leesfragment

‘De mensen boven ons’ Lisa Jewell

In een groot huis in het Londense Chelsea ligt een baby wakker in haar wiegje. Gevoed en verzorgd, wacht ze vrolijk tot iemand haar oppakt. 
In de keuken liggen, naast een haastig gekrabbeld briefje, drie lichamen. Ze zijn al enkele dagen dood.
Wie heeft er in de tussentijd voor de baby gezorgd? En waar is diegene gebleven?

De mensen boven ons werd in Engeland al lovend onthaald en nu is de bestseller ook in Nederlandse vertaling verkrijgbaar. Lees hieronder alvast de eerste pagina’s van Lisa Jewells nieuwste thriller!

Ik kan niet beweren dat mijn jeugd normaal was voordat zij kwamen. Die was verre van normaal, maar het leek normaal omdat ik niet beter wist. Pas nu, decennia later, besef ik hoe vreemd het was.

Ik was bijna elf toen ze kwamen, en mijn zusje was negen.

Ze woonden meer dan vijf jaar bij ons en door hen werd alles heel, heel akelig. Mijn zusje en ik moesten leren hoe we konden overleven.

En toen ik zestien was en mijn zusje veertien, kwam de baby.

1

Libby raapt de brief op van de deurmat en draait hem om. Hij lijkt erg zakelijk; de envelop is crèmekleurig en gemaakt van duur papier. Het ziet ernaar uit dat hij zelfs gevoerd is. Het frankeerstempel vermeldt dat de brief van het advocatenkantoor Smithkin, Rudd & Royle afkomstig is.

Ze loopt met de brief naar de keuken en legt hem op tafel. Dan vult ze de ketel met water en doet een theezakje in een mok. Libby weet bijna zeker wat er in de envelop zit. Ze is afgelopen maand vijfentwintig geworden en heeft onbewust op deze brief gewacht. Maar nu hij er is, wil ze hem eigenlijk niet openmaken.

Libby weet bijna zeker wat er in de envelop zit.
Ze pakt de telefoon en belt haar moeder.

‘Mam,’ zegt ze. ‘Hij is er. De brief van de curators.’

Er valt een stilte. Ze ziet haar moeder voor zich, op zo’n vijftienduizend kilometer afstand in Dénia. Ze zit in haar keuken met de helderwitte keukenkastjes, limoengroene accessoires, glazen schuifdeuren naar het terrasje met heel in de verte uitzicht op de Middellandse Zee. De telefoon, in het met rijnsteentjes bezette hoesje, wat zij haar ‘bling’ noemt, heeft ze tegen haar oor gedrukt.

‘O,’ zegt ze. ‘Goed. Jeetje. Heb je hem al opengemaakt?’

‘Nee, nog niet. Ik ga eerst theedrinken.’

‘Goed,’ zegt ze weer. Dan zegt ze: ‘Zal ik blijven hangen, terwijl jij hem openmaakt?’

‘Ja,’ zegt Libby. ‘Graag.’

Ze is een tikje buiten adem. Dat heeft ze ook op haar werk als ze een verkooppresentatie moet geven, alsof ze veel te sterke koffie heeft gedronken. Ze haalt het theezakje uit de mok en gaat zitten. Ze streelt de punt van de envelop en haalt diep adem.

‘Oké,’ zegt ze tegen haar moeder. ‘Ik ga het doen. Ik doe het nu.’

Haar moeder weet wat erin zit. Ze heeft in elk geval een sterk vermoeden, hoewel haar nooit formeel is verteld wat de trust inhoudt. Het zou heel goed kunnen, zoals ze altijd heeft gezegd, dat het bestaat uit een theepot en een bankbiljet van tien pond.

Libby schraapt haar keel en ritst met haar vinger de envelop open. Ze haalt er een vel dik roomwit papier uit en begint te lezen.

 

Aan mw. Libby Louise Jones,

Als trustee van de op 12 juli 1977 door Henry en Martina Lamb opgerichte trust, stel ik voor dat de uitvoering ervan zal plaatsvinden volgens het bijgevoegde schema…

 

‘En?’ vraagt haar moeder gespannen.
Ze legt de brief neer en haalt de bijlagen uit de envelop.

‘En?’ vraagt haar moeder gespannen.

‘Ik ben nog aan het lezen,’ zegt ze.

Terwijl ze verder leest valt haar oog op de naam van een pand aan Cheyne Walk 16. Ze neemt aan dat dat het huis is waar haar biologische ouders woonden toen ze stierven. Ze weet dat het in Chelsea stond. Ze weet dat het groot was. Ze had aangenomen dat het allang weg was. Dichtgetimmerd, verkocht. Ze hapt naar adem als haar duidelijk wordt wat ze net heeft gelezen.

‘Eh,’ zegt ze.

‘Wat is er?’

‘Zo te zien… Nee, dat kan niet kloppen.’

‘Wat nou?’

‘Het huis. Ze hebben het huis aan me nagelaten.’

‘Het huis in Chelsea?’

‘Ja,’ zegt ze.

‘Het hele huis?’

‘Volgens mij wel.’ Er zit nog een brief bij, over het feit dat anderen die in de trust vermeld staan zich niet op tijd hebben gemeld. Ze kan het niet allemaal verwerken.

‘Lieve hemel. Hoeveel moet dat wel niet waard zijn?’

‘Het moet een vergissing zijn,’ zegt ze. ‘Dit kan niet waar zijn.’
Libby ademt scherp in en kijkt naar het plafond. ‘Het moet een vergissing zijn,’ zegt ze. ‘Dit kan niet waar zijn.’

‘Ga naar het advocatenkantoor toe,’ zegt haar moeder. ‘Bel hen. Maak een afspraak. Verzeker jezelf ervan dat er geen fout is gemaakt.’

‘Maar stel dat het geen fout is. Stel dat het echt zo is.’

‘Nou, lieverd,’ zegt haar moeder, en Libby kan haar haast horen glimlachen door de telefoon, ‘dan ben je stinkend rijk.’

 

Libby rondt het gesprek af en kijkt om zich heen. Nog maar vijf minuten geleden was deze keuken de enige die ze zich kon veroorloven, was deze flat de enige die ze kon kopen, in dit rustige straatje met rijtjeshuizen in een achterbuurt van St. Albans. Ze kan zich de flats en huizen nog herinneren die ze tijdens haar zoektocht op internet had gezien, en haar adem die stokte als ze de perfecte woning ontdekte: een zonnig terras, een eetkeuken, op loopafstand van het station, glas-in-loodramen, een stuk groen met een kerk vlakbij, maar dan zag ze de prijs en gaf ze zichzelf op haar kop omdat ze zelfs maar had kunnen denken dat zoiets voor haar was weggelegd.

Uiteindelijk deed ze water bij de wijn, om iets te krijgen wat dicht bij haar werk was en waar een treinstation in de buurt was. Ze kreeg geen goed gevoel toen ze het huis binnenliep, haar hart maakte geen sprongetje toen de makelaar haar een rondleiding gaf. Maar ze had er een heerlijk thuis van gemaakt, met de beste spullen die TK Maxx verkocht, en nu was ze blij met haar slecht verbouwde tweekamerappartement met de eigenaardige afmetingen. Ze had het gekocht en ze had het mooi ingericht. Het was van haar.

Maar nu lijkt het erop dat ze een huis aan de chicste straat in Chelsea bezit, en plotseling komt haar appartement over als een lachertje, net als alles wat vijf minuten geleden nog belangrijk voor haar was: de opslag van vijftienhonderd pond die ze zojuist heeft gekregen, het weekendje met de meiden in Barcelona volgende maand, waar ze een halfjaar voor heeft gespaard, de dure oogschaduw die ze van zichzelf ‘mocht’ kopen als beloning voor de salarisverhoging. Ze had een milde tegenzin gevoeld toen ze in de parfumzaak haar krappe budget aansprak voor dat ene prachtige, heerlijke moment dat ze met het kleine, vederlichte tasje bungelend aan haar hand de winkel uit liep. Het was fantastisch geweest om het zwarte doosje in haar toilettas te stoppen, het gevoel dat het helemaal van haar was. Ze zou het vast in Barcelona gebruiken, misschien bij de jurk die ze met kerst van haar moeder had gekregen, die met de kanten stroken die ze al heel lang wilde. Vijf minuten geleden waren de pleziertjes in haar leven klein en verwacht, en had ze er zelf hard voor gewerkt en gespaard. Het waren kleine oplevingen geweest die niet wereldschokkend waren, maar haar leven wel net dat extraatje bezorgden waardoor het de moeite waard was om elke ochtend uit bed te stappen en naar haar werk te gaan. Niet dat ze haar werk niet leuk vond, maar daar bleef het wel bij.

Nu heeft ze een huis in Chelsea en de grenzen van haar bestaan zijn ontploft.

Ze stopt de brief terug in de dure envelop en drinkt haar thee op.

2

Lucy voelt de woede pulseren en in haar slapen kloppen.
Donkere wolken pakken zich samen boven de Côte d’Azur. Ze hangen donkerpaars boven de horizon en drukken zwaar op Lucy’s schedel. Ze legt haar hand op haar hoofd en pakt met haar andere hand het lege bord van haar dochter, dat ze op de grond zet zodat de hond de jus en stukjes kip eraf kan likken.

‘Marco,’ maant ze haar zoon, ‘eet je bord leeg.’

‘Ik heb geen trek,’ zegt hij.

Lucy voelt de woede pulseren en in haar slapen kloppen. De storm komt dichterbij, ze voelt de vochtigheid afkoelen in de warme lucht. ‘Hier blijft het bij,’ zegt ze, haar stem bits omdat ze moeite moet doen om niet te schreeuwen. ‘Meer hebben we vandaag niet te eten. Het geld is op. Helemaal op. Dus ga me straks niet vertellen dat je honger hebt, want dan is het te laat. Eet het nou maar op.’

Marco schudt lijdzaam zijn hoofd en snijdt een stukje van de kipschnitzel af. Ze kijkt naar zijn hoofd, het dikke bruine haar dat door twee kruinen alle kanten op staat. Ze probeert zich te herinneren wanneer ze voor het laatst hun haar hebben gewassen, maar ze weet het niet meer.

Stella vraagt: ‘Mag ik een toetje, mama?’

Lucy kijkt naar haar. Stella is vijf en de beste vergissing die Lucy ooit heeft begaan. Ze zou nee moeten zeggen. Ze is streng tegen Marco en zou niet zo toegeeflijk naar zijn zusje moeten zijn. Maar Stella is zo lief, zo meegaand en makkelijk. Hoe kan ze haar nu wat lekkers weigeren?

‘Als Marco zijn schnitzel opheeft,’ zegt ze rustig, ‘dan delen we met z’n allen één ijsje.’ Stella vindt dat duidelijk niet eerlijk. Zij had haar eten tien minuten geleden al op en zou niet op haar broer moeten wachten totdat hij klaar is. Maar haar gevoel voor rechtvaardigheid lijkt nog niet echt gevormd, en ze knikt en zegt: ‘Gauw opeten, Marco!’

Lucy haalt Marco’s bord weg als hij klaar is en zet het op de stoep voor de hond. Daar komt het ijsje. Drie smaakjes in een glazen kommetje, met chocoladesaus, verkruimelde praliné en een roze aluminium palmboompje op een cocktailprikker.

Lucy’s hoofd bonkt weer en ze kijkt naar de horizon. Ze moeten een schuilplaats zoeken, en snel ook. Ze vraagt om de rekening, legt haar betaalkaart op het schoteltje en tikt het nummer in. Ze houdt haar adem in, omdat ze weet dat er nu geen geld meer op haar rekening staat, dat ze helemaal blut is.

Ze houdt haar adem in, omdat ze weet dat er nu geen geld meer op haar rekening staat, dat ze helemaal blut is.
Ze wacht terwijl Stella het schaaltje aflikt, maakt dan de hondenriem los van de tafel en raapt haar tassen bij elkaar. Marco krijgt er twee, Stella één.

‘Waar gaan we naartoe?’ vraagt Marco.

Zijn bruine ogen staan ernstig, bezorgd.

Ze zucht, kijkt door de straat naar het oude centrum van Nice, en daarna de andere kant op naar de oceaan. Ze kijkt zelfs even naar de hond, alsof hij een goed voorstel zou hebben. Hij kijkt haar aan, in de hoop dat er nog een bord is dat hij schoon kan likken. Ze kunnen maar naar één plek toe, en daar wil ze juist niet heen. Maar ze weet een glimlach op haar gezicht te brengen.

‘Weet je wat?’ zegt ze. ‘We gaan naar omi!’

Marco kreunt. Stella lijkt haar twijfels te hebben. Ze kunnen zich nog herinneren hoe hun laatste logeerpartijtje bij Stella’s oma was. Samia was ooit filmster in Algerije. Nu is ze zeventig, blind aan één oog en woont ze in een armoedig flatje op de zevende verdieping in een hoog flatgebouw in l’Ariane, samen met haar gehandicapte volwassen dochter. Haar man stierf toen ze pas vijfenvijftig was en haar enige zoon, Stella’s vader, is drie jaar geleden verdwenen en heeft niets meer van zich laten horen. Samia is boos en verdrietig, en dat is ook terecht. Maar zij heeft tenminste een dak boven haar hoofd, kussens en stromend water. Ze heeft alles wat Lucy haar kinderen niet kan geven.

‘Het is maar voor maar één nachtje,’ zegt ze. ‘Alleen vanavond en dan regel ik wel iets voor morgen. Dat beloof ik.’

Als ze Samia’s straat in lopen, begint het te regenen. Kleine waterbommetjes die op de warme stoep exploderen. In de met graffiti volgekliederde lift naar de zevende verdieping kan Lucy hen ruiken: de vochtige lucht van ongewassen kleren, van vet haar, van gympen die te lang worden gedragen. De hond met zijn dikke krullenvacht ruikt al helemaal smerig. ‘Het gaat niet,’ zegt Samia bij de voordeur, terwijl ze de toegang blokkeert.

‘Het gaat echt niet. Mazie is ziek. De verzorger slaapt hier vannacht. Er is geen plek, er is gewoon geen plek.’

Het onweert en de lucht achter hen wordt fel verlicht. De regen komt met bakken uit de hemel vallen. Lucy kijkt Samia wanhopig aan. ‘We kunnen nergens anders naartoe,’ zegt ze.

‘Dat weet ik,’ zegt Samia. ‘Dat weet ik. Stella kan wel blijven, maar jij, de jongen en de hond niet. Sorry, jullie moeten ergens anders slapen.’

‘Ik wil bij jou blijven,’ fluistert ze tegen Lucy. ‘Ik wil hier niet zonder jou slapen.’
Lucy voelt dat Stella zich tegen haar been drukt en dat er een rilling van afkeer door haar lijfje gaat. ‘Ik wil bij jou blijven,’ fluistert ze tegen Lucy. ‘Ik wil hier niet zonder jou slapen.’

Lucy gaat op haar hurken zitten en pakt Stella’s handjes beet. Ze heeft groene ogen, net als haar vader, en in haar donkere haar zitten lichtblonde lokken. Haar gezicht is bruin door de lange, hete zomer. Ze is een mooi kindje. Mensen op straat houden Lucy soms aan om haar dat met ingehouden adem te zeggen.

‘Schatje,’ zegt ze. ‘Hier is het droog. Je kunt lekker douchen, omi zal je een verhaaltje voorlezen…’

Samia knikt. ‘Ik lees dat verhaaltje wel voor waar je zo gek op bent,’ zegt ze, ‘over de maan.’

Stella drukt zich nog stijver tegen Lucy aan. Lucy’s geduld is op. Ze zou er alles voor overhebben om in omi’s bed te mogen slapen, om te worden voorgelezen over de maan, om te douchen en een schone pyjama aan te trekken.

‘Het is maar voor één nachtje, schatje. Ik kom je morgenochtend vroeg weer halen. Oké?’

Ze voelt hoe Stella knikt tegen haar schouder en schokkerig ademhaalt om niet te huilen. ‘Oké, mama,’ zegt ze, en Lucy duwt haar Samia’s flat in, voordat een van hen van gedachte verandert. Dan zijn alleen Marco, de hond en zij nog over. Ze dragen opgerolde yogamatjes op hun rug en trotseren de zware regen en de donkere nacht, zonder hoop op een onderkomen.

 

Ze schuilen een tijdje onder het viaduct. Het voortdurende geraas van autobanden over het asfalt is oorverdovend. Het blijft regenen.

Marco heeft de hond op schoot genomen en drukt zijn gezicht in de vacht.

Hij kijkt Lucy aan. ‘Waarom hebben wij zo’n kloteleven?’ vraagt hij.

‘Je weet best waarom ons leven zo klote is,’ valt ze uit.

‘Je weet best waarom ons leven zo klote is,’ valt ze uit.
‘Maar waarom kun je daar niets aan doen?’

‘Ik doe mijn best.’

‘Dat is niet waar. Het gaat hoe langer hoe meer de verkeerde kant op met ons.’

‘Ik doe mijn best,’ sist ze en ze kijkt hem fel aan. ‘Elke minuut van de dag.’

Hij kijkt haar vol twijfel aan. Hij is veel te slim en kent haar veel te goed.

Ze zucht. ‘Morgen krijg ik mijn viool terug. Dan ga ik weer geld verdienen.’

‘Hoe ga je de reparatie betalen dan?’ Hij kijkt haar met toegeknepen ogen aan.

‘Ik verzin wel wat.’

‘Wat dan?’

‘Dat weet ik nog niet, oké? Dat weet ik nog niet. Het komt vast goed. Het komt altijd goed.’

Ze draait zich om en ziet twee koplampen haar kant op komen. Een gigantische donderslag klinkt boven hen en de hemel licht weer op. Ongelooflijk genoeg gaat het zelfs nog harder regenen. Ze haalt haar aftandse mobiel uit het buitenvakje van haar rugtas en zet hem aan. Ze ziet dat de batterij nog maar op acht procent staat en wil de telefoon al uitzetten, maar opeens valt haar oog weer op de melding van haar agenda. Die was al van weken geleden, maar ze kan zichzelf er niet toe zetten hem te verwijderen.

Er staat alleen maar: de baby is 25.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief