leesfragment

‘De jacht’ van Will Dean

0

De jacht is het eerste deel in de ijzersterke nieuwe thrillerserie rondom de dove heldin Tuva Moodyson. Het thrillerdebuut van Will Dean is vanaf 7 januari verkrijgbaar in jouw favoriete (online) boekhandel, maar je kunt hier alvast genieten van een leesfragment!


HOREN. Tuva Moodyson, een dove verslaggever van een lokaal Zweeds krantje, is op zoek naar het verhaal dat haar carrière kan lanceren, in de hoop eindelijk het piepkleine dorp Gavrik te verlaten.
ZIEN. Twee lichamen liggen diep in de bossen bij een afgelegen Zweeds dorpje. Hun ogen ontbreken.
ZWIJGEN. Een web van leugens. Een onopgeloste moord van twintig jaar geleden.

Kan Tuva de moordenaar te slim af zijn voor ze diens laatste slachtoffer wordt?


1

Gavrik, Zweden

Uit het dichte dennenbos komt een eland tevoorschijn, en hij is monsterlijk groot. Een halve ton, misschien meer. Ik trap hard op de rem, mijn pick-uptruck trilt nu de winterbanden in het grind bijten, en dan duw ik mijn paardenstaart opzij en zet mijn gehoorapparaatjes aan. Daar is de jingle van de fabrikant, en dan kan ik horen. De eland is dertig meter bij me vandaan en staat daar maar, grijs en ruwharig en krankzinnig groot.

Mijn motor draait in zijn vrij. Ik denk aan papa’s ongeluk twaalf jaar geleden, aan zijn auto, wat ervan over was, en dan ram ik met mijn vuist op de claxon. Geluid stroomt mijn hoofd binnen, maar het is niet het echte geluid, niet zoals jij het zou horen. Ik krijg een geluid dat is versterkt door de plastic krulletjes achter mijn oren. De claxon doet zijn werk, en de eland draaft weg over de bosweg; zijn ballen bungelen laag tussen zijn stakerige grijze poten.

Ik versnel een beetje en volg hem, en mijn hart bonkt te hard en te snel. De eland loopt naar een plek met wat vlekken zonlicht en staat dan stil. Hij is prehistorisch, een reus, volkomen wild, oer en hoger dan mijn gehuurde pick-uptruck. Ik rem en toeter weer, maar hij ziet er niet angstig uit. Ik hijg nu, zweet parelt op mijn voorhoofd. Er is hier geen politie – koplampen achter me noch voor me.

De vacht op zijn gewei glanst in de zon, en dan draait hij abrupt zijn zware kop om en kijkt me aan. Zijn houding verandert. Rondom mij valt een duisternis over heel het Utgardbos, en hij stampt met zijn hoef en breekt een dun laagje ijs op een kuil. Mijn koplampen vangen een plens vuil water die op zijn vacht terechtkomt, en hij kijkt me recht aan, laat zijn kop zakken en valt aan.

Ik rem, zet de versnellingspook in zijn achteruit en ram de dikke rubberzool van mijn schoen op het gaspedaal. Mijn schreeuw klinkt vreemd. De pick-up schiet achteruit en opent een ruimte tussen mij en de elandstier, tussen mijn gezicht en zijn gezicht, tussen mijn geëpileerde wenkbrauwen en zijn keiharde gewei.

Ik trek mijn telefoon uit mijn zak en leg hem op mijn schoot, ook al weet iedereen dat er in het Utgardbos geen bereik is.
Ik trek mijn telefoon uit mijn zak en leg hem op mijn schoot, ook al weet iedereen dat er in het Utgardbos geen bereik is. Mijn ogen schieten heen en weer tussen de voorruit en de achteruitkijkspiegel. Ik probeer tegelijkertijd voor en achter me te kijken, en tussen de bomen flitst een beweging, iets grijs, een mens misschien, maar dan is het verdwenen. Dit is allemaal mijn eigen schuld. Ik had nooit achter die eland aan moeten gaan. Ik zie grijze lucht tussen zijn gewei en ergens vanbinnen reik ik naar mijn vader. Ik stuiter door kuilen en over afgebroken takken, en die zwarte ogen worden nog steeds verlicht door mijn koplampen. Met dertig kilometer per uur in zijn achteruit. Mijn telefoon is van mijn schoot gegleden en ligt te rammelen bij mijn voeten. Ik ga nog harder rijden. De intensiteit van het licht neemt af, en de eland komt nog steeds recht op me af. Mijn linkerwiel raakt de rand van een greppel, en ik moet een ruk aan het stuur geven om eruit te komen, en dan stoot zijn gewei tegen mijn bumper. Metalig gekras priemt in mijn oren en ik zie geen reet. Ik voel een lippenbalsemstift in mijn dij prikken, en dan flitst er iets in mijn spiegels, en het zijn de koplampen van iemand anders.

Achter me rijdt in de verte een pick-uptruck of een tractor, iets wat recht op me afkomt. Ik zou blij moeten zijn met die aanblik, maar ben dat niet. Deze weg is slechts breed genoeg voor een van ons. Het gewei schraapt weer over mijn motorkap, en ik jammer zachtjes bij het schrille gepiep. Mijn mond is droog, en ik heb het warm in mijn dikke trui. Ik rij achteruit een crash tegemoet, met een eland pal voor me.

En op dat moment hoor ik het schot.

De eland slaat op hol naar de bomen, springt over een greppel en vlucht het duister van het bos in. Ik zie nog net zijn achterpoten voordat het Utgardbos hem weer opslokt. Ik heb klamme handen, en het stuur voelt vochtig en glad aan. Ik stop, maar laat de motor draaien. Het voertuig achter me, misschien een quad van een jachtgezelschap om verse prooien mee te vervoeren, heeft een afslag genomen tussen de dennen.

‘Blijf ademen,’ zeg ik tegen mezelf. ‘Blijf ademen.’

Ik ben gered door een geweerschot op de eerste dag van de elandjacht. Drie jaar geleden, in Londen, zou dat geluid voorpaginanieuws zijn geweest, en afschuwelijk. Nu, hier in Värmland, in dit leven, is het normaal. Veilig, zelfs.

Ik trek mijn trui uit over mijn hoofd, en hij raakt verstrikt in de veiligheidsgordel. Ik worstel er een tijdje mee, verhit en woest, voor ik hem lostrek. Fijne blonde haren rijzen op van de stof door een zweempje statische elektriciteit.

Ik duw de pook in zijn vooruit en rij weg. Niet zo hard als net, en ook niet zo hard als ik zou willen, maar voorzichtig, met de koplampen op groot licht en ogen die om de haverklap naar de donkere plekken langs het pad schieten. En dan draai ik de pick-up de asfaltweg op en rij terug naar het stadje Gavrik. Het verkeer op de E16 staat nog steeds vast, maar vanaf nu blijf ik op de snelweg. Geen sluiproutes meer. Geen parallelle boswegen meer.

Ik ben moe en hongerig, en de adrenaline in mijn bloed begint weg te ebben.
Ik ben moe en hongerig, en de adrenaline in mijn bloed begint weg te ebben. Ik heb tweeëndertig uur om acht hoofdartikelen te schrijven voor de krant op donderdagavond zakt. Ik dim mijn licht en hoor nog steeds het geluid van het gewei dat over mijn motorkap schraapt. Ik passeer het plaatsnaambord van Gavrik, en de straatlantaarns beginnen. De beschaving keert terug in lagen. Eerst kattenogen en een streep op het midden van de weg, nu straatverlichting. Onverlichte bossen mogen van mij lekker ver weg blijven. Ik wil stoepen en cafés en bioscopen en snackbars en bibliotheken en bars en parkeermeters. Ik wil dat alles voorspelbaar is en door mensenhanden is gemaakt.

Ik rij tussen de McDrive en de ICA Maxi-supermarkt door en koers af op de Storgatan, de hoofdstraat van de stad. Mijn hartslag is omlaaggegaan, maar ik krijg nog steeds flashbacks van papa’s crash. En ik was er niet eens bij. Mijn herinneringen liegen allemaal, de beelden zijn door de jaren heen verstard. Ik rij verder. In de verte rijzen de twee schoorstenen van de dropfabriek op als de spitsen van een kathedraal. Winkels sluiten, en het personeel wenst elkaar in zo min mogelijk woorden een prettige avond voor ze met opgetrokken kraag wegschuifelen naar hun Volvo’s, hun huizen, hun vloerverwarming en hun grote tv’s.

Mijn parkeerplaats staat aangegeven met een naambordje, maar het zou niet uitmaken als dat niet zo was. De stad zwemt in de parkeermogelijkheden. Hij is toekomstbestendig, maar niemand weet wanneer die toekomst, de toekomst waarin Gavrik met vijftig procent groeit, zal komen. Waarom zou dat ook gebeuren? Mensen die hier opgroeien vertrekken. Mensen die op bezoek komen lijken niet terug te keren.

Ik sluit mijn auto af en open de deur van Gavrik Posten, de plaatselijke krant en mijn werkplek. Wekelijkse oplage: zesduizend exemplaren. Ik had nooit gedacht dat ik hier terecht zou komen, maar zo is het. Ik solliciteerde bij vier fatsoenlijke kranten, allemaal binnen drie uur rijden van mama, en kreeg vier aanbiedingen. Mijn moeder woont in Karlstad, en haar familie bestaat uit ondergetekende, dus toen ze ziek werd, verhuisde ik vanuit Londen hierheen. Het is niet gemakkelijk, zíj is niet gemakkelijk. Maar ze is mijn moeder. Gavrik ligt dicht bij Karlstad maar niet té dichtbij, en Lena, de half-Nigeriaanse hoofdredacteur van de Posten, is iemand van wie ik kan leren. De receptie bestaat uit twee stoelen, een stoffige kamerplant in een plastic pot en een balie met een koperen bel en een geldbusje.

Lars, onze doorgewinterde parttimereporter, is er niet. Ik sla het balieblad omhoog – een grenen plank aan een piepend scharnier – en hang mijn jas op. Mijn vingers trillen nog steeds. Ik schop mijn wandelschoenen uit en trek mijn binnenschoenen aan. In het voorste gedeelte van het kantoor staan twee bureaus, een voor mij en een voor Lars. Achterin zijn twee kantoren, een voor Lena en een voor Nils, onze advertentieverkoper met het erwtenbrein. Al met al is het een armetierig kantoor, maar we brengen elke vrijdag een heel behoorlijk stadsblad uit.

Ik wil niet in Gavrik wonen. Maar dat doe ik wel. Mama heeft me nodig, hoewel ze dat nooit met zoveel woorden heeft gezegd, niet eens iets wat erop lijkt. Het is uitgezaaid naar haar botten en haar bloed, en als ik kleine dingen kan doen – haar de handcrème met rozengeur brengen waar ze zo dol op is, voorlezen uit haar favoriete kookboek nu ze lezen te vermoeiend vindt, lekkere verse koffiebroodjes meenemen – dan doe ik dat. Ik ben hier niet goed in, het gaat me niet gemakkelijk af, net zoals het haar ook niet ge- 12 makkelijk afging. Maar ik doe wat ik kan. En op een dag, op een bitterzoete dag, ga ik terug naar de echte wereld, naar een stad – maakt niet uit welke, hoe groter, hoe beter.

‘Tuva Moodyson,’ zegt Nils terwijl hij uit zijn kantoor komt.
‘Tuva Moodyson,’ zegt Nils terwijl hij uit zijn kantoor komt. Zijn haar staat met gel in stekels overeind, net zoals bij puberjongens, en zijn overhemd is zo dun dat ik zijn tepels zie. ‘Wat is er met jou gebeurd? Even naar huis gegaan voor een vluggertje?’

Ik ga zitten en besef dat mijn T-shirt nog aan mijn huid plakt door het zweet en dat mijn haar een warboel is; mijn staart hangt half los. Ik zie er niet uit.

‘Gewoon een snel triootje,’ zeg ik. ‘Ik had je wel willen uitnodigen, maar er waren voorwaarden, dus…’

Hij kijkt enigszins verward en doet langzaam de deur dicht van zijn kantoor, dat eigenlijk de personeelskantine is.

Ik wek mijn pc uit zijn sluimer en zie de artikelen die ik af heb en de artikelen die ik onlangs een titel heb gegeven en in grote lijnen heb uitgeschreven. Ik hoor een piep in mijn linkergehoorapparaatje, een batterijwaarschuwing, de eerste van drie voor het er de brui aan geeft en ik met de tien procent gehoor blijf zitten die ik nog heb in dat oor.

Achter het antireflectiescherm van mijn pc heb ik acht Word-documenten openstaan, netjes achter elkaar. Een kinderdagverblijf breidt uit, wat drie extra plaatsen en een nieuwe baan oplevert. De gevelbekleding van een appartementengebouw in de buurt van het mijne wordt vervangen omdat de oorspronkelijke niet bestand bleek tegen het Värmlandse klimaat en in brokken van de muur valt, als schilfers van een korstje. De gemeenteraad, Gavrik Kommun, heeft besloten dat we deze winter met een sneeuwploeg minder toe kunnen. Er blijven twee extra boeren beschikbaar voor het geval dat. De Lucia-verkiezing van 2015 staat op stapel, en de aanmeldingen moeten voor het eind van de maand zijn ingediend bij de lutherse kerk aan de Eriksgatan. In heel de gemeente geldt een waarschuwing tegen teken vanwege een piek in het aantal gevallen van lymeziekte en hersenontsteking. Die krengen zullen weldra doodvriezen, maar dankzij een milde september zullen we hun gezelschap nog een paar weken moeten dulden. Björnmossen, de grootste wapen- en munitiewinkel van de stad, blijft de eerste week van oktober twee uur langer open dan normaal zodat jagers hun spullen kunnen kopen zonder vrij te hoeven nemen van hun werk. Op 21 oktober is er een ambachtsbeurs in Munkfors. En ten slotte het verhaal waaraan ik vandaag werkte, de opening van een nieuwe blekerij bij de plaatselijke pulpfabriek, na de Grimberg-dropfabriek de grootste werkgever van de streek.

Dat is mijn nieuws. Dat is het. Opgepikt uit geruchten en raadsnotulen en door mee te luisteren in de plaatselijke apotheek. Het klinkt misschien alledaags, maar dat is wat mijn lezers willen. Hoe vaak heb jij een artikel uit een landelijke krant gescheurd en op je ijskast geplakt? Hoe vaak heb je een stuk uit je plaatselijke krant geknipt, misschien over een doelpunt van je dochter in een hockeywedstrijd, of je buurman die de grootste wortel van het stadje heeft gekweekt, en dat op je ijskast geplakt? Mijn lezers vinden dat interessant, en ik daarom ook.

Lars komt binnen, de bel rinkelt en hij trekt omstandig zijn oudemannenjas uit.

Ik zit te schrijven en heb mijn apparaatjes uitgezet om me te kunnen concentreren. De stof van mijn T-shirt komt los van mijn huid, en ik begin me weer normaal te voelen. Ik ruik mijn eigen zweet, maar de deodorant maskeert het grotendeels. Als ik nog stagiaire bij The Guardian was, had ik me opgefrist, maar hier, nee. Het is oké. Geen prioriteit.

Lena’s deur gaat open.

Daar staat ze. Diana Ross in spijkerbroek en fleecetrui. Haar ogen zijn groot, en ze zegt niets.

‘Wat?’ vraag ik.

Ze houdt haar hand voor haar mond. Ze schudt haar hoofd en zegt iets, maar ik kan haar lippen niet zien. Ik kan ze niet lezen.

‘Ze hebben een lijk gevonden.'
‘Wat?’ vraag ik weer, friemelend om mijn gehoorapparaatjes aan te zetten. ‘Wat is er gebeurd?’

Lena haalt haar hand weg van haar gezicht. ‘Ze hebben een lijk gevonden.’

2

‘Zet het nieuws aan,’ zegt Lena, en ze wijst naar de oude tv aan de muur.

Mijn gehoorapparaatjes komen tot leven, en de jingle speelt in mijn oren.

‘Ik wist het wel,’ zegt Nils als hij bij ons komt staan in het grote kantoor. Hij lijkt opgewonden als een schooljongetje. ‘Zei ik het niet, Lena? Die bossen zijn vervloekt. Volgens mijn broer ligt het lijk in het Utgardbos, dat denkt hij. Zijn vriend op het ambulancestation nam de melding aan. Zei ik niet dat het opnieuw zou gebeuren in die bossen? Ja dus.’

Ik schakel door naar het plaatselijke nieuws. ‘Wat heb je gehoord, Nils?’ vraag ik. ‘Wat zei je broer precies?’

Nils kijkt naar Lena. ‘Denk je dat het weer Medusa is?’ Dan wendt hij zich tot mij. ‘Voor jouw tijd, Tuva.’ En dan kijkt hij naar Lars. ‘Welk jaar was Medusa?’

‘Het laatste lijk werd in 1994 gevonden,’ zegt Lars. ‘Maar dit zal niet…’ Hij krabt op zijn kale plek. ‘Dat was twintig jaar geleden, dit zal gewoon een jachtongeval zijn.’

‘Ja hoor,’ zegt Nils. ‘Gewoon een ongeval. In het Utgardbos. Tuurlijk. Volgens mijn broer is het lichaam in het gehucht Mossen gevonden.’

Ik pak mijn jas.

Nils kijkt naar Lena. ‘Laat je haar in haar uppie naar Utgard gaan?’

Ik trek mijn schoenen aan en knik naar haar. ‘Bel me als je details hoort.’

‘Neem het fototoestel mee,’ zegt ze.
‘Neem het fototoestel mee,’ zegt ze.

Natuurlijk neem ik dat stomme ding mee. ‘Oké,’ zeg ik. Ik gris het van Lars’ bureau, waar het lag op te laden, en stap de donkere, lege straat op.

Het regent niet, maar een vochtige nevel zweeft in wolken door de lucht. Was het schot waar mijn eland van schrok hetzelfde schot dat iemand heeft gedood? Ik huiver en zoek op een drafje mijn parkeerplaats op.

Ik rij dertig kilometer in een rechte lijn de stad uit, onder de snelweg door. Het Utgardbos is alles wat ik kan zien aan de rechterkant van de weg. Ik passeer een met winde overwoekerde wegwijzer en nader de mond van het bos, een nauwelijks zichtbaar gat in een dikke barrière van sparren. Toen ik eerder vandaag vanuit de pulpfabriek op weg was naar het zuiden, scheerde ik langs Utgard om verkeersdrukte te vermijden, maar nu moet ik er diep in doordringen. Radio Värmland onderbreekt een folksong om me te vertellen dat de politie een gedeelte van het gehucht Mossen heeft afgezet vanwege de ontdekking van een dode. Ze vragen jagers en hondenuitlaters tot nader order weg te blijven.

De radio begint te haperen wanneer ik het asfalt achter me laat en de grijze grindweg op rij. Die is zo breed dat twee auto’s elkaar kunnen passeren als ze beide de open greppels raken. Het is hier zo donker als zwart velours, en daarom doe ik mijn groot licht aan en tuur in de nevelflarden. In de lente is het goed te doen in het bos als je in een auto zit. Het is dan een en al lichtgroene uitlopende dennentakjes en wilde bloemen. Ik kan dat in mijn Hilux-pickuptruck prima aan. Maar het is nu oktober, en de dennennaalden zijn donker en zeiknat, en het mos is bruin, en de berken zijn kaal. Mijn dashboard geeft twee graden boven nul aan. Ik rij over een donkere weg met wanden van dennenbomen zo hoog als vuurtorens.

De radio komt zo nu en dan door, maar het is slechts het weerbericht. Nog meer regen. Op mijn gps-kaart zie ik een smalle bosweg die vanuit het zuiden een leeg groen gebied in loopt en middenin ophoudt. Er staan vijf stippen van huizen langs de weg, en ik hoef er alleen maar een te vinden waar een politieauto voor geparkeerd staat. Ik krab aan mijn linkeroor en raak mijn gehoorapparaatje aan, deels omdat het onvermijdelijk is en deels omdat het geruststellend is als ik op een plaats als deze ben.

De Medusamoorden vonden twintig jaar voor ik hierheen kwam plaats.
De Medusamoorden vonden twintig jaar voor ik hierheen kwam plaats. Ze zijn een soort plaatselijke legende met weinig feiten en daarbovenop een hoop flauwekul. Drie doodgeschoten mensen in vier jaar. De politie pakte nooit iemand op, en toen hielden de moorden gewoon op. De lijken werden alle in de bossen gevonden en waren op een bepaalde manier verminkt, en dat is zo’n beetje alles wat ik weet. De mensen van hier praten er niet graag over. Degenen die dat wel doen, zijn het beluisteren niet waard.

Ik nader het eerste huis van het gehucht en heb de radio zachtjes aan voor het geval er meer nieuws komt. Ik minder vaart naar tien kilometer per uur. Het huis ziet er verwaarloosd uit. De houten planken schreeuwen om een lik verf en een paar ramen zijn met klimop bedekt. Het enige wat ik echt kan zien is een tuin die zwak verlicht wordt door nauwelijks werkende zonnecellampen, van de goedkope soort die zo hoog in het noorden ’s zomers een beetje werkt en in oktober vrijwel niet. De lichten in huis zijn uit. Niemand thuis. Als ik optrek om verder te gaan, kijk ik in mijn spiegels en zie een licht dat ik eerder niet zag, maar het is niet in het huis. Dan verdwijnt het even snel als het opdook.

De batterij van mijn telefoon is bijna leeg, dus ik duw een adapter in het gat voor de sigarettenaansteker. De muziek op de radio verandert van mondharmonica’s in banjo’s, maar het signaal is zwak en er is veel ruis. Ik rij nu langzamer. De weg wordt geleidelijk aan steeds smaller, en aan weerskanten ervan zijn nu bekraste granieten rotsen en hopen op elkaar gestapelde keien zichtbaar. De dennenbomen leunen naar elkaar toe en raken elkaar hier en daar boven het midden van de weg, zodat die bijna overdekt is. Dat wordt lastig achteruitrijden, denk ik zo.

Het volgende huis ziet er normaal uit. Voor alle ramen hangen brandende pendellampen, en aan de muren zitten buitenlampen. Het is een torp met één verdieping, een traditioneel donkerrood huisje. Ik minder weer vaart en laat de pick-uptruck draaien zonder druk op het gaspedaal. Ik zet mijn ruitenwissers aan om de voorruit schoon te vegen en tuur door het passagiersraampje. Door een wolk insecten zie ik een Volvo van Taxi Gavrik op de oprit staan. In de bakken voor de ramen staan dode planten, een soort geraniums. Ik denk dat ik van achter een raam een gezicht zie terugkijken, een kindergezicht, dicht bij de vensterbank. Maar nu ben ik het huis voorbij en nader ik een steile helling. Ik laat de Toyota toeren maken en versnel. Zet de stoelverwarming op de laagste stand. De heuvel is onlangs van steenslag voorzien, en mijn pick-up klinkt lawaaiig; de winterbanden knerpen op de stenen schilfers terwijl ik klim. Op de top buigt de weg scherp naar rechts, dus ik rem, en mijn wielen slippen op een laag natte bladeren.

Er zijn nu geen greppels meer aan weerskanten van de weg, er is alleen nog maar moeras. Het grindweggetje, dat een paar centimeter hoger ligt, snijdt door drassig land met rietvelden en donker water dat de lucht weerspiegelt.

Het volgende huis staat aan de rechterkant van de weg, en ik ruik het voor ik het zie. Mijn lippen zijn droog van de autoverwarming, dus ik haal mijn lippenbalsem uit mijn broekzak. Ik ruik vuur, houtrook, en dat is op een bepaalde manier geruststellend. Zoals thuis. Maar het ziet er hier niet uit als thuis, het ziet eruit als een of andere werkplaats. Ik minder geen vaart omdat ik binnen gezichten zie, in het licht van tl-buizen. Een werkplaats met een verdieping, aan één kant open, met een houtkachel in het midden en twee of drie mannen in overalls – misschien drie timmermannen die aan het zagen en schuren zijn. Naast de werkplaats staat een bescheiden geelgeschilderd huis met een haak naast de voordeur waaraan een paar dode vogels hangen. Fazanten misschien? Patrijzen? Op een metalen balk is een rijtje van vijf genummerde brievenbussen geschroefd.

De weg wordt nog smaller, en ik moet goed opletten om de auto recht te houden.
De weg wordt nog smaller, en ik moet goed opletten om de auto recht te houden. De greppels zien er aan beide kanten steil en vol uit. Ze zijn oktober-vol, net zoals de meren en het reservoir buiten de stad en de putten in de plaatselijke tuinen. Ik meen in de verte een licht te zien flitsen, maar het verdwijnt achter de bomen.

De batterij van mijn telefoon geeft tweeëntwintig procent aan. Ik trek hem los van de adapter en gooi hem naast het fototoestel. De voorruit begint te beslaan, en ik zet de ventilator aan en draai het raampje open. Het bos ruikt naar aarde, zoals de bodem onder een omgedraaide steen. Het ruikt naar pissebedden en rotte appels en slakken en nat vloerkleed. Ik ga een hoek om en zwenk langs een afgebroken berkentak. Voor me zie ik lichten, blauwe zwaailichten boven op drie auto’s en een ambulance, en ik ben blij omdat de voertuigen bescherming betekenen en me laten zien waar mijn verhaal is, maar ik ben ook blij met de felle lichten op hun dak, die opflitsen en op de natte dennentakken weerkaatsen als de blauwe stroboscooplampen op een houseparty.

Ik parkeer en zet mijn motor af. Het is harder gaan regenen, dus doe ik mijn gehoorapparaatjes uit en stop ze in mijn jaszak. Als ze nat worden, werken ze niet meer, en het is voor mij te duur om ze te vervangen. Elk apparaatje is een maand salaris. Als ik ze onder een muts draag, krijg ik geknetter en feedback. Ik pak mijn fototoestel en mijn telefoon, zet mijn capuchon op en stap uit op de bosweg. De lucht ruikt hier nog sterker dan daarnet. Molm. Oud blad en stilstaand water.

Het huis is eigenlijk best leuk. Het ziet er duurder uit dan de andere, met twee verdiepingen, grote ramen en op de eerste verdieping een veranda rond het hele gebouw. Op de bovenverdieping staat een tv aan. De kamer flitst.

Ik bespeur ergens een stem, maar hoor de woorden niet en zie niemand. Ik tast onder mijn capuchon en zet mijn linkerapparaatje tegen mijn oor. ‘

Tuvs,’ zegt een stem op de veranda boven me.

Ik kijk omhoog.

‘Daar deed je lang over.’

Het is agent Thord Petterson, nummer twee in de bevelsstructuur van Gavriks tweekoppige politiekorps.

‘Het is in the middle of nowhere,’ zeg ik. ‘Mag ik binnenkomen?’

Hij schudt zijn hoofd en glimlacht.
Hij schudt zijn hoofd en glimlacht. Regen drupt van de goot boven zijn hoofd. Hij wijst naar zichzelf en dan omlaag naar mij.

Ik hou het fototoestel in mijn tas en wacht bij de voordeur. De veranda boven me beschut me tegen de regen, en daarom doe ik ook mijn rechtergehoorapparaat weer in en zet het aan.

De voordeur gaat open, maar mijn aandacht wordt getrokken door iets anders. Rechts van mij, achter het huis, zie ik twee ambulancebroeders een brancard het bos uit dragen, met in hun kielzog Gavriks politiechef. Ze zijn doorweekt, zitten tot aan hun knieën onder de modder en stappen voorzichtig over een afgebrokkeld stenen muurtje en door een dichte bos braamstruiken. Dan zie ik nog iemand. Er loopt een man achter de commissaris, en hij heeft een oranje honkbalpet op en draagt een geweer.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief