leesfragment

‘De naam van de moeder’ van Roberto Camurri

0

Van de Italiaanse auteur Roberto Camurri verscheen vorig jaar De menselijke maat, een debuutroman die vele lezers diep wist te raken. Met zijn tweede roman De naam van de moeder bewijst Camurri zijn literaire talent. In de rijke traditie van Giorgio Bassani keert hij terug naar het dorpje Fabricco, om een nieuw verhaal te vertellen over de inwoners van dit slaperige stadje in de buurt van Parma.

Lees hier de eerste pagina’s van De naam van de moeder.

Leesfragment

Hij zal thuiskomen voor de lunch op een dag in juli, het zal warm zijn, en de horizon zal getransformeerd zijn tot een vloeibare lijn onder een vage hemel.

Hij zal de deur opendoen en zijn vrouw daar zien staan, stokstijf in de gang alsof ze is betoverd, de handen bleek ineengewrongen, al het bloed naar haar gezicht getrokken, de ogen wijd open.

Ze zal blootsvoets zijn en onder haar, tussen haar voeten, zal zich een plasje uitbreiden over de vloer; hij zal een paar tellen roerloos blijven staan, de tijd is bevroren.

Alles komt goed, zal hij zeggen, en hij zal ervan versteld staan hoe kalm zijn stem klinkt, hoezeer hij ook wordt bevangen door paniek.

Alles zal door hun handen heen gaan, door de zon en de warmte die zal binnenkomen via de deur die nog openstaat, door dat huis heen, door dat erf, door hun levens tot dan toe.

Hun herinneringen zullen erdoorheen gaan, hun maaltijden samen zonder te praten, hun lusteloze vrijen, de kussen die ze elkaar niet zullen hebben gegeven en die ze elkaar hebben gegeven uit angst.

De motor van de Renault 4 zal ronken terwijl de reigers zullen opvliegen, terwijl zij zich hijgend zal vastgrijpen aan het handvat, terwijl hij steeds zal moeten lachen en tegen zichzelf zegt dat hij daarmee moet stoppen, te midden van die verlaten weg, van die immense vlakte, van die kleuren, extra fel door de zomerzon die de blauwe hemel verblindt daar boven hun hoofd, boven Fabbrico.

Zij zal haar buik vasthouden, zal zeggen: het doet zo’n pijn.

Hij zal naar haar kijken en opnieuw verliefd worden, op dat gezicht dat eindelijk zonder verweer is, verward, geëmotioneerd, blij en angstig, rood en trillend.

Hij zal opnieuw verliefd worden op die handen.
Hij zal opnieuw verliefd worden op die handen, die handen die zich door hem liefdevol zullen laten meevoeren via de deuren van het ziekenhuis, via de gezichten van de mensen die daar staan, die daar wachten. Hij zal gangen, liften en kamers in gaan die ruiken naar ontsmettingsmiddel, hij zal contact zoeken met haar ogen terwijl zij, onder de kalme blik van de verpleegsters, hem zal lijken te zijn vergeten.

Ze zullen haar op een bed laten gaan liggen, zeggen dat ze rustig moet blijven, ze zullen hen achterlaten in een kamer.

Hij zal twijfelen of hij moet opstaan om het raam open te doen, of hij moet proberen het rolluik te laten zakken tegen de warmte van de zon, of hij naast haar moet gaan staan om haar te strelen, te kussen, tegen haar te praten.

Hij zal beseffen dat hij niets te zeggen heeft, haar niets te zeggen heeft, hij zal beseffen dat hij ervandoor zou willen gaan en terugkomen, misschien, als alles voorbij is.

Alles zal dwars door hun aanwezigheid daar heen gaan, door de lucht in die kamer, door hun handen die elkaar weer vasthouden, communicerende vaten gevuld met één energie.

Hij zal blijven zitten waar hij zit.

Zij zal schreeuwen: het doet zo’n pijn, het doet echt zo’n pijn, en ze zal opstaan, ze zal met haar vuisten tegen die pastelkleurige muur beuken, heel hard, de klappen zullen dreunen, ze zal diezelfde muur kopstoten geven, ze zal schreeuwen, vloeken zoals hij haar nog nooit heeft horen doen.

Absurd zal het zijn dat de zomer zomer blijft.
Absurd zal het zijn om haar te zien wegrollen op een brancard, zich voor te stellen dat zij in de aangrenzende kamer ligt, achter die muur, verborgen voor zijn ogen te midden van het verzengende verglijden van die dag, absurd zal het zijn dat de wereld blijft draaien, dat de arbeiders blijven werken, dat er iemand in een bar een kop koffie zal drinken, en iemand anders thuis op de bank zal liggen, ten prooi aan verveling.

Absurd zal het zijn dat de zomer zomer blijft, absurd dat er niet een wind opsteekt om alles te verbranden.

Hij zal wachten gedurende wat uren zullen zijn, hij zal kijken hoe de dag overgaat in avond.

Hij zal wachten tot die deur opengaat.

Hij zal ernaar verlangen en bang zijn om zijn zoontje te zien, om haar te zien.

Daarna zal er stilte neerdalen en hij zal trillen, hij zal naar het bed lopen, hij zal bedenken dat er geen bloemen zijn, dat er geen taart is, dat er geen ballonnen zijn om de kamer te versieren, hij zal naar die vier muren kijken, hij zal ze kaal en treurig zien, hij zal naar haar gezicht kijken en bedenken dat ze nog nooit zo mooi is geweest.

Hij zal een hand uitsteken naar haar voorhoofd, hij zal op dat bed gaan liggen en zij zal voor hem opschuiven, hij zal daar roerloos liggen, de baby tussen hen in, de geur van zijn huid en zijn haartjes die de lucht vullen, en hij zal in stilte blijven kijken naar zijn zoon, Pietro.

EEN

Pietro doet zijn ogen open, ze zijn bruin, levendig; hij kijkt naar het plafond, naar het zonlicht dat danst met de schaduwen van de gesloten gordijnen, met die van de speeltjes, van de meubels in de kamer, hij kijkt naar de barsten in de blauwe verf op het plafond, naar de hanglamp. Hij huilt.

Ettore hoort hem, hij wordt wakker, doet zijn ogen niet open, blijft daar liggen luisteren, wacht tot zij in beweging komt, tot ook zij wakker wordt; als hij haar hand over zijn rug voelt strelen rolt hij zich kreunend op, trekt zijn knieën op naar zijn borst, zijn handen onder het kussen; als hij diezelfde hand in zijn schouder voelt knijpen verzet hij zich tegen de impuls om die naar zijn mond te brengen en er een kus op te geven, hij blijft stil liggen. Hij doet zijn ogen pas open als hij haar hoort fluisteren dat hij moet opstaan.

Sta op, zegt ze.
Sta op, zegt ze.

En dan komt Ettore overeind, hij gaat op het matras zitten, het gehuil van Pietro kruipt langs de muren van de gang om daar in hun slaapkamer tot uitbarsting te komen; hij leunt met zijn ellebogen op zijn knieën, laat zijn gezicht tussen zijn handen zakken, wrijft er krachtig overheen, hij is nog moe, heeft het idee dat hij amper heeft geslapen. Zo blijft hij een paar tellen stil zitten, hij wil haar stem weer horen, weer die fluistering horen. Hij draait zich niet naar haar toe om haar met zijn ogen te zoeken, hij steekt niet zijn handen uit, hij blijft stil zitten wachten, terwijl Pietro maar blijft huilen, harder nu; haar stem komt niet, Ettore stelt zich voor hoe ze daar ligt, opgerold, ongekamd, stuurs, hij ziet haar voor zich, mooi, boos, verfomfaaid en geurig, hij ziet haar voor zich met de vouwen van het hoofdkussen in haar wang.

Als hij zich omdraait is ze er niet, alleen wat er over is van haar kant van het bed, de lakens over het kussen waar zij sliep, en Pietro die nog steeds huilt.

Ettore staat op en rekt zich uit, verlaat de slaapkamer en loopt door de gang, de nepmarmeren vloer is koud onder zijn voeten, hij stopt voor de deur van de kinderkamer en het huilen lijkt wat tot bedaren te komen.

Pietro ziet de schaduw van zijn vader langer worden, ziet die spelen met de andere schaduwen en hij spert zijn ogen wijd open, haalt diep adem. Als hij de schaduw ziet weggaan, als hij doorheeft dat zijn vader niet naar binnen komt, barst hij weer in huilen uit, steeds wanhopiger.

Ettore is nu in de woonkamer, hij loopt naar de keuken, naar de tuindeur, hij schuift de gordijnen opzij om naar de hemel te kijken.

Het is zo’n dag waarop de vlakte zich te pletter lijkt te storten tegen de bergen daar in de verte, hij ziet de besneeuwde toppen aan de horizon en hij zou willen dat hij die sneeuw met zijn hand kon pakken, dat hij door al dat wit kon rollen zoals een hond zou doen.

Hij zou willen teruggaan naar een paar maanden eerder, toen de kinderarts zei, terwijl ze een haarlok achter haar oor streek, met een vragende blik die Ettore nooit helemaal had begrepen, dat het goed zou zijn voor de kleine om een paar dagen in de bergen door te brengen, in de gezonde lucht om van zijn kinkhoest af te komen.

Hij zou willen teruggaan naar het moment dat hij zich had omgedraaid naar de moeder van zijn kind, naar haar die daar zat met Pietro op schoot, naar haar holle, afstandelijke blik, naar de woorden die ze had uitgesproken terwijl ze naar de muur staarde achter de kinderarts die haar hoofd schudde.

Hoe moeten we dat nu doen?
Hoe moeten we dat nu doen?

Teruggaan, naar het moment dat ze weer in de auto waren gestapt, Pietro die huilde, zij die voor zich uit staarde naar de weg. Hij zou willen dat hij haar hand had vastgepakt, haar in de ogen had gekeken, hij zou willen dat hij de moed had gehad om tegen haar te zeggen: we gaan met z’n drietjes, we maken er een vakantie van.

Hij zou willen dat hij niet de woorden had uitgesproken die uit zijn mond kwamen terwijl hij de auto startte.

Ik ga wel met hem, jij hoeft niet per se mee.

Ze waren ’s ochtends vroeg vertrokken, de zon scheen op de ochtenddauw die de tuin bij hun huis bedekte, op de weg en het silhouet van de gieterij een eindje verder, de toppen van de bomen langs de weg.

Een dauw waardoor, in zijn achteruitkijkspiegeltje, de moeder van zijn kind de gedaante kreeg van een spook, een ijle figuur met de armen over elkaar geslagen voor haar boezem, gehuld in een nachthemd. Dat had ze ooit van hem gekregen en ze had het nog nooit gedragen.

Hij vroeg het haar niet, hij vroeg nooit waarom ze het niet droeg, en hij was blij geweest toen hij haar de avond ervoor met dat nachthemd naar bed zag komen, ze waren dicht tegen elkaar aan in slaap gevallen zoals in geen tijden meer was gebeurd, lepeltje-lepeltje, hij achter haar, hun handen in elkaar vervlochten, de geur van haar pasgewassen haren.

Die ochtend had hij haar weer naar binnen zien gaan, had hij gas gegeven met een blik op Pietro in het stoeltje dat op de achterbank was bevestigd, de kleine hield een doekje in zijn hand waar hij op sabbelde met geluidjes die blij klonken.

Er was niemand op straat, er klonk alleen het geronk van de auto en het geluid van de natuur die ontwaakte, van de vogels verborgen tussen de bomen.

Hij reed rustig, met een laag toerental, hij bekeek het landschap, de hemel die licht werd, gestreeld door een milde voorjaarswind.

Na een paar kilometer viel Pietro in slaap en hoestte niet meer, Ettore vroeg zich af waar deze reis eigenlijk voor nodig was, ze werden ingehaald door een vrachtwagen waardoor de auto schokte en slipte, de kleine deed zijn ogen open en begon angstig te huilen.

Ettore probeerde hem te kalmeren met lieve woorden en een vrolijke toon, met de woorden die hij thuis gebruikte, die hij zei als hij zijn luier verschoonde of als ze samen speelden op het kleed in de woonkamer, die hem aan het lachen maakten.

Nutteloze woorden.
Nutteloze woorden, zijn zoontje leek wel doof, bij het huilen kwam nu ook het hoesten, zijn gezicht liep paars aan, zijn ogen stonden star, het doekje viel op de vloer. Ettore stopte op de vluchtstrook, stapte snel uit.

De auto’s bleven voorbijrijden en verplaatsten de frisse lucht ver van de snelweg, hij deed het achterportier open, maakte Pietro los uit de riemen van het autostoeltje en nam hem in zijn armen terwijl het huilen en het hoesten zich vermengden met het kabaal van het verkeer. Hij hield hem tegen zijn borst en wiegde hem, zong hun liedje voor hem, dat hij altijd voor hem zong als hij ’s nachts wakker werd en niet meer kon slapen, zijn favoriete liedje, een ander dan zijn moeder voor hem zong.

Het was een liedje dat werkte en hij zong het met zijn ogen dicht, probeerde de rust te vinden die hij hoopte over te brengen op de snelle, moeizame ademhaling van zijn zoontje.

Hij zong het één keer, en had moeite om het ritme aan te houden. Pietro huilde en kronkelde in zijn armen, Ettore hield hem stevig vast, streelde met één hand zijn rug, hij zong het liedje voor de tweede keer en toen kwam de tekst gemakkelijker, het ritme bereikte een cadans die hem goed leek, de lage tonen trilden in zijn borst waar zijn hart bonsde op het ritme van dat van zijn zoontje dat nog steeds huilde en nog steeds hoestte, maar minder dan eerst.

Bij de derde keer ging het huilen over in ademhaling en het hoesten in een zacht gereutel en kwam de kalmte over hen, nog steeds daar langs de snelweg, met de auto als buffer tussen hen en het verkeer.

Ettore bleef zingen, hij kwam weer bij het einde van het liedje, nog steeds met zijn ogen dicht, alsof hij hulp vroeg aan iemand die daar niet was, aan iemand die misschien niet bestond.

Pietro haalde intussen rustig adem, Ettore voelde de rug van de kleine op en neer gaan onder zijn hand, voelde het gewicht op zijn arm toenemen, de overgave van het lichaam van zijn zoontje, hij voelde de zwaarte van het geruststellend zijn, kalmerend, de zwaarte van iemand zijn aan wie je je volledig kunt toevertrouwen.

Zachtjes tilde hij de kleine op, hield hem een eindje van zich af en keek naar dat ontspannen gezichtje, de wangen nog een beetje rood, de ogen dicht, de lange wimpers, het weinige lichte haar, de bolle wangen, de vetrolletjes op zijn armen, en hij moest aan zijn vader denken.

Hij fluisterde: laat alles goed gaan.
Er gleed een wolk over hen heen zodat de schaduw hen bedekte, hij legde Pietro in zijn autostoeltje, luisterend naar de geluidjes die hij in zijn slaap maakte, lichte geluidjes, het leek of hij droomde en Ettore vroeg zich af wat dan.

Hij fluisterde: laat alles goed gaan.

Hij keek omhoog naar de wolk aan de hemel die nu over hen heen dreef, naar de bergen waarnaar zij op weg waren, naar die smetteloos witte toppen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief