leesfragment

‘De moeder van Frankenstein’ van Almudena Grandes

Psychiater Germán Velázquez Martín keert na vijftien jaar ballingschap in 1954 terug naar het verscheurde Spanje om in een inrichting in Ciempozuelos te werken. Daar ontmoet hij patiënte Aurora Rodríguez Carballeira, die haar eigen dochter vermoord heeft. Niemand in de instelling geeft om Aurora, behalve María Castejón, een jonge hulpverpleegkundige.
Samen vormen de drie verhalen een ijzingwekkend beeld van de jaren vijftig in Spanje.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van De moeder van Frankenstein, de nieuwste roman van Almudena Grandes.

Leesfragment

Elke morgen speelde er iemand piano.

De gangen in het Sagrado Corazón-paviljoen, waar de patiënten van de eerste klasse verbleven, hadden plankenvloeren van gelakt eikenhout dat in het zonlicht glansde als een vijver van karamel. Toen ik er voor het eerst overheen liep en voelde hoe de planken zweefden en krakend meeveerden onder mijn gewicht voordat ze hun stabiliteit hervonden, was ik me er niet van bewust dat ik zojuist een gevoel uit mijn kindertijd had hervonden. De vloer in het huis van mijn moeder, splinterig en bijna zwart, had niets meer van karamel. Er was veel tijd verstreken, meer dan ik buiten Spanje had gewoond, sinds die voor het laatst in de lak was gezet.

Vijftien jaar lang had ik mijn best gedaan om de kleuren, structuren en gevoelens die ik had achtergelaten, vast te houden, maar toen ik terugkwam werd ik door alles verrast. Door de heldere januarizon op de door de rijp ineengekrompen velden, door de weidse dorre vlakten, de droge aarde en de vorm van de wolken, door het silhouet van de vrouwen die ik elke ochtend water zag halen bij de fontein op het plein, hun gebogen hoofden bedekt met een hoofddoek, maar die piano, die verraste me niet. Ik ging zo op in de nieuwe cadans van mijn voetstappen op het hout dat ik er helemaal niet op lette, tot de muziek abrupt ophield toen ik langs een deur kwam. Pas toen herinnerde ik me weer waar ik woonde. Spanje was Zwitserland niet, Spaanse radiozenders zonden tussen de middag geen pianoconcerten uit. Een seconde later, alsof ze zich bij mijn bevreemding wilden aansluiten, begonnen alle kerkklokken van Ciempozuelos eenstemmig het angelus te luiden.

Ik was nog niet gewend aan dat ritueel, dokter Robles en zijn volgelingen die klokslag twaalf uur alles uit hun handen lieten vallen en zich verzamelden in de hal, waar ze met overweldigende vroomheid een verbrokkeld gebed zeiden en een van de zusters enkele verzen uitsprak die de rest leek te beantwoorden. De eerste ochtend begreep ik niet wat er gebeurde en praatte ik door, tot een collega me bij mijn arm pakte en de wijsvinger van zijn andere hand naar zijn lippen bracht. Hij knielde zelf niet, bad ook niet maar bleef rustig staan, zijn benen bij elkaar en zijn handen gevouwen voor zijn buik, tot de anderen klaar waren. Twee dagen later zag ik dat hij niet de enige was. Er was nog een psychiater uit Robles’ team die hetzelfde deed, en dat, mijn bezigheden onderbreken, naar de hal gaan, mijn benen bij elkaar brengen, mijn handen vouwen en mijn mond sluiten, deed ik sindsdien ook. Maar in de gang van het Sagrado Corazón was ik alleen en luisterde ik even naar de stilte voordat ik verder liep. Toen ik aan het eind van de gang was, hoorde ik de piano weer. Ik trok mijn schoenen uit, liep heel langzaam terug en de muziek hield niet op.

Sinds die ochtend probeerde ik als het maar even kon te ontsnappen aan het angelus in het Sagrado Corazón.
Sinds die ochtend probeerde ik als het maar even kon te ontsnappen aan het angelus in het Sagrado Corazón, een statig gebouw dat meer weg had van een hotel dan van een gesticht, een oud, goed onderhouden kuuroord, omgeven door een net zo oude, lommerrijke tuin met hoge, vakkundig gesnoeide bomen. De andere paviljoens hadden ook tuinen, ook mooi, maar minder weelderig, met minder bloemen in de lente en minder schaduw in de zomer, alsof de indeling van de patiënten in vier klassen, afhankelijk van wat ze al dan niet konden betalen, zich zelfs uitstrekte tot de verscheidenheid in tinten groen die ze van achter de ramen van hun slaapvertrekken konden zien. En in die slaapvertrekken was het verschil nog uitgesprokener.

Het verblijf van de pianiste was een van de duurste, meer een zelfstandig appartement dan een kamer. Een kleine zitkamer was verbonden met de slaapkamer, waar ook een eigen badkamer op uitkwam die vanaf de gang niet te zien was. Haar zag ik alleen van achteren, zittend achter een kamerpiano die tegenover een raam stond, naast het bed. Ik had de deur langzaam opengedaan, zo zacht als ik kon, maar ik had de indruk dat ze zich, ook al had ik geluid gemaakt, niet zou hebben omgedraaid om me aan te kijken.

Het was een oudere vrouw met heel kort, wit haar. Ik observeerde haar vanaf een afstand zonder ooit de drempel over te gaan, en van daaraf zag ik de goede kwaliteit van haar kleding, elke dag anders maar altijd zwart, heel verzorgd, alsof ze er voor het aankleden een borstel overheen had gehaald. Netheid was al een zeldzame karaktertrek bij geesteszieken en waardigheid een ongebruikelijk fenomeen, maar niets was zo bijzonder als de beweging van haar vingers over de toetsen. Ik was geen groot muziekliefhebber, maar ik had in mijn leven veel concerten gehoord. Mijn moeder, die voor haar huwelijk de kost had verdiend als pianolerares en dat na de oorlog weer zou gaan doen, had nooit een dag voorbij laten gaan zonder piano te spelen. Bovendien had ik in Neuchâtel en vooral later in Bern verscheidene musici behandeld, en ook veel patiënten die dat waren geworden nadat ze bij wijze van therapie muziek waren gaan beoefenen. Daarom begreep ik meteen dat die vrouw anders was.

De pianiste van het Sagrado Corazón speelde niet alleen als een virtuoos, ze speelde als een virtuoos die volkomen bij haar verstand was. De muziek die uit haar vingers stroomde, was niet alleen foutloos, net zo vloeiend en melodieus als de muziek die uit mijn moeders piano kwam, maar ze bezat, afgezien van de maatvastheid en het ontbreken van haperingen en fouten, bovendien een mysterieuze elasticiteit. De pianiste van het Sagrado Corazón heerste over de noten, ze bestuurde de akkoorden alsof het levende wezens waren die omhoog- en omlaaggingen, samenkwamen en weer uiteenweken omdat zij dat wilde. Meer dan geluiden schiep ze een lus van oneindige harmonie die er altijd leek te zijn geweest, want ze stopte niet en pauzeerde nauwelijks als ze klaar was met het ene stuk en aan het volgende begon. De patiënt van kamer 19 in het eersteklaspaviljoen speelde niet alleen op bewonderenswaardige wijze piano zonder dat er een partituur op de lessenaar stond. Het toetsenbord en haar lichaam waren samengevloeid, waren één instrument geworden, zo krachtig dat het in staat was alle menselijke gevoelens weer te geven, van mededogen tot woede. Maar die oude, in het zwart geklede vrouw had voor mij nog meer verrassingen in petto.

Elke middag las iemand haar voor.

Sinds ik in Ciempozuelos was, gebruikte ik de ochtenden om de ziektegeschiedenis te bestuderen van de patiënten die dokter Robles voor mijn programma had aangedragen. ’s Middags voerde ik gesprekken met de desbetreffende kandidaten, tot ik ontdekte dat mijn oordeel niet altijd overeenkwam met dat van de inrichtingsdirecteur. In de hoop tot een geschikte lijst te komen, bestudeerde ik ook andere ziektegeschiedenissen en dat doel bracht me op een dag halverwege februari aan het begin van de avond naar het Sagrado Corazón. Ik wilde een patiënt bezoeken om haar over het programma te vertellen en haar een afspraak voor te stellen voor de volgende dag, maar toen ik daar kwam, hoorde ik de piano niet. De stilte stuurde mijn plannen in de war.

Ik trok mijn schoenen uit en liep heel langzaam naar kamer 19.
Ik trok mijn schoenen uit en liep heel langzaam naar kamer 19. Halverwege vernam ik een onverwacht geluid, de stem van een jonge vrouw die ritmisch van intonatie wisselde en vragen formuleerde waarop ze vervolgens zelf antwoord gaf, alsof ze twee verschillende personages speelde. Toen ik haar hoorde, fronste ik mijn voorhoofd, maar ik had nog nauwelijks de tijd gehad om die twee stemmen te verklaren, toen een andere stem, schor en vermoeid, me uit mijn verwarring verloste.

‘Lees dat nog eens.’

De pianiste gaf dat commando op de droge, autoritaire toon van een vrouw die gewend is te bevelen.

‘Ach, wat doet u toch moeilijk!’ De vrouw die haar voorlas had daarentegen een mooie stem met een haast kinderlijk timbre, helder als een belletje. ‘Nog heel eventjes dan, want het is al erg laat en als ik niet op tijd ben, krijg ik ongelooflijk op mijn kop…’

En ze herhaalde een dialoog waarvan ik veronderstelde dat het een filosofisch traktaat was omdat ze zo nu en dan struikelde over de uitspraak van Griekse termen waar ze vast de betekenis niet van kende.

‘Ziezo, dat is het dan,’ zei ze aan het eind. ‘Morgen verder.’

‘Nee.’ De autoritaire dame stribbelde krachtig tegen. ‘Blijf nog even, je hebt vandaag maar heel weinig voorgelezen.’

‘Dat kan niet, doña Aurora, echt niet.’ Ik hoorde hoe er een stoel werd verschoven, hoe het boek op een tafel werd gelegd. ‘Ik moet nu echt weg.’

Ik begreep dat ze op het punt stond de deur te openen en stapte achteruit naar het midden van de gang, mijn schoenen nog steeds in mijn hand. Dat was het eerste wat de lezeres zag toen ze mij ontdekte, maar voordat ze naar me toe kon komen, riep de oude vrouw haar terug.

‘Kom je morgen?’ Haar stem was veranderd, was dwingend geworden, als van een klein, nukkig meisje. ‘Beloof het me, beloof dat je morgen terugkomt.’

‘Natuurlijk.’ Het meisje lachte, niet tegen mij, en liep terug om afscheid te nemen van de pianiste. ‘Wat denkt u wel! Morgen om vijf uur ziet u me hier weer.’

Ze boog zich over de patiënt van kamer 19 en de vrouw sloeg haar armen om haar heen, hield haar stevig vast, alsof ze haar niet wilde laten gaan, en duwde haar hoofd tegen haar buik, haar gezicht naar mij gericht, haar ogen gesloten.

Op dat moment herkende ik haar.

I
De verwondering (1954)

Toen de taxi voor het portiek van calle Gaztambide 21 stilhield, voelde ik mijn adem stokken. De andere symptomen manifesteerden zich heel snel, nog voordat ik bij mezelf een aandoening had kunnen diagnosticeren die ik bij iedere andere patiënt tijdig zou hebben herkend.

‘Is er iets, meneer?’ De taxichauffeur draaide zich om en keek me met gefronste wenkbrauwen aan. ‘U ziet ineens zo bleek. Zal ik u naar de eerstehulppost brengen?’

‘Nee, dank u wel.’ Ik spande me in om het tempo van mijn ademhaling te vertragen, al wist ik dat de druk op mijn borst dan zou toenemen. ‘Hoeveel is het?’ Zo leerde ik dat als ik de hyperventilatie onder controle had, de frequentie van de hartkloppingen ook omhoogschoot.

Ik had nooit eerder een gevoel van beklemming gehad.
Ik had nooit eerder een gevoel van beklemming gehad. Angst kende ik wel, veel angst en heel vaak, tijdens de bombardementen, in de auto die me naar Alicante bracht, op de kade vanwaar mijn boot steeds maar niet uitvoer, in de cel van een politiebureau in Oran, in de haven van Marseille en daarna, tijdens een eindeloze autorit door Frankrijk en Zwitserland. Ik had grote en kleine angsten uitgestaan, om mezelf en om anderen, angst dat ik dood zou gaan, dat ze me zouden vermoorden, dat ik de controle kwijtraakte, veel angst, maar beklemming had ik nooit gevoeld. Tot 21 december 1953. Tot die taxichauffeur, die ik een exorbitante fooi gaf om maar snel genoeg zijn auto uit te kunnen, stopte voor het huis waar ik vroeger had gewoond, waar mijn moeder nog altijd woonde, waar mijn vader niet meer woonde.

Het duurde een hele tijd tot ik naar boven ging. Ik stond eerst stil naast het portiek, met mijn rug naar de straat, maakte mijn reistas open en stak mijn hoofd erin, tot ik weer normaal kon ademhalen. Mijn hart kwam gaandeweg tot rust, maar het drukkende gevoel zakte vanuit mijn borst naar mijn maag en ging daar niet meer weg. Ik had zin om te roken, maar mijn trillende handen waarschuwden me dat dat niet goed voor me was. Ik begreep dat ik maar twee opties had, gelijk dat portiek ingaan of terugkeren naar Zwitserland. Omdat mijn benen wilden blijven, namen ze moeiteloos de drie treden die naar binnen voerden.

In het portiershokje van Margarita, die kribbige oude vrouw die stonk, maar die ik aardig vond omdat ze me elke middag als ze me zag thuiskomen uit school een snoepje gaf, nam een onbekende man me van opzij op en vloog toen overeind uit zijn stoel om te vragen waar ik naartoe ging. Sinds ik voet had gezet op het perron van Estación del Norte, had ik me tegenover Madrid opgesteld als was het een vreemd dier, een monster dat een systematische, onwerkelijke metamorfose had ondergaan. Onder de nieuwe, op sommige plekken nog transparante huid van de stad die ik altijd als de mijne had beschouwd, ontdekte ik resten van een bekende wereld, vertrouwde geuren, details en geluiden die zich in een vreemd, voor mijn terugkeer onverschillig landschap vermengden met andere die ik me nooit had kunnen voorstellen. Niet alleen de vlaggen waren anders. Ook de kleur van de trams, de emblemen die op de portieren van de taxi’s waren geschilderd, de uniformen van de politieagenten, de jasjes van de straatvegers, de namen van de bioscopen, van de winkels en de straten, de vorm van de naamborden. Maar terwijl ik Margarita’s opvolger uitlegde wie ik was en waarom ik naar de eerste verdieping rechts B ging, besefte ik dat sommige dingen nooit zouden veranderen. Bijvoorbeeld de arrogantie waarmee de Madrileense portiers hun nieuwsgierigheid verhulden. De vijandigheid waarmee ze zich tot onbekenden richtten. Het gemak waarmee ze hun antipathie verruilden voor een gedienstige glimlach als ze dachten dat de pas aangekomene hun mogelijk een fooi zou geven. Ik kwam er heel snel achter dat zoals sommige dingen buiten mij niet veranderden, andere binnen in mij ook onveranderlijk bleven. Terwijl ik de trap opliep, bonsde mijn hart in mijn keel en toch, op de zesde trede maakte de realiteit een draai van honderdtachtig graden, alsof de ontelbare radertjes van een complexe, uiterst gevoelige machinerie plotseling in elkaar grepen om te verkondigen dat, al geloofde ik het zelf niet, Germán Velázquez Martín zojuist was thuisgekomen.

Ik kon me minstens zes verschillende paren herinneren.
Ik kon me minstens zes verschillende paren herinneren. Mijn favoriete waren een paar felroze muiltjes die de hielen vrijlieten en de wreven omlijstten met twee wolkjes van kleine, heel fijne veertjes die zo lekker waren om te aaien. Maar ze had er meer, een paar groene van ribfluweel voor de winter, en voor de zomer babouches van geel leer die mijn vader voor haar had meegebracht uit Marokko. Als het heel koud was, droeg ze andere, rode, gevoerd met lamsvacht. De laatste die zich in mijn geheugen hadden gegrift, waren marineblauw, net als de muiltjes die ik op dat moment zag, want nog voordat ik bij haar was, stond zij er al.

De muiltjes van mijn moeder, die onfeilbare, levende klok die gewoon was ons op de overloop op te wachten met achter haar de halfopen deur, kondigden als liefdevolle boodschappers haar aanwezigheid aan. Als in mijn kindertijd een proefwerk niet goed was gegaan of ik in de pauze met een vriendje had gevochten, was er niets wat me meer troostte dan het zien van die muiltjes boven aan de trap, en niets maakte me zo somber als de afwezigheid ervan. Maar geen enkele emotie was vergelijkbaar met wat ik op dat moment voelde. Misschien omdat ik, zes treden lager, het werk van de tijd al kon zien in de onverwacht broze enkels, de uitgedroogde, bleke huid van de voeten waar ik op afrende met een plotselinge, andersoortige beklemming, die niet op mijn borst drukte maar meer pijn deed.

‘Mama.’

De huid van haar gezicht, net zo dun en gerimpeld als die van mijn favoriete muiltjes, trof me minder dan de verdwenen haren, het dunne, kortgeknipte grijze haar waar nu de contouren van haar schedel doorheen schemerden. Maar het meest zorgwekkend vond ik haar schriele lichaam, de onbekende, knokige, broze armen die me omknelden, de onbarmhartige leegte waar ooit haar taille was geweest, de schreeuw van haar ribben, die zichtbaar waren boven de afwezige ronding van haar heupen. En toch was zij het, ze was het nog altijd en ze was daar. Ze was mijn moeder en dat zei ik vele keren tegen haar, mama, mama, mama, alleen om mezelf dat woord te horen zeggen, om hardop twee identieke lettergrepen te horen die ik zo vaak had gevreesd nooit meer uit te zullen spreken.

‘Ach, Germán.’ Ze mompelde mijn naam terwijl ze me omarmde, ze trok haar hoofd weg van het mijne en keek me aan met een gulle lach, haar wangen nat van de tranen. ‘Germán, jongen, je weet niet hoe blij ik ben… Nu kan het me niet meer schelen om dood te gaan, ik meen het,’ en ze gaf me een hele reeks luidruchtige zoenen op mijn wangen, net als toen ik klein was. ‘Ach, lieverd! Maar wat zie je er goed uit, en zo volwassen, je was nog een kind toen…’ Ze raakte mijn gezicht, mijn hals en mijn schouders aan alsof ze ze niet kon zien, toen lachte ze en was het met het huilen gedaan. ‘Ik kan niet geloven dat je hier bent, al begrijp ik eerlijk gezegd niet…’ Ze trok me zachtjes mee het halletje in en hoewel ze de deur sloot, dempte ze meteen haar stem tot fluisterniveau, als een goed afgericht huisdier. ‘Ik denk nog steeds dat je in Zwitserland had moeten blijven, je had het daar zo goed.’

In het voorjaar van 1952 was de Waldau-kliniek geselecteerd door een farmaceutisch laboratorium dat werkte aan de ontwikkeling van chloorpromazine, een medicijn dat pas enkele maanden eerder was ontdekt. Het eerste neurolepticum in de geschiedenis werd met wantrouwen begroet door de meest gezaghebbende psychiaters van mijn ziekenhuis, aan wie de reikwijdte van de ophanden zijnde revolutie ontging. Hun conservatisme gaf mij de kans een klinische proef te leiden die het leven van enkele van mijn patiënten zou veranderen, en ook dat van mezelf.

Ik was graag psychiater, maar mijn werk had me nooit echt gegrepen.
Ik was graag psychiater, maar mijn werk had me nooit echt gegrepen. Bijna elke dag voelde ik me als een entomoloog die insecten op een kurk prikte om te observeren hoelang ze hun pootjes konden blijven bewegen en zorgvuldig de resultaten te noteren, maar de ervaring met dat nieuwe geneesmiddel maakte me pas echt tot arts. De chloorpromazine werkte niet alleen veel beter dan elektroshocks, insulinecoma’s, ijswaterbaden en andere therapeutische kwellingen, maar genas, of onderdrukte op zijn minst de symptomen van ziekten die we nooit hadden gedacht te kunnen verslaan. Daarom, om dat te vertellen, ging ik in september 1953 naar Wenen.

Op de dag dat ik de eerste machtiging ondertekende waarmee Walter Friedli een week bij zijn familie kon doorbrengen, stond hij op het punt vierentachtig te worden. Hij was op zijn negentiende in de Waldau-kliniek opgenomen. Toen ik hem halverwege de ochtend van een dag in januari 1947 voor het eerst zag, keek hij me nauwelijks aan. Hij sloeg zijn lichte, waterige, diep in hun kassen verzonken ogen heel even op en staarde toen weer naar zijn handen. Hij was niet in mij geïnteresseerd, hij was in niets of niemand geïnteresseerd. Hij sliep urenlang. Hij richtte nooit het woord tot het personeel van de kliniek of tot de andere inwonende patiënten. Het grootste deel van de dag verkeerde hij in een bijna volledige apathie, die alleen werd onderbroken door de energie waarmee hij van tijd tot tijd met zijn hoofd schudde, maar in de vooravond leed hij verschrikkelijk.

Aan het eind van de middag ging hij op de vensterbank van een raam in de galerij zitten. Altijd hetzelfde raam, op hetzelfde tijdstip, in dezelfde houding. Dan praatte hij wel, eerst mompelend, maar naarmate de stemmen die hij hoorde hem meer kwelden, nam zijn stemgeluid steeds verder toe. Walter Friedli was schizofreen en leed aan akoestische hallucinaties. Elke middag vocht hij met zijn moeder, die nog voor zijn derde aan een hartaanval was overleden maar hem ervan beschuldigde dat hij haar had vermoord. Hij kreeg nog meer bezoek, van mensen die hij had gekend, van andere die nooit hadden bestaan, en allemaal achtervolgden ze hem met dezelfde razernij, allemaal belaagden ze hem, beledigden hem, eisten dat hij dingen deed die hij niet kon doen. Dat kan ik niet, schreeuwde hij, dat kan ik niet doen, ik kan hier niet weg, je weet dat ik dat niet kan… Een paar uur lang argumenteerde hij, schreeuwde hij, weerstond hij zijn vijanden, bevocht hij ze en gaf hij zich ten slotte over. Daarna begon hij te huilen, bedekte zijn hoofd met zijn armen om zich te beschermen tegen de aanvallen van de lucht, die hem harder troffen dan echte klappen.

Op het verdrietigste uur van de dag barstte meneer Friedli in snikken uit, als een weerloos diertje dat door een kudde wilde beesten wordt belaagd. Dat was precies hoe hij zich voelde. Als de lucht bewolkt was, was de kleur van de wolken nauwelijks te onderscheiden van de kleur van zijn gezicht. Als het regende, leken de zachtmoedige, machteloze tranen van zijn overgave een natuurlijk verlengstuk van het water dat over het glas druppelde. De schemering en hij smolten dan samen, altijd de regen, het duister, een hemel van zwarte wolken in een menselijke vorm. Zelfs de intense contrasten van de zomerse zonsondergangen voorkwamen niet dat hij vanbinnen bleef regenen, want de hel waarin hij leefde, was ongevoelig voor het klimaat, de jaargetijden, het licht. Het enige waar hij zich strikt punctueel aan hield, was het tijdstip van zijn afspraak met de monsters. Zo leefde het meest hulpeloze wezen dat ik ooit had gekend, een man die gezond was, die sterk was, die een oudere zus had die van hem hield.

Elke zondag deed Marie Augustine Bauer, geboren Friedli, haar haar, stiftte haar lippen en trok haar mooiste kleren aan om bij Walter op bezoek te gaan. Ze was een innemende vrouw, altijd vriendelijk, en op het moment dat ze op de vensterbank naast hem ging zitten, lachte ze zelfs en probeerde ze zijn hand te pakken. Soms liet hij het toe. Niet altijd. Soms praatte Marie Augustine over hun moeder. Ze vertelde dat het een heel aardige, lieve vrouw was geweest die veel van hem had gehouden voordat ze in haar slaap was overleden, zonder dat er iemand bij was geweest. Walter praatte met zijn eigen stemmen alsof hij die van zijn zus niet hoorde, al viel hij op sommige zondagen na een tijdje stil en leek hij geïnteresseerd in wat hij hoorde. Dan was het erger. Dan sloeg en duwde hij haar en gooide haar op de grond, maar Marie Augustine werd nooit boos. Ze stond op, trok haar kleren recht, ging even naar de wc en kwam weer bij hem terug. Als ze afscheid van ons nam, lachte ze opnieuw en bedankte ons dat we voor haar broer zorgden.

Meer om haar dan om hem koos ik voor Walter.
Meer om haar dan om hem koos ik voor Walter. Toen de chloorpromazine resultaat begon te hebben bij acuut zieke patiënten met psychotische uitbarstingen of diepe angsten, toen die zo snel begonnen te verbeteren dat ze me zelf vertelden hoe hun symptomen zich hadden ontwikkeld, toen ze begrepen hoe slecht ze eraan toe waren geweest en besloten dat ze goed genoeg waren om weer naar huis te gaan en een normaal leven te leiden, begon ik meneer Friedli ermee te behandelen. Hij was een geval waar het protocol in voorzag. Hoewel we er in principe van uitgingen dat het middel de levensomstandigheden van acuut zieke patiënten verbeterde, werd in de proef ook gekeken naar de resultaten bij chronische patiënten. Voordat ik uiteenzette hoe Walters leven was veranderd, liet ik een pauze vallen en keek naar de middelste zitplaatsen op de achtste rij.

In september 1953, tijdens het symposium over neuropsychiatrie in Wenen, trad ik op in een onderdeel dat volledig was gewijd aan klinische proeven met chloorpromazine, samen met nog vijf andere psychiaters van evenzoveel Europese klinieken met wie ik in de loop van het proces in contact was geweest. We hadden alle tijd. De organisatie had een hele ochtend voor ons gereserveerd en er waren al bijna drie uur voorbij, toen ik als voorlaatste spreker het woord nam. Pas op dat moment begon een heel grote blonde vrouw, een soort reuzin, niet zozeer weelderig gevormd als wel zwaarlijvig, in het oor van de man naast haar te fluisteren. Die was kleiner en tengerder, had een donkere huid, het typische Zuid-Europese smalle voorhoofd en stevig, krullend haar dat ondanks de vele eerder gele dan witte haren nog heel donker was. Aanvankelijk dacht ik dat hij Italiaans was, maar ik besefte tijdig dat zij tijdens de presentatie van mijn Milanese collega, de tweede van die ochtend, niets had gezegd. Die overrijpe dragonder was alleen in Walter geïnteresseerd en stoorde alleen mij. Zodoende realiseerde ik me dat degene voor wie ze mijn woorden vertaalde een Spanjaard was.

De Europese Vereniging voor Psychiatrie had geen enkele psychiater uitgenodigd uit het land dat altijd mijn land zou blijven. Die uitsluiting betekende niet alleen een stellingname tegen de dictatuur van Franco. Het was ook een expliciete aanklacht tegen de eugenetische leer die door de franquistische staat werd aangehangen, én tegen de ijzeren toepassing van de ultrakatholieke moraal, die door zijn niet-aflatende invloed op de psychiatrische praktijk een dramatische terugval naar heel duistere tijden teweeg had gebracht. Toch waren er die ochtend ook twee beroemde specialisten, een Belg en een Duitser, onder het publiek, al had de organisatie hun nog voor de aanvang van het symposium waarvoor zij zich wilden inschrijven, verzocht te vertrekken. Iedereen wist dat beide psychiaters, voordat Hitler was verslagen, aan de directeuren van een aantal naziconcentratiekampen hadden gevraagd hun de hersenen van vergaste personen ter bestudering toe te sturen, maar de sessies in Wenen waren openbaar en niemand had hun belet naar ons te komen luisteren. Maar het was niet daarom dat ik doorging over Walter Friedli, dat ik probeerde op mijn toehoorders de euforie over te brengen die me had bevangen toen hij tegen mij was gaan praten, toen hij me had verteld dat hij al een paar dagen de stem van zijn moeder niet hoorde, dat hij was gaan denken dat Marie Augustine gelijk had en dat zijn moeder hem er niet van kon beschuldigen dat hij haar had vermoord, en ook niet om de blonde vrouw, die zich niet aangesproken voelde toen ik even zweeg en haar aankeek. Dat ik verder ging, was omdat de man naast haar van mijn stilte gebruikmaakte om naar me te lachen en te zwaaien, alsof hij er zeker van was dat ik zou teruggroeten.

Na afloop wachtte hij me met een nog bredere lach op in de hal. Hij kwam naar me toe, spreidde zijn armen en sprak me aan met een naam die ik me alleen nog herinnerde uit een ver verleden en uitgesproken door een andere stem.

‘Piloot!’ Het was mijn vader die me zo noemde, omdat ik als kind vliegenier wilde worden. ‘Wat fijn om je weer te zien. Kom, geef me een omhelzing.’

Ik liet me door hem omhelzen zonder te weten wie hij was, maar toen zijn armen me loslieten, waren de manier waarop hij keek en vooral de lichtelijk ironisch opgetrokken wenkbrauwen, wat zijn gezicht een even verraste als vrolijke aanblik verleende, me pijnlijk vertrouwd.

‘Natuurlijk,’ zei ik in het Spaans tegen hem zonder erbij stil te staan hoe lang ik mijn eigen taal al niet meer had gesproken, behalve tegen mezelf. ‘Natuurlijk, u was…’ Ik zweeg, keek hem weer aan en wist het al zeker. ‘U was toch een van mijn vaders studenten?’

‘Precies. Maar zeg alsjeblieft geen u tegen mij.'
‘Precies. Maar zeg alsjeblieft geen u tegen mij. Toen je nog maar zo groot was,’ hij stak zijn arm uit met zijn hand recht naar voren om de grootte van een jongen van vijf of zes aan te geven, ‘noemde je me Pepe Luis, dus…’

Die naam deed het hem. Daardoor hervond ik het beeld van een slanke, maar atletische jongeman met een bepaalde zigeunerachtige charme. Hij had lange, sterke armen en een onbehaarde borst als tegenwicht voor de eeuwige schaduw van zijn zwarte baard, die zich hardnekkig tegen scheren verzette, alsof hij toen nog niet begreep dat hij in de loop van de tijd minder dik zou worden. Dat alles kwam terug in mijn herinnering, maar wat ik me vooral herinnerde, was dat ik hem niet mocht.

Van al mijn vaders studenten die bij ons thuis kwamen om iets te eten of te drinken, was hij de enige die mijn moeder, met haar lichte haren, haar zachte schouders en haar ronde dijen, met zijn ogen verslond. Ik zag weer voor me hoe hij naar haar keek, hoe hij haar door de zitkamer volgde met dezelfde devote fascinatie als waarmee een kind voor het eerst de zee zou hebben bezien. Ik herinnerde me hoe haastig hij opstond om haar te helpen de glazen weg te brengen, hun gelach dat opklonk vanuit de keuken, mijn vader die spottend grijnsde en met zijn hoofd schudde, en de verschrikkelijke, woeste jaloezie die zijn onschuldige geflirt in me opriep. Als hij weer weg was, ging mijn moeder naast haar man zitten en beklaagde zich lachend, jezus, wat is die Pepe Luis vervelend, je zou hem eigenlijk niet meer moeten uitnodigen. Dan antwoordde mijn vader plagerig zo van klaag maar niet, mallerd, want eigenlijk vind je hem best leuk… Dat had me gerust moeten stellen, maar toch liet ik nooit de gelegenheid voorbijgaan om onaardig tegen hem te zijn. Laat mijn moeder met rust, zei ik. Ik haat je. Ik ga tegen papa zeggen dat hij je moet laten zakken. Mama zei dat ze niet wil dat je hier ooit nog terugkomt… Dan begon hij te lachen en stak zijn vuisten omhoog alsof hij met me wilde boksen, of hij pakte me bij mijn middel en hield me ondersteboven. Daarna haatte ik hem nog meer. Nu, met mijn bijna drieëndertig jaar in de hal van de Medische Faculteit van de Universiteit van Wenen, schaamde ik me zo voor die vijandigheid dat ik zijn uitnodiging om samen te dineren zonder aarzelen aannam.

We logeerden in hetzelfde hotel. Toen ik het restaurant binnenkwam, verwachtte ik een lange avond vol herinneringen en nostalgie, maar ik vergiste me. Zijn vrouw, die hij ondanks het zware Duitse accent waarmee ze me begroette, had voorgesteld als Ángela, at niet met ons mee. Hij verdeed geen tijd met excuses voor haar afwezigheid en gaf me zelfs niet de kans me voor mijn vroegere vijandigheid te verontschuldigen.

‘Ik ben hier naartoe gekomen voor jou, Germán,’ zei hij, nog voordat de maître naar ons tafeltje kwam. ‘Ik ben natuurlijk enorm geïnteresseerd in chloorpromazine, net als iedereen, maar toen ik jouw naam op het programma zag, heb ik me geen seconde bedacht.’

In juni 1953 was José Luis Robles directeur van het krankzinnigengesticht voor vrouwen in Ciempozuelos, een verrassend gunstige functie voor een voormalige student van de na de oorlog ter dood veroordeelde hoogleraar Psychiatrie van de Universidad Central van Madrid, die voor de voltrekking van het vonnis zelfmoord had gepleegd in een cel in de Porlier-gevangenis. Maar ook dat legde hij me pas later uit.

‘Ik zou het volkomen begrijpen als je nee zei. Het idee om na de dood van je vader als psychiater in Spanje te gaan werken… Jezus! Denk niet dat ik het niet begrijp. Maar jij moet mij ook begrijpen. Je bent een witte raaf, Germán, een unieke kans. Ik zou het begrijpen als je nee zei, maar het is mijn plicht om te proberen je over te halen.’

Op dat moment was ik al begonnen met wikken en wegen, met een inschatting van de factoren waar Robles geen rekening mee had kunnen houden toen hij op het waanzinnige, maar zeer genereuze idee was gekomen om mij niet alleen een klinische proef maar zelfs een compleet behandelprogramma aan te bieden in de inrichting waarvan hij directeur was. Een aantal van die overwegingen zou ik later hardop uitwerken om mijn besluit aan mijn moeder, mijn zus Rita, professor Goldstein en Robles zelf toe te lichten. Andere motieven, de diepste, hield ik voor mezelf, al waren die doorslaggevender. Want toen al wist ik dat ik nee moest zeggen. Ik wist dat ik eerst nee zou zeggen. Maar ik voorvoelde dat ik uiteindelijk ja zou zeggen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief