leesfragment

‘De lijst van de rechter’ van John Grisham

0

Als onderzoeker bij de Florida Board on Judicial Conduct, een overheidsdienst die het gedrag van rechters onderzoekt, heeft Lacy Stoltz zo’n beetje elke vorm van corruptie wel gezien. Gekozen mannen en vrouwen die zichzelf boven de wet plaatsen, voor Lacy is het dagelijkse kost. Zo kwam ze al eens tegenover een misdaadorganisatie te staan die met miljoenen dollars een rechter omkocht. Maar de zaak die ze nu moet ontrafelen, is vele malen gevaarlijker. Wat als deze rechter zelf de dader is?

Lees hier de eerste pagina’s van De lijst van de rechter van John Grisham!

1

Het telefoontje kwam binnen op de vaste lijn, via een centrale die minstens twintig jaar oud was en waaraan alle technologische vernieuwingen voorbij waren gegaan. Er werd opgenomen door een getatoeëerde receptioniste die Felicity heette, een nieuw meisje dat alweer weg zou zijn voordat ze precies begreep hoe de telefoons werkten. Ze gingen allemaal weg, leek het wel, vooral de administratief medewerkers. Het verloop was belachelijk. Het moreel was laag. Bij de Board on Judicial Conduct (bjc), die het gedrag van rechters toetste, was voor het vierde jaar op rij gesnoeid in het budget door een wetgevende macht die nauwelijks van hun bestaan afwist.

Het lukte Felicity om het telefoontje door te verbinden met het rommelige bureau van Lacy Stoltz, verderop in de gang. ‘Er is telefoon voor u op lijn drie,’ meldde ze.

‘Wie is het?’ vroeg Lacy.

‘Dat wilde ze niet zeggen.’

Er waren heel veel manieren om daarop te reageren. Maar op dat moment verveelde Lacy zich en ze had geen zin om de nodige emotionele energie te verspillen om die meid behoorlijk toe te spreken en op haar nummer te zetten. Routines en protocollen verloederden steeds meer. De kantoordiscipline was ver te zoeken nu de BJC verviel tot een puinhoop zonder leider.

Als veteraan, dé veteraan, was het belangrijk om het goede voorbeeld te geven. ‘Dank je,’ zei ze en ze drukte op het knipperende lampje. ‘Met Lacy Stoltz.’

‘Goedemiddag, mevrouw Stoltz. Hebt u even?’

Een vrouw, welgemanierd, geen hoorbaar accent, ergens tussen de veertig en de vijftig. Lacy speelde altijd haar stemspelletje. ‘Met wie heb ik het genoegen?’

‘Op dit moment heet ik Margie, maar ik gebruik ook andere namen.’

Dat vond Lacy grappig en ze grinnikte bijna. ‘Nou, je bent in elk geval eerlijk. Ik doe er meestal wel een tijdje over om me door alle aliassen heen te werken.’

Anonieme bellers waren aan de orde van de dag. Mensen met klachten over rechters waren altijd op hun hoede en aarzelden om zich openlijk uit te spreken tegen het systeem. Ze waren bijna allemaal bang voor represailles van hogerhand.

Margie zei: ‘Ik wil u graag privé spreken.’

‘Mijn kantoor is privé, als je wilt.’

‘O, nee,’ snauwde ze, kennelijk doodsbang door het idee. ‘Dat gaat niet. Kent u het Siler Building, naast uw kantoor?’

‘Natuurlijk,’ zei Lacy en ze stond op en keek uit het raam naar het Siler Building, een van de vele kleurloze overheidsgebouwen in hartje Tallahassee.

Margie zei: ‘Er zit een koffiebar op de begane grond. Kunnen we daar afspreken?’

‘Ja hoor. Wanneer?’

‘Nu. Ik zit aan mijn tweede latte.’

‘Wacht even. Ik kom er zo aan. Weet je hoe ik eruitzie?’

‘Ja. U staat op de website. Ik zit links achterin.’

Lacy’s kantoor was inderdaad privé. Het kantoor links van haar was leeg nu een ex-collega naar een grotere instantie was gegaan. Aan de overkant was een kantoor omgebouwd tot provisorische voorraadkast. Ze liep richting Felicity en liep onderweg even binnen in het kantoor van Darren Trope, een man die er pas twee jaar werkte en nu al op zoek was naar een andere baan.

‘Heb je het druk?’ vroeg ze terwijl ze hem stoorde in zijn bezigheden.

‘Niet echt.’ Het deed er niet toe wat hij wel of niet aan het doen was. Als Lacy iets nodig had, was Darren van haar.

‘Je moet me een gunst bewijzen. Ik ga nu naar het Siler voor een afspraak met een onbekende vrouw die zojuist heeft toegegeven dat ze een alias gebruikt.’

‘O, ik ben dol op intriges. Veel leuker dan hier zitten lezen over een of andere rechter die schunnige opmerkingen heeft gemaakt tegen een getuige.’

‘Hoe schunnig?’

‘Nogal beeldend.’

‘Foto’s of filmpjes?’

‘Nog niet.’

‘Laat het me weten als je ze krijgt. Goed, vind je het vervelend om over een kwartiertje binnen te lopen en een foto te maken?’

‘Welnee. Geen probleem. Enig idee wie ze is?’

‘Geen flauw idee.’

Lacy verliet het pand, nam de tijd om een blokje om te gaan, genoot even van de koele lucht en slenterde de hal van het Siler Building binnen. Het was bijna vier uur en op dat tijdstip zaten er geen andere klanten koffie te drinken. Margie zat aan een tafeltje links achterin. Ze zwaaide snel, alsof iemand het zou kunnen zien en ze niet betrapt wilde worden. Lacy glimlachte en liep naar haar toe.

Afrikaans-Amerikaans, halverwege de veertig, professioneel, aantrekkelijk, beschaafd, lange broek, hoge hakken en beter gekleed dan Lacy, hoewel bij de bjc tegenwoordig elke outfit geoorloofd was. De oude baas wilde altijd jasje-dasje, maar die was twee jaar geleden met pensioen gegaan en de meeste regels waren samen met hem vertrokken.

Lacy liep langs de bar, waar de barista met haar ellebogen op het formica hing met haar handen om haar roze telefoon, die haar mateloos fascineerde. Ze keek niet op en piekerde er niet over om een klant te begroeten, en Lacy besloot dat ze nog een dosis cafeïne maar gewoon aan zich voorbij zou laten gaan.

Zonder op te staan stak Margie haar hand uit en zei: ‘Aangenaam. Wilt u koffie?’

Lacy lachte naar haar, schudde haar de hand en ging tegenover haar aan het vierkante tafeltje zitten. ‘Nee, dank je. Je heet Margie, toch?’

‘Nu wel even.’

‘Oké, dat is geen beste start. Waarom gebruik je een alias?’

‘Het duurt uren om mijn verhaal te vertellen en ik weet niet of u het wel wilt horen.’

‘Vanwaar dan al die moeite?’

‘Alstublieft, mevrouw Stoltz.’

‘Lacy.’

‘Alsjeblieft, Lacy. Je hebt geen idee wat voor emotioneel trauma ik heb opgelopen om op dit punt in mijn leven te komen. Ik zit er helemaal doorheen, oké?’

Ze zag er prima uit, al was ze wel een beetje nerveus. Misschien kwam het door die tweede latte. Haar ogen schoten heen en weer. Ze waren mooi en werden omrand door een groot paars montuur. Waarschijnlijk zat er vensterglas in. De bril maakte deel uit van de outfit, als subtiele vermomming.

Lacy zei: ‘Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Als jij nu eens gewoon begint met praten, dan zien we wel waar we uitkomen.’

‘Ik heb over je gelezen.’ Ze stak haar hand in haar rugzak en haalde er behendig een map uit. ‘De zaak van de indiaanse casino’s, nog niet zo lang geleden. Je hebt een rechter aangepakt die geld afroomde en ervoor gezorgd dat ze in de bak belandde. Een verslaggever beschreef het als het grootste omkoopschandaal in de geschiedenis van de Amerikaanse jurisprudentie.’ De map was vijf centimeter dik en wekte een onberispelijk georganiseerde indruk.

Het viel Lacy op dat ze het woord ‘jurisprudentie’ gebruikte. Raar, voor een leek.

‘Het was een grote zaak,’ zei ze zogenaamd bescheiden.

Margie lachte en zei: ‘Groot? Je hebt een misdaadsyndicaat opgerold, de rechter aan de kaak gesteld en een stel mensen naar de gevangenis gestuurd. Ze zitten er allemaal nog, geloof ik.’

‘Klopt, maar ik heb het echt niet in mijn eentje gedaan. De FBI was er nauw bij betrokken. Het was een ingewikkelde zaak en er zijn doden bij gevallen.’

‘Onder wie je collega, Hugo Hatch.’

‘Ja, ook Hugo. Merkwaardig. Vanwaar al deze research naar mij?’

Margie strengelde haar handen ineen en liet ze boven op de map rusten, die ze nog niet had geopend. Haar wijsvingers trilden een beetje. Ze keek naar de ingang en wierp een blik om zich heen, hoewel er niemand was binnengekomen, niemand was vertrokken, niemand zich had verroerd, zelfs de barista niet, die met haar hoofd in de wolken zat. Ze nam een slok. Als dit inderdaad haar tweede latte was, had ze die nauwelijks aangeraakt. Ze had het woord ‘trauma’ gebruikt. Opgebiecht dat ze ‘erdoorheen’ zat. Lacy besefte dat de vrouw doodsbang was.

Margie zei: ‘O, ik weet niet of je het research moet noemen. Ik heb gewoon iets van internet geplukt. Dat doet iedereen, hoor.’

Lacy glimlachte en probeerde haar geduld te bewaren. ‘Ik weet niet of we zo ergens komen.’

‘Het is jouw taak om onderzoek te doen naar rechters die worden beschuldigd van wangedrag, hè?’

‘Klopt.’

‘En dat doe je nu al… hoe lang?’

‘Sorry, maar wat maakt dat uit?’

‘Alsjeblieft.’

‘Twaalf jaar.’ Nu ze dat getal noemde, was het net alsof ze een nederlaag toegaf. Het klonk zo lang.

‘Hoe raak je betrokken bij een zaak?’ vroeg Margie zenuwachtig.

Lacy haalde diep adem en maande zichzelf rustig te blijven. Mensen met klachten die zo ver gekomen waren, gedroegen zich vaak gespannen. Ze zei met een glimlach: ‘Tja, meestal neemt iemand met een klacht over een rechter contact met ons op en dan maken we een afspraak. Als het bezwaar enige grond lijkt te hebben, dient de persoon in kwestie een formele aanklacht in, die we vijfenveertig dagen achter slot en grendel bewaren terwijl we de aanklacht onderzoeken. Dat noemen we een beoordeling. Negen van de tien keer eindigt het daarmee en wordt het bezwaar verworpen. Als we een mogelijke misstand ontdekken, lichten we de rechter in en heeft hij of zij dertig dagen om te reageren. Gewoonlijk neemt iedereen dan een advocaat in de arm. We doen onderzoek, er komen hoorzittingen, we dragen getuigen aan, de hele mikmak.’

Terwijl ze aan het praten was, kwam Darren in zijn eentje binnen, stoorde de barista door een decafé te bestellen, wachtte erop zonder acht te slaan op de twee vrouwen en nam zijn koffie mee naar een tafeltje aan de andere kant van de ruimte, waar hij zijn laptop openklapte en zo te zien serieus aan het werk ging. Volslagen ongemerkt richtte hij de camera van de laptop op Lacy’s rug en Margies gezicht, zoomde in voor een close-up en begon te filmen. Hij maakte een video en een paar foto’s. Als Margie het al in de gaten had, liet ze het niet merken.

Ze luisterde aandachtig naar Lacy en vroeg: ‘Hoe vaak komt het voor dat een rechter uit zijn ambt wordt ontzet?’

Ook nu weer: wat maakte dat uit? ‘Niet zo vaak, gelukkig. We hebben jurisdictie over duizend rechters en de overgrote meerderheid bestaat uit eerlijke, hardwerkende vakmensen. De meeste klachten die we krijgen zijn niet zo heel ernstig. Ontevreden partijen die hun zin niet hebben gekregen. Veel echtscheidingszaken. Veel advocaten die boos zijn omdat ze hebben verloren. We hebben het altijd druk, maar de meeste conflicten worden opgelost.’

Het klonk als een saaie baan en na twaalf jaar voelde het ook zo.

Margie luisterde aandachtig en tikte met haar vingertoppen op de map. Ze haalde diep adem en vroeg: ‘Degene die de aanklacht indient, wordt die altijd met naam en toenaam genoemd?’

Lacy dacht even na en zei: ‘Uiteindelijk wel, ja. Het komt zelden voor dat de aanklagende partij anoniem blijft.’

‘Waarom?’

‘Omdat de eiser meestal de feiten van de zaak kent en moet getuigen tegen de rechter. Het is moeilijk om een rechter aan de kaak te stellen als de mensen die hij kwaad heeft gemaakt bang zijn om zich te melden. Ben je bang?’

Het woord alleen al leek haar angst aan te jagen. ‘Ja, dat kun je wel zeggen,’ gaf ze toe.

Lacy fronste haar voorhoofd en keek verveeld. ‘Zeg, laten we ter zake komen. Hoe ernstig is het gedrag waar je het over hebt?’

Margie sloot haar ogen en wist uit te brengen: ‘Moord.’

Ze deed ze onmiddellijk weer open, waarna ze om zich heen keek om te zien of iemand het gehoord had. Er was niemand dichtbij genoeg om het te kunnen horen, behalve Lacy, die het aanhoorde met de keiharde scepsis die ze na al die jaren in het vak had ontwikkeld. Ze prentte zichzelf in dat ze geduld moest hebben. Toen ze weer naar Margies ogen keek, zag ze dat die vochtig waren.

Lacy boog zich naar voren en vroeg zachtjes: ‘Beweer je nu dat een van onze huidige rechters een moord heeft gepleegd?’

Margie beet op haar lip en knikte. ‘Ik weet dat het zo is.’

‘Mag ik weten hoe je dat weet?’

‘Mijn vader was een van zijn slachtoffers.’

Lacy nam het in zich op en keek nu zelf om zich heen. ‘Slachtoffers? Bedoel je meer dan één?’

‘Ja. Ik geloof dat mijn vader zijn tweede slachtoffer was. Ik weet niet zeker hoeveel het er waren, maar ik weet wel zeker dat hij schuldig is.’

‘Interessant.’

‘Dat is zacht uitgedrukt. Hoeveel klachten heb je gekregen over rechters die mensen hebben vermoord?’

‘Eh, niet één.’

‘Precies. Hoeveel rechters zijn er in de geschiedenis van Amerika veroordeeld voor moord terwijl ze werkzaam waren bij de rechtbank?’

‘Ik heb er nog nooit van gehoord.’

‘Precies. Nul. Dus doe dit niet af als “interessant”.’

‘Ik wilde je niet kwetsen.’

Aan de andere kant van de bar rondde Darren zijn belangrijke werk af en ging weg. Geen van beide vrouwen schonk aandacht aan zijn vertrek.

‘Ik voel me niet gekwetst. Meer zeg ik niet in deze koffiebar. Ik heb heel veel informatie die ik graag met jou wil delen en met niemand anders, maar niet hier.’

Lacy had haar portie mafkezen en onevenwichtige types wel gehad, met dozen en papieren zakken vol documenten waaruit duidelijk zou blijken dat een of andere sukkel op de stoel van de rechter verschrikkelijk corrupt was. Vrijwel altijd kon ze na een persoonlijk gesprek van een paar minuten haar oordeel al vellen en plannen gaan maken om de klacht op de stapel ‘afgewezen’ te leggen. Door de jaren heen had ze geleerd om mensen te doorzien, al was bij veel van de malloten die naar haar toe kwamen een snelle evaluatie niet echt een uitdaging.

Margie, of hoe ze ook heette, was geen mafkees, geen malloot en ook geen onevenwichtig type. Ze was iets op het spoor en ze was bang.

Lacy zei: ‘Oké. Wat gaan we nu doen?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hoor eens, jij hebt mij gebeld. Wil je praten of niet? Ik speel geen spelletjes en ik heb geen tijd om informatie uit je te trekken, of uit wie dan ook die over een rechter komt klagen. Ik verspil een hoop tijd aan mensen uit wie ik informatie moet zien te peuren terwijl ze mij gebeld hebben. Ik trek één keer per maand een doodlopend spoor na. Ga je praten of niet?’

Margie huilde weer en veegde haar wangen droog. Lacy keek haar zo meelevend mogelijk aan, maar had eigenlijk meer zin om van tafel te gaan en nooit meer terug te komen.

Toch intrigeerde dat idee van moord haar wel. Haar dagelijkse beslommeringen bij de BJC bestonden deels uit het aanhoren van de alledaagse, onbenullige klachten van ongelukkige mensen met kleine probleempjes, die weinig te verliezen hadden. Een moord door een zittende rechter leek te sensationeel om waar te zijn.

Eindelijk zei Margie: ‘Ik heb een kamer in het Ramada aan East Gaines. Daar kunnen we na werktijd afspreken. Maar je moet wel alleen komen.’

Lacy knikte alsof ze dat al verwacht had. ‘Met wat voorzorgsmaatregelen. We hebben een regel waardoor het verboden is om buiten kantoor en in mijn eentje een eerste afspraak met een aanklagende partij te hebben. Ik moet een andere onderzoeker meenemen, een van mijn collega’s.’

‘Zoals meneer Trope daar?’ vroeg Margie met een knikje naar Darrens lege stoel. Lacy draaide zich langzaam om alsof ze wilde kijken waar ze het in hemelsnaam over had, terwijl ze wanhopig een antwoord probeerde te bedenken.

Margie vervolgde: ‘Ik weet het door jullie website, oké? Lachende gezichten van al het personeel.’ Uit haar aktetas haalde ze een grote kleurenfoto van zichzelf en schoof die over tafel. ‘Hier, met de hartelijke groeten, een recente portretfoto van mezelf die veel beter is dan de paar die meneer Trope zojuist stiekem heeft gemaakt.’

‘Waar heb je het over?’

‘Ik weet zeker dat hij mijn foto al door jullie gezichtsherkenningssoftware heeft gehaald en niets heeft gevonden. Ik sta in geen enkele database.’

‘Waar heb je het over?’ Margie sloeg de spijker op zijn kop, maar Lacy stond perplex en was nog niet bereid om het toe te geven.

‘O, dat weet je heus wel. Je komt alleen en anders zie je me nooit meer terug. Je bent de meest ervaren onderzoeker bij jullie op kantoor en op dit moment heb je alleen een tijdelijke baas. Waarschijnlijk kun je alles doen waar je zin in hebt.’

‘Was het maar zo makkelijk.’

‘Laten we zeggen dat het een borrel na het werk is. We spreken af in de bar en als het gezellig is gaan we naar boven, naar mijn kamer, en hebben we nog meer privacy als we praten.’

‘Ik kan niet meegaan naar je kamer. Dat is tegen onze regels. Als er een aanklacht wordt ingediend en het noodzakelijk is om elkaar privé te ontmoeten, kan ik dat pas doen. Iemand moet weten waar ik ben, in elk geval in het begin.’

‘Goed dan. Hoe laat?’

‘Een uur of zes?’

‘Ik zit in de hoek rechts achterin, en ik kom alleen, net als jij. Geen zenders, geen recorders, geen verborgen camera’s, geen collega’s die net doen alsof ze iets zitten te drinken terwijl ze intussen aan het filmen zijn. En doe Darren de groeten van me. Misschien kan ik me op een dag aan hem voorstellen. Afgesproken?’

‘Afgesproken.’

‘Oké. Dan kun je nu gaan.’

Terwijl Lacy om het gebouw heen liep en terug naar haar kantoor slenterde, moest ze toegeven dat ze zich niet kon herinneren dat ze tijdens een eerste gesprek ooit zo’n harde schop onder haar kont had gekregen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief