we lange dagen vanwege de verdwijning van twee jonge zusjes onder vreemde, echt heel vreemde omstandigheden, en we konden wel wat slaap gebruiken.

Nog een paar uur en dan zouden we een korte adempauze kunnen nemen na een vruchteloze zoektocht van veertien dagen. Als een blok op het dekbed vallen en bijtanken om een zaterdag aan te kunnen die al even frustrerend dreigde te worden.

We hadden ons huiswerk zorgvuldig gedaan maar niets bereikt: een speurtocht met vrijwilligers en honden, op rechterlijk bevel de mobieltjes van hun hele vriendenkring afgetapt, alle camerabeelden van de provincie bekeken, voertuigen van familieleden uitgekamd door de technische recherche, iedereen verhoord met wie ze in hun schamele zeventien en twaalf levensjaren waren omgegaan.

Ze waren in rook opgegaan… en het waren er twee.

Een bijzonderheid die het drama verdubbelde, en ook de druk van hoofdcommissaris Medina op Alba.

 

De middeleeuwse markt die in september werd gehouden viel samen met de signeersessie van de roman.
Een ellenlange rij wachtte in het flauwe licht van de lantaarns op het Plaza del Machete op het begin van de presentatie.

Een groenfluwelen jongleur haalde capriolen uit met drie rode ballen, een diknekkige man liet de kop van een witte boa in zijn mond glijden. Op het geplaveide plein rook het naar platte maiskoeken en torta de chinchorta, en een paar uitbundige violisten vertolkten de muziek van Game of Thrones. De middeleeuwse markt die in september werd gehouden viel samen met de signeersessie van de roman.

Het plein, dat vroeger de markt was geweest, was voller dan ooit en de groepjes lezers gingen op in de menigte onder de Arquillos del Juicio, opgeslokt door de luidruchtige verkopers van aardewerken kruiken en lavendelolie.

Toen zag ik Estíbaliz, mijn collega bij de strafrechtelijke opsporingsdienst, met de moeder van Alba, die haar meteen had geadopteerd toen ze elkaar leerden kennen en die haar systematisch had opgenomen in al onze familietradities.

Mijn schoonmoeder, Nieves Díaz de Salvatierra, was een teruggetrokken actrice die in de jaren vijftig het wonderkind van de vaderlandse film was geweest. Ze had haar felbegeerde rust gevonden als eigenares van een kasteelhotel in Laguardia, tussen wijngaarden en de Sierra de Toloño, de Keltische god Tullonius, tot wie ik mijn smeekbedes richtte wanneer het universum klote werd.

‘Unai!’ riep Estíbaliz met opgestoken arm. ‘Hier!’

Alba, grootvader en ik liepen naar hen toe. Deba gaf haar tante Esti een natte klapzoen en eindelijk konden we het Palacio de Villa Suso binnen, een stenen renaissancegebouw dat al zo’n vijf eeuwen het hoge deel van de stadsheuvel domineerde.

‘Volgens mij is de familie compleet,’ zei ik, en ik strekte mijn arm uit naar een hemel die almaar donkerder indigo werd. ‘Allemaal even naar de telefoon kijken, graag.’

Vier generaties Díaz de Salvatierra en López de Ayala lachten voor de familieselfie.

‘De presentatie is in de Martín de Salinas-zaal, op de tweede verdieping, dacht ik.’ Alba leidde ons, goedgemutst. ‘Wat een onschuldig mysterie, hè?’

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.

‘De grote onbekende, de identiteit van de auteur. Vanavond komen we eindelijk te weten om wie het gaat…’
‘De grote onbekende, de identiteit van de auteur. Vanavond komen we eindelijk te weten om wie het gaat…’ antwoordde ze terwijl ze mijn hand pakte en haar vingers met de mijne vervlocht. ‘Waren de raadsels die wij op het werk ontrafelen maar zo onschuldig.’

‘Over mysteries gesproken…’ onderbrak Estíbaliz haar, nadat ze haar een duwtje had gegeven bij de ingang van de zaal. ‘Stap niet op de ingemetselde vrouw, Alba. De bewakers zeggen dat ze angstaanjagend jammert als ze ’s nachts door de verlaten gangen van de toiletten dwaalt. Ze beweren dat het de naargeestigste wc’s van de stad zijn.’

Alba sprong opzij. Meegevoerd door de meute was ze precies op de beglaasde vloer gestapt die zicht gaf op de grafsteen waaronder volgens een bord aan de wand de botten van een vrouw uit de middeleeuwen begraven lagen.

‘Niet over spoken en skeletten praten waar Deba bij is,’ zei ze met een knipoog, en op zachtere toon: ‘Ik wil niet dat ze vanavond wakker ligt. Vanavond moet ze slapen. Als een beer in winterslaap. Haar moeder moet dringend bijslapen.’

Grootvader glimlachte, met dat halve lachje van een honderdjarige die, wat het lezen van personen betreft, lichtjaren op ons voorligt.

‘Alsof jullie het meiske bang kunnen maken met een paar misplaatste botten.’

Ik zou zeggen dat er een zweem van trots in zijn gebarsten stem lag, want grootvader ging er prat op dat hij zijn achterkleindochter het best begreep. Ze onderhielden een soort effectieve telepathie die ons allemaal buitensloot: haar moeder, haar oma Nieves, haar oom Germán en tante Esti, en mij ook. Deba en grootvader hadden genoeg aan een blik en een schouderophalen, en tot onze wanhoop kon hij beter dan wie ook de nuances duiden van mijn dochters gehuil, haar beweegredenen om haar regenlaarsjes niet aan te willen ook al was dat echt nodig, of de verborgen betekenis van de krabbels waarmee ze elk oppervlak dat ze op haar weg tegenkwam bekladde.

Eindelijk konden we de stampvolle zaal in, al moesten we het doen met stoelen op de voorlaatste rij. Grootvader zette Deba op zijn knie en liet zijn achterkleindochter met zijn baret spelen, iets wat hun fysieke gelijkenis benadrukte en haar tot een kleine kloon van hem maakte.

Terwijl grootvader mijn dochtertje bezighield, maakte ik me in gedachten los van mijn drukke werk en ik keek omhoog: de smalle zaal met stenen wanden had een plafond van robuuste houten balken. Achter de lange tafel met drie ongeopende flesjes water en drie lege stoelen hing prominent een verbleekt wandtapijt met het paard van Troje.

Ik keek op mijn telefoon, de presentatie had al bijna drie kwartier vertraging. De heer rechts van me, met een exemplaar van de roman op schoot, schoof onrustig heen en weer op zijn stoel, en hij was niet de enige. Presentatie, ho maar. Alba keek me een paar keer aan alsof ze wilde zeggen: ‘Als het nog lang duurt, moeten we naar huis met Deba.’

En ik knikte, maar streelde eerst even de rug van haar hand en stelde haar met een blik een nachtelijk avontuurtje in het vooruitzicht.

Wat heerlijk voelde het om je niet te hoeven verstoppen.
Wat heerlijk voelde het om je niet te hoeven verstoppen, wat heerlijk voelde het om een gezin van drie te vormen, wat goed was het leven wanneer het niet zijn tanden liet zien. Mijn leven bestond al twee lange jaren – vanaf de dag dat Deba was geboren – uit een gelukkige verzameling gezinsgewoontes.

Die opeenstapeling van onschuldige dagen met mijn dames beviel me uitstekend.

Op dat moment liep er een dikke, zwetende man langs me heen die ik herkende: het was de uitgever van Malatrama.

Een tijd geleden hadden we elkaar getroffen tijdens de zaak- de Riten van het water. Zijn uitgeverij publiceerde het werk van het eerste slachtoffer, Annabel Lee, striptekenaar en vroeger vriendinnetje van mijn hele vriendengroep, die stuk voor stuk als een blok voor haar waren gevallen, om het zo maar te zeggen. Het deed me goed hem weer te zien. Hij werd gevolgd door een kerel met een volle baard, wellicht onze schuwe auteur, en in de stenen zaal steeg een tevreden en verwachtingsvol geroezemoes op dat de vertraging van bijna een uur leek te vergeven.

‘Eindelijk,’ siste Esti, die naast me zat. ‘Vijf minuten langer en we hadden de ME moeten oproepen.’

‘Doe me een lol, met die vermiste meisjes hebben we de afgelopen twee weken al genoeg feest gehad.’ Haar rode haar zwiepte in mijn ogen toen ze naar me toe boog, ik vroeg haar met een blik om stil te zijn.

‘Die komen wel terug bij papa en mama, dat heb ik je al duizend keer gezegd,’ fluisterde ze nog snel.

‘Mogen de goden je verhoren, dan kunnen we eindelijk slapen,’ zei ik terwijl ik een geeuw onderdrukte.

Gelukkig had ik mijn spraakvermogen praktisch helemaal terug na de afasie van Broca die ik in 2016 had opgelopen. Na drie jaar intensieve logopedie hoorde ik weer bij de wereld van de spraakzame onderzoekers, en op een enkele tijdelijke blokkade na als gevolg van vermoeidheid, stress of slaaptekort kwamen mijn redenaarskunsten er weer vloeiend uit.

‘Eén twee, één twee…’ snerpte de stem van de uitgever. ‘Ben ik goed te horen?’

De aanwezigen knikten als één man.

Ik moet u helaas vertellen dat de auteur van de roman niet naar het evenement van vanavond heeft kunnen komen.
‘Het spijt me dat deze bijeenkomst met zoveel vertraging begint, en ik moet u helaas vertellen dat de auteur van de roman niet naar het evenement van vanavond heeft kunnen komen,’ deelde hij mee na met trillende hand over zijn ruige, golvende bardenbaard te hebben gestreken.

De reactie bleef niet uit en enkele aanwezigen verlieten de ruimte, met medeneming van hun slechte humeur. Met een verslagen blik volgde de uitgever de ruggen van de eerste deserterende lezers.

‘Ik begrijp uw teleurstelling, geloof me. Dit stond niet op het programma, maar omdat ik de avond niet verloren wil laten gaan voor iedereen die op de presentatie van de auteur heeft gewacht, zou ik Andrés Madariaga aan u willen voorstellen. Hij is doctor in geschiedenis en een van de archeologen uit het team van de Stichting van de Santa María-kathedraal dat een aantal jaar geleden opgravingen heeft verricht op luttele meters van de plek waar we nu zitten, op de heuvel van Villa de Suso en in de ondergrond van de Oude Kathedraal. Hij wilde onze gevierde schrijver bijstaan tijdens de presentatie en de aanwezigen vertellen over de ongelofelijke parallellen tussen de Almendra Medieval zoals we die nu kennen en het Victoria uit de twaalfde eeuw dat in de roman wordt opgevoerd.’

‘Inderdaad.’ De archeoloog kuchte. ‘De vertelling is verbazingwekkend getrouw, alsof de auteur bijna duizend jaar geleden echt door deze straten heeft gelopen. Op deze plek hier, naast de oude poort van het palacio, op de trappen die we nu kennen als San Bartolomé, was in de middeleeuwen de Portal del Sur gevestigd, een van de toegangspoorten tot het ommuurde deel van de stad die…’

‘Hij weet niet wie het is,’ fluisterde Alba naast mijn oorlelletje, dat alleen al van haar adem ging gloeien.

‘Wat bedoel je?’ mompelde ik.

‘Dat de uitgever evenmin weet wie de auteur is. Hij heeft zijn naam niet één keer genoemd en niet aan hem gerefereerd als Diego Veilaz, het pseudoniem. Hij heeft geen flauw idee wie het is.’

‘Of hij wil het mysterie intact houden tot de volgende bijeenkomst waarop de auteur verschijnt en de nieuwsgierigheid brandende houden.’

Ze keek naar me alsof ik een klein kind was, niet echt overtuigd.

‘Ik zou zweren van niet, ik zou zweren dat hij net zo in het duister tast als wij.’

‘Wellicht weet u niet dat we ons bij de achtermuur van de oorspronkelijke ommuring bevinden, de muur van vóór de stichting van de stad. Ziet u hem? Het is deze hier,’ zei de archeoloog terwijl hij naar de stenen wand rechts van hem wees. ‘Uit de C14-datering weten we dat hij al eind elfde eeuw is geconstrueerd, een eeuw eerder dan we altijd hadden aangenomen. We kunnen stellen dat we ons op dezelfde plek bevinden als waar de roman zich afspeelt. In feite sterft een van de romanpersonages hier heel dichtbij, bij dit stuk van de stadsmuur. Velen zullen zich afvragen wat cantharide, Spaanse vlieg of oliekever eigenlijk is. In de roman komt het voor als een bruin poeder dat iemand bij wijze van afrodisiacum toedient aan ons arme personage. En het is waar, ik bedoel, haalbaar,’ corrigeerde hij zichzelf.

We luisterden allemaal aandachtig.
De archeoloog keek op. We luisterden allemaal aandachtig.

‘Cantharide was de middeleeuwse viagra bij uitstek,’ ging hij tevreden verder. ‘Een poeder verkregen uit het metallic groene schild van een kleine kever die veel voorkomt in Afrikaanse gebieden. Cantharide was het enige beproefde afrodisiacum om mannen een flinke erectie te bezorgen. De stof verwijdt de bloedvaten op een effectieve manier, maar raakte in onbruik doordat “de dosis het gif maakt”, zoals Paracelsus zei. Twee gram cantharide doodt de meest gezonde persoon in deze zaal, vandaar dat het in de zeventiende eeuw niet meer werd gebruikt toen de zogeheten “snoepjes van Richelieu” het halve hof in Frankrijk uit schakelden gedurende de orgieën van die tijd, nog daargelaten dat de markies de Sade werd aangeklaagd voor moord toen enkele argeloze dames overleden nadat hij het hun had toegediend.’

Ik keek om me heen. De mensen die waren gebleven voor het geïmproviseerde praatje van de archeoloog luisterden geïnteresseerd naar de middeleeuwse anekdotes die hij opdiste. Deba was in slaap gevallen met grootvaders baret op, zijn stokoude kolenschoppen lagen beschermend om haar heen. Nieves luisterde belangstellend, Alba streelde mijn bovenbeen en Esti keek verstrooid naar de balken van het plafond. Kortom, alles prima.

Veertig minuten later nam de uitgever het woord nadat hij een mishandeld halvemaanvormig brilletje op het puntje van zijn enorme neus had gezet.

‘Ter afsluiting van deze bijeenkomst zou ik nu de eerste alinea’s van De heren van de tijd willen voorlezen.

Ik heet Diago Vela, ze noemen me graaf don Diago Vela, zo men wil. In deze kroniek maak ik getrouw gewag van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vanaf de dag dat ik na een afwezigheid van twee jaar terugkeerde naar het oude plaatsje Gasteiz of, zoals de heidenen het noemden, Gaztel Haitz, de Kasteelrots.
Ik reisde terug via Aquitanië en nadat ik Ultrapuertos was doorgetrokken…’

Opeens hoorde ik achter me de zaaldeur opengaan. Een beetje nieuwsgierig draaide ik me om. Ik zag een grijzende man van een jaar of vijftig met een kruk binnenstrompelen die riep: ‘Is er een dokter in de zaal? Het palacio is leeg, er moet een dokter komen!’

Esti, Alba en ik kwamen als een telepathische drieling overeind en we haastten ons naar de man toe om hem te kalmeren.

‘Gaat het?’ vroeg Alba, als altijd doortastend. ‘We bellen meteen 112, maar vertel, wat is er met u aan de hand?’

‘Het is niet voor mij. Het is voor de man die ik beneden heb gevonden, in de toiletruimte.’

‘Wat is er met die man?’ vroeg ik met de telefoon al in mijn hand.

‘Hij ligt op de vloer. Het was lastig om op mijn knieën te zakken om te kijken of hij dood is, want met die kruk valt dat niet mee, maar ik zou zweren dat hij niet beweegt. Óf hij is bewusteloos óf hij is dood,’ zei de man. ‘En ik denk dat ik hem heb herkend, ik denk dat het… Nou ja, ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het…’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief