leesfragment

‘De mooiste dag’ van Jamie Weisman

Het is een stralende, zonnige dag. Twee mensen voor het altaar. De mooiste dag van hun leven. Hoewel? Voor het bruidspaar Elisabeth en Hank misschien, maar niet voor alle gasten. De mooiste dag is hun verhaal. Ontmoet onder anderen Carla, Elizabeths scherpzinnige jeugdvriendin die van lelijk eendje tot Hollywood-filmscout is uitgegroeid, Elizabeths grootvader, verlamd maar nog helder van geest, die zijn reputatie en erfenis tegen het licht houdt, en Annette, de moeder van de bruid die op deze dag aan haar eigen jeugdige misstappen in de liefde herinnerd wordt.

Door de ogen van zeven kleurrijke personages vertelt Jamie Weisman met humor en warmte over hoe het leven kan lopen, afhankelijk van de keuzes die je maakt. De eerste pagina’s van De mooiste dag lees je hier!

Mismaakt en wormstekig

Er is geen gerechtigheid op deze wereld, neem alleen al het simpele gegeven dat sommige mensen eruitzien als Elizabeth Gottlieb. Dat sommigen hoge jukbeenderen hebben, grote ogen, lange wimpers en er beter uitzien dan de rest, ook als ze net tien kilometer hebben hardgelopen waar ze zogezegd zo blij van worden. Dat ze tijdens de eetpauze nooit alleen zitten, altijd een gegadigde kunnen vinden voor een gezamenlijk kunstproject, minstens twee aanbidders voor het schoolbal afwijzen om er uiteindelijk met hun echte vlam heen te gaan, gematst worden bij andere vakken als ze bij scheikunde matige resultaten behalen, voor alle feestjes een uitnodiging krijgen, eerst een paar keer onbezonnen scharrelen met filmsterren en met minstens één semi-bekende drummer om dan te trouwen met een knappe man die niets liever wil dan tot aan zijn laatste snik voor haar zorgen. Er is geen gerechtigheid. Absoluut niet.

Er is geen gerechtigheid op deze wereld.
Sinds de eerste tekeningen op de rotswanden verschenen, zijn het de schoonheid van de vrouw en de heldenmoed van de man waar de verhalen over gaan. Zelfs niet met chirurgische ingrepen, uren in de sportschool, make-up of merkkleding zou ik qua uiterlijk in de buurt kunnen komen van mijn vriendin Elizabeth, en alhoewel je kunt stellen dat ik in andere zin een bijdrage aan de wereld lever – een belangrijkere zelfs, doordat ik hogere cijfers haal en doordat ik op een dag een filmscript zal schrijven dat de mensheid de ogen zal openen voor Amerikaans imperialisme of dat tot extreem veel empathie voor de geesteszieken zal leiden – hoeft Elizabeth zich niet te verdiepen in literatuur, poëzie of het helpen van weeskinderen. Met andere woorden: ze hoeft alleen maar met haar wimpers te klapwieken of ze heeft me al afgetroefd. Ze is me in alle opzichten de baas en er is niets wat ik kan doen om dat simpele feit te veranderen.

Maar laat me bij het begin beginnen voor we hierop doorgaan, te weten Elizabeths trouwdag, de dag waarop de gasten van heinde en ver toestromen, vrienden van de familie Gottlieb die in pastelkleurige jurken en kostuums de oprijlaan bevolken, stuk voor stuk te warm gekleed voor wat een zomerse voorjaarsdag belooft te worden. Hoe toepasselijk dat zelfs de lente zich ter ere van de bruid tot zomer wilde ombuigen, de zomerse dag waarmee Elizabeth zal worden vergeleken en waarbij zij als de lieftalligste en welwillendste uit de bus zal komen. Het tafereel wordt niet bezoedeld door de ram op de claxon van het beige gevaarte dat over de oprijlaan ronkt en de gasten het pas gemaaide gazon op jaagt. Integendeel, ze gaan gewillig opzij tot de bestelwagen tot stilstand is gekomen en zich als een vriendelijke reus voor de prinses op één knie laat zakken.

Het voorportier gaat open en Elizabeths grootmoeder, bubbie Ida, stapt uit. Ze is zoals gewoonlijk de mooiste aller oma’s en ik kijk naar haar zwierige ensemble met de diamanten broche. Ze doet een stapje naar voren om een kus van een andere gast in ontvangst te nemen. Bubbie Ida zei altijd dat we met gekruiste enkels moesten zitten, niet met over elkaar geslagen benen, daar kreeg je spataderen van. Ze zei ook dat we de helft van wat er op ons bord lag onder een stuk brood moesten bedekken en alleen opeten wat we zagen. Voor de slanke lijn. Het portier aan de zijkant van de auto wordt opengeschoven, gevolgd door het bliepende geluid als van een achteruitrijdende vrachtwagen als een man in een rolstoel via een hydraulisch plateau eruit wordt geheven. Ida grijpt stevig de handvatten beet als de rolstoel op de grond staat. Wat erin zit, is het overblijfsel van Elizabeths voorheen zo geduchte, angstaanjagende grootvader, zayde Albert Gottlieb, ooit een van de rijkste mannen in Atlanta voordat de ondernemers van bouwmarktketen Home Depot hem de loef afstaken. Bubbie Ida moet om de paar stappen blijven staan omdat allerlei mensen haar willen begroeten. Tot ze tegenover zayde Alberts evenknie komt te staan, een graatmager joch dat geknakt in een rolstoel ligt en dat ik eerst aanzie voor Stephen Hawking voor ik Jeffrey Wolf in hem herken, die dus nog altijd onder de levenden is.

Bubbie Ida moet om de paar stappen blijven staan omdat allerlei mensen haar willen begroeten.
Ik heb gehoord dat Elizabeths grootvader door een beroerte is getroffen. Vroeger joeg hij me de stuipen op het lijf. Hij had thuis een zwembad met te veel chloor, het enige in de wijde omgeving voordat de publieke zwembaden hun intrede deden, dus in de maand mei gingen we erheen en zwommen tot onze ogen rood zagen. Bubbie Ida had er een glijbaan bij laten maken, uiteraard voor de kinderen, en ze smeerde boterhammetjes zonder korst voor ons, maar zayde Albert blafte je af als je met natte voeten het huis in liep of water op de bloembedden spetterde. Nu zit hij in een rolstoel, met een asgrauw gezicht en donkere kringen om zijn ogen. Ik heb medelijden met hem en als ik snel wil wegkijken door mijn ogen neer te slaan met een plotselinge belangstelling voor iets op de grond, herken ik de reflex van mensen als ze mij zien aankomen.

Mijn moeder noemde hem ooit een mislukte despoot die met harde hand de synagoge en zijn onderneming regeerde – ik heb nooit precies geweten wat die handel van hem inhield, ik wist alleen dat hij zakenman was en goed in de slappe was zat. En moet je hem nu eens zien: botloos, bijna huidloos, alsof ze hem verpakt in cellofaan en piepschuim in de koelkast kunnen bewaren. Wat een sneu, afgeserveerd restje mens. Ik voel zowel medeleven als afschuw en zelfs enige fascinatie, maar dan valt er een zonnestraal op zijn witte stoppels en ze glanzen als gesponnen glas. Er loopt een ragfijne, zijdeachtige kwijldraad van zijn mondhoek naar zijn schouder. Hij is magnifiek, deze holle schelp, gefossiliseerd, museumwaardig, weggestopt in een rolstoel die een marmeren sokkel had moeten zijn. Maak plaats, David van Michelangelo. Ik breng u Gebrekkigheid.

Ik moet eigenlijk het huis in rennen en een badkamer zoeken met een spiegel, naar mijn gezicht staren en het Geen gebrekkigheid noemen. Even denken. Bestaat er een net zo zwaarwichtig synoniem voor ‘niet helemaal goed’? Niet zo opzichtig verkeerd als een mens met drie ogen of juist één, geen cyclopisch monster, maar een foutje. Ik geef u Aberratie. Anomalie. Afwijking. Zonderling.

 

Portret van een artiest als de loser van de school.
Portret van een artiest als de loser van de school. Ik had een wijnvlek die de helft van mijn linkerwang bedekte, mijn linkeroog als een vogelklauw omvatte, doorliep tot in mijn hals en nee, aan alle mensen die het vroegen of erover fantaseerden: niet tot aan mijn borst. Vanwege die wijnvlek liep ik ook mank. De op mijn gezicht opengebarsten bloedvaten zaten diep in mijn been begraven, maar ze maakten mijn rechterbeen wel dikker en langer dan het andere. Het werd in mijn kindertijd gecorrigeerd met operaties waarbij mijn dijbeen werd gebroken en gehecht. Mijn eerste zomervakantie lag ik te herstellen van de chirurgische ingreep. De benen zijn inmiddels van gelijke lengte, maar de rest kon niet worden verholpen. Alle jaren van beugels en orthopedische schoenen ten spijt loop ik nog steeds mank. Sinds mijn kindertijd draag ik een bril, al heb ik alleen corrigerend glas voor mijn rechteroog nodig. De aderen hebben het gezichtsvermogen in mijn ene oog vertroebeld. Toch beweren mijn ouders dat het een stuk erger had gekund. In eerste instantie hadden de artsen blindheid, toevallen en een hoogstwaarschijnlijke verstandelijke beperking voorspeld. Gelukkig was mijn vader zelf arts. Hij nam me mee naar het kinderziekenhuis in Boston, waar ene dokter Lloyd Hartman werkte. Hij had cardioloog moeten worden met die achternaam, was het standaardgrapje van mijn vader. Dokter Hartman zei tegen mijn ouders dat ik geen verstandelijke beperking zou hebben, maar aan die wijnvlek kon hij weinig doen, die zat te diep.

Op foto’s ben ik een afzichtelijke baby. Een dik, veelkleurig gedrocht met een ooglapje en een gezwollen wang. Op een dag heb ik ze allemaal uit het album gerukt, in snippers gescheurd en weggegooid. Toen mijn moeder ze vond, liet ze de confetti aan mijn vader zien. Hij klopte zachtjes op de deur van mijn kamer voor hij binnenkwam. Ik was tien jaar oud. Ik lag een boek te lezen, boeken lezen is voor veel misvormden en onaaibaren een toevluchtsoord. Hij legde zijn hand tegen mijn wang. Wie mooi is vanbinnen, is mooi vanbuiten. Hij zei dat ik mooi was en dat op een dag alle andere mensen zouden zien wat hij zag. Omwille van hem ben ik niet in tranen uitgebarsten. Ik staarde naar de bladzijden van mijn boek. Marcia Brady is de knappe. Cindy is een schatje. Jan, met haar bril en haar grote tanden, vindt iedereen vervelend. Op mijn tiende wist ik al hoe de wereld in elkaar stak.

In de eerste klas van de middelbare school had Sheila Bradley, die op ballet zat en bezeten was van dansparafernalia (spitzen op haar rugtas, spitzen op haar lunchtrommeltje; een loopje als een pinguïn met haar voeten naar buiten), het lumineuze idee opgevat dat haar klasgenoot – ik, de auteur – door de wijnvlek op een harlekijn leek. Kijk, zei ze en ze pakte een schrift met de foto van een zwart-wit harlekijngezicht. Dat ben jij. Vanaf de eerste klas was dat mijn bijnaam, de Harlekijn, en ik sloot hem in mijn armen, het personage dat zowel boosdoener als slachtoffer was, comedia en tragedia, lachend vanbuiten en huilend vanbinnen. Ik haatte de bijnaam, dus ik was er verguld mee, ik stelde me ermee voor, ik noemde mezelf zo in het jaarboek.

Niemand kwam in de pauze bij me zitten.
Niemand kwam in de pauze bij me zitten, dus ik at mijn broodje in een stil hoekje van de bibliotheek, want tussen de heilige, gekafte boeken mochten geen etenswaren worden genuttigd. De bibliothecaresse, mevrouw Coolick, wist trouwens wel wat ik daar deed, maar ze had met me te doen. Zie hoe de kunstenares de kruimels van haar broodje netjes in het plastic zakje veegt om later weg te kunnen gooien. Als er gerechtigheid was op de wereld – gerechtigheid, een niet minder magisch concept dan onsterfelijkheid of mensen die kunnen vliegen – dan zouden die kruimels ontkiemen tot wonderlijke planten die de vloek over het beest konden opheffen, of nog beter, zouden ze in een enorme paardenbloem veranderen. Als de kunstenares ertegen blaast, zullen de pluizige zaden over het land zweven en alles en iedereen die ze aanraken in een harlekijn veranderen, net als zij. Ze rent naar buiten en aanschouwt de transformatie, een land vol beesten, gelijkheid. Een shot van veraf: de vervloekte prinses strekt haar armen uit en heft haar kin naar de zon. Iemand pakt haar rechterhand vast, een ander haar linker-: de beesten versmelten tot een kring en dansen. Beeld springt over naar Tokio, onder een pagode, Japanse beesten. Londen, Big Ben; Rusland, de uivormige koepels op het Rode Plein; Parijs, de Eiffeltoren; een Masai-dorp in de Serengeti Vallei – alle omgevormd naar haar beeld.

Ik hinkte naar de hal met mijn boek tegen mijn borst gedrukt. Ik was erg slim. Ik haalde de hoogste cijfers. Ik had me aangemeld bij alle Ivy-universiteiten en legde de schuld bij mijn wijnvlek toen de grote drie me afwezen. Ik wist zeker dat ik mejuffrouw Naomi Carlton, hoofd toelatingscommissie van Yale, had zien staren en zichzelf had zien hernemen alsof dat paarse tapijt op mijn gezicht haar niet eens was opgevallen. Naomi Carlton: ik bedeel jou de rol van gemene heks toe en je krijgt van mij een wrat met een dikke zwarte haar op je neus. Al haal ik, nu ik inmiddels de rijpe leeftijd van achtentwintig heb bereikt, misschien wel die wrat van haar neus en gun ik haar enig verweer. Van Mansfield werd er dat jaar niemand tot Yale toegelaten, een feit dat mijn decaan weet aan de maar liefst vier Mansfield-scholieren die in het voorafgaande jaar waren aangenomen. Niettemin heb ik de blik in haar ogen gezien. Hou jij die wrat maar, juffertje Carlton. Opdat mensen aan je vragen wat je daar hebt en jij het van je neus probeert te trekken.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief