leesfragment

‘De onbevlekte’ van Erwin Mortier

Twintig jaar nadat Erwin Mortier met een knal de literatuur betrad, verschijnt het langverwachte vervolg op zijn succesvolle debuutroman Marcel.


In De onbevlekte keert Marcel terug naar huis in een laatste poging om uit te vinden waarom hij de naam draagt van zijn aan het oostfront gestorven grootoom. Hiermee schrijft Erwin Mortier andermaal een donker familieverhaal, waarin de Vlaamse klei nietsontziend wordt omgewoeld om het duistere verleden aan het licht te brengen. De onbevlekte is een prachtig geschreven verhaal over de complexiteit van liefhebben en de onontkoombaarheid van het verleden.

Hier lees je alvast de eerste pagina’s van  De onbevlekte.

1

Vannacht heb ik gedroomd dat hij weer thuis was. Ik stond in de achterkeuken aan het fornuis. Op de pot met aardappelen danste het deksel. De kat loerde naar het spek op het aanrecht. Rond mijn kuiten jengelden mijn dochters, nijdig van de honger.

Ik hoorde hem bij de achterdeur de aarde uit de zolen van zijn schoeisel trappen, het gestamp van een kalf dat de kracht in zijn poten beproeft.

Hoelang al had ik dat niet meer gehoord? Zijn tomeloosheid, zijn jeugd, die ik nimmer heb getemperd, die ik zelfs heb aangevuurd.

Het kan niet, dacht ik, maar hij stond al in de lage nauwe hal tussen de achterkeuken en de rest van het huis, met zijn struise lijf tussen de muren en de zoldering geprangd.

‘Andrea,’ zei hij toen hij me zag. ‘Mijn zuster en mijn moeder.’

Ik omarmde hem, zoende hem.
Ik omarmde hem, zoende hem. Op zijn wangen proefde ik aarde. In zijn haar, zijn stugge blonde lokken, koekten kluiten uitgedroogde modder.

Ik zei, zo luchtig als ik maar kon, dat het eten bijna klaar was.

Hij schudde het hoofd.

‘Ik wil me wassen,’ zei hij.

Ik warmde ketels water en vulde de zinken badkuip.

Toen hij uit zijn kleren stapte, eerst de veters van zijn laarzen losmaakte, dan zijn sokken uittrok, en dan zijn broek, draaide ik me om.

Mijn dochters joelden toen hij zich neerliet in de kuip en speelden met hun vingers in het lauwe water. Hij nam hun handen, zacht en mollig als speldenkussens, tussen zijn duim en wijsvinger. Hij bleef maar over hun handpalmen wrijven.

‘De kinders die ik nooit heb gezien,’ zei hij.

Mijn dochters gaapten hem aan, een man die hun zachte, soepele handjes in zijn eigen ruige vingers woog, tot hij ze losliet en zei: ‘Spoel mijn haar, Andrea. Spoel mijn haar schoon.’

Hij boog voorover, liet zijn kin op zijn borstbeen zakken en wachtte.

Ik vulde kannen en goot ze leeg over zijn kruin. Hij omklemde met beide handen de rand van de kuip en zette zich schrap voor elke gulp die over zijn schedel neerkwam.

‘Spoelen, spoelen, Andrea,’ herhaalde hij telkens weer.

Het klonk als een bede om vergeving of verlossing.
Het klonk als een bede om vergeving of verlossing, een roep om een reiniging die dieper moest gaan dan zijn huid, zijn haarwortels, zijn poriën.

‘Spoel me schoon, spoel me schoon,’ zei hij nogmaals, en nogmaals.

De modder trok roestbruine traansporen in de plooien van zijn hals, over zijn schouderbladen, en sijpelde neer in het zeepwater, waar zijn knieën bovenuit staken en waarin af en toe een glimp van zijn geslacht doorschemerde.

Hij bleef herhalen dat ik zijn haar moest wassen.

Maar ik had geen water meer, geen warm water.

Ik kneedde zijn schouders, om toch iets te doen, om de moddersporen van hem af te vegen. Zijn lichaam voelde zacht aan. Zijn spieren gaven onder mijn vingers mee.

‘Niet doen, Andrea,’ stamelde hij. ‘Niet doen. Ik ben juist bezig met geboren te worden.’

‘Maar wat moet ik dan doen, het water is koud?’

‘Ik mis hem, ons vader.’

‘Ons vader, ons vader? Ons vader is al zo lang dood.’

‘Ja,’ zei hij. ‘Ja. Zo lang al.’

Hoe meer ik zijn vlees kneedde, hoe meer het onder mijn vingers uiteenviel, als klonters zachte kaas of witte klei in mijn knuisten. Mijn armen zonken tot de ellebogen in de kuip en mijn handen ontmoetten op de bodem niets dan zand, wit zand dat onder mijn vingertoppen schuurde.

Mijn dochters krijsten toen ze mijn ontreddering zagen en ik schrok wakker.

Buiten was het nog donker.

Wat een mens toch allemaal droomt.

 

De hele morgen lang al spookt zijn stem door mijn lijf.
De hele morgen lang al spookt zijn stem door mijn lijf. Ze trekt krampen door mijn maag. Mijn ochtendmaal van brood, een zachtgekookt ei, een lik boter en een mok koffie zonder suiker blijft in mijn slokdarm hangen.

‘Andrea, Andrea.’

Hij pookt me in de rug, tussen mijn schouderbladen, alsof ik een deur ben waarop hij machteloos klopt. Maar wie van ons bevindt zich binnen en wie is buiten? Wie kan het slot ontgrendelen?

Hij bewoont al zo lang mijn wervels, mijn zere polsen, mijn stramme heup, al mijn zwakke plekken.

‘Andrea, mijn zuster en mijn moeder.’

Waarom, waarom toch, wil hij ook in mijn buik gaan wonen?

Onder mijn handpalmen raspt telkens weer zijn blonde haar, ruig van de uitgedroogde aarde, en de zware stof van de uniformjas die ik van zijn schouders nam, alsof handen een eigen geheugen hebben, alsof mijn vel andere gedachten heeft dan mijn hoofd.

In zijn jas en hemd rook ik zijn zweet, scherp, zuur, het zweet van een man. De verstorven draden van het hemd lieten elkaar los en ontblootten zijn bleke rug toen hij het over zijn hoofd wilde trekken, te ongedurig om er zich knoopsgat na knoopsgat uit te bevrijden.

Ik heb hem nooit anders gekend dan ongedurig, ongetemperd. Hij was drie jaar jonger. Hem werd het vergeven in klompen of laarzen de keuken in te komen gestormd en met zijn stompe vingers een homp brood in zijn mond te proppen, ook al liet hij een spoor van aarde en mest achter op de tegels van de keukenvloer.

Moeder protesteerde niet, van vader moest hij geen bolwassing verwachten. Hij was het godsgeschenk, de langverwachte zoon die kraambed en kinderziekten overleefd had.

En ik, en ik?

Ik was de vergissing, de gemiste kans.
Ik was de vergissing, de gemiste kans. De dochter die een zoon had moeten zijn.

‘Andrea,’ zei Moeder geregeld, ‘dat wil zeggen “sterk als een vent”.’

Ze zei het in de uren der schemering, in het onbestemde.

Om de paar dagen maakte ze me vroeg in de morgen wakker. In de winter was het nog donker, ’s zomers hing de zonsopgang als een belofte of een onheil boven de daken. Ze nam me mee naar de melkkelder. Daar rustte de melk in hoge vaten, omspoeld door koud water, om op te romen.

‘Melk moet rusten,’ zei ze. ‘Dat brengt het beste in haar naar boven. Hou de kom recht. Niet morsen.’

Ze schepte met een houten spatel de room af. Nooit meer dan we zelf nodig hadden. Met elke schep die in de kom terechtkwam, lepelde ze me haar levenswijsheden in.

‘Een vrouwmens moet taaier zijn dan de dunste taaiste draad, taaier dan een vent, taaier dan een spin.’

Tegen het einde van de zomer hingen de vrouwtjesspinnen in het hart van hun huis van draden tussen de balken van de schuur, de stallen of in de raamkozijnen. Elke nacht weer vraten ze hun oude web op, terwijl hun achterlijf nieuwe draden losliet, voor een nieuw onderkomen, om klaar te zijn voor de mannen van hun soort, die hen van hun maagdelijkheid zouden beroven. Ze zogen de levenssappen uit de vlinders, vliegen en muggen die ze in de zomermaanden hadden gevangen en als mummies in draden hadden gewikkeld en bewaard. Ze moesten aanvetten om eieren te kunnen leggen.

Als ik een takje tegen hun webben hield en ze heel even liet trillen, als ik rillingen door dat netwerk van draden liet gaan, dan maakten ze zich los uit het hart van hun halssnoeren en zochten naar hun voedsel, hun noodlot. Zelf zouden ze de winter niet overleven. Alleen hun kinderen, even veeltallig als naamloos, zijden cocons bedekt met koepels van nog meer zijde, witte kussens van slapend nageslacht in een hoek van het raamkozijn, als een dagdroom.

Ik heb hem als een mummie in draden gewikkeld.

Aan de kant van de weg heb ik met vlaggetjes gezwaaid en hem uitgewuifd. Ik was een vrouw, een broedmachine, de larven van mijn na-ijver heb ik in hem geplant. Hij was de stroman, die de ketens van mijn vrouw-zijn zou verbreken.

 

‘Ge staat weer te dromen, Andrea.'
‘Ge staat weer te dromen, Andrea. Ik zie het. Uw armen verslappen. Hou de kom recht.’

Ik weet niet waarom haar stem nu, in de schemeruren, helderder tot me doordringt dan toen ik nog een kind was. Ik weet niet hoe oud we moeten worden vooraleer het allervroegste weer tot ons doordringt, de allereerste geuren, de allereerste geluiden.

Hij voelde koel aan, de kom, en hij was te groot voor mijn handen, even onbevattelijk als Moeders buik was geweest, waarin ik, toen ze op baren stond en de meiden vroeg om haar met natte doeken te bedekken ter verkoeling, mijn broer zich voelde roeren, de langverwachte.

Ik mocht mijn handen op haar buik leggen, voor de meiden het linnen erover drapeerden.

‘Het is een zoon,’ zei ze. ‘Ik weet het zeker. Dochters zijn zo lastig niet. Het is precies of al het leven van zijn dode broertjes in hem is getrokken.’

Hij trapte haar in de nieren, keerde zich om en om onder de strakgespannen huid van haar moederbuik terwijl hij in haar bekken neerdaalde en zij een kussen tegen haar rug trok om de pijn te verzachten.

Onder haar nachtkleed klotsten overvol en blauw dooraderd haar borsten, haar tepels even bruin als een beurse plek in een overrijpe appel.

Ze kroop niet weg voor mij. Ze was niet preuts, wel kuis. We waren boeren. Op ons erf werden vaarzen bekalfd, merries besprongen. Rammen bestegen ooien, katten wierpen hun jongen in hetzelfde stro waarin de biggen uit de zeugen spoten. Alles wat ademde, loeide, balkte of blaatte ontstak in paardrift en dracht, groeide op en werd vroeg of laat geslacht.

Toen hij ouder was, een jaar of zes en ik nog geen negen, speelden we soms stier en koe, of merrie en hengst, in de bleekweide achter het huis waar Moeder en de meiden gewassen bedlinnen en ondergoed uitspreidden.

Hij zei dat ik op handen en voeten door het gras moest kruipen en sloop op me af. Hij omvatte mijn heupen, drukte zijn kruis tegen mijn billen en liet me weer los.

‘Andrea, mijn kind, daar is later nog tijd genoeg voor.’
De meiden gniffelden.

Moeder zei, kwaad noch afkeurend, maar nuchter: ‘Andrea, mijn kind, daar is later nog tijd genoeg voor.’

Ze ging verder met haar werk. In het blauwgroene gras trok ze de hoeken van lakens en kussenslopen recht, en de broekspijpen van mijn vaders lange ondergoed, waarin de kromming van zijn dijen en kuiten ondanks elke wasbeurt bewaard bleef.

‘Mijn dochter zal in het leven nog genoeg moeten dragen,’ zei ze.

De meiden vielen stil, of hielden hun lach in. Ze waren vrouwen, net als ik, maar ik moest nog in het vrouw-zijn worden ingewijd.

De langverwachte danste intussen op zijn sokken door de graspollen, trok zich op aan de takken van de elzen bij de sloot en schaterde het uit.

Waarom kreeg hij geen vermaning?

Ze riep alleen: ‘Marcel, vergeet uw klompen niet. Jaag toch niet altijd gelijk een zotte hond achter uw laatste gedachten aan.’

Maar hij was de jeugd, een onbeschreven huid. Zonen worden met verwachtingen beladen, dochters met erfzonden.

Zijn klompen lagen verloren in het gras aan mijn voeten, leeg en gapend, alsof ze zich uitrekten in de middagzon en geeuwden. Ze zullen ergens op een hooizolder hebben liggen vermolmen of in een kachel zijn geworpen, en van alle linnen heb ik alleen nog de servetten van het fijnste katoen waarin Moeder met naald en satijndraad wekenlang haar initialen met die van vader vervlocht, nadat ze zich verloofd hadden. De ‘E’ van Emilia slingert zich rond de ‘T’ van Théophile, min of meer zoals ze hem tot haar bed en haar lijf heeft toegelaten: eerst schoorvoetend, dan met overgave.

Haar vader zei: ‘Laat hem maar wachten, we zien wel of hij het uithoudt.’

Mijn eigen vader, die nog mijn vader moest worden, drentelde op zondag rond bij het hek, zijn knevel bijgeknipt en ingevet, zijn pet in de handen, heen en weer, heen en weer, langs de haag en het hek onder de lindebomen waar de lucht van nectar weglekte uit duizend bloesems die gonsden van bijen en bevruchting.

‘En ik liet hem wachten,’ zei Moeder. ‘Tot we ontploften van ongeduld en zelfs mijn vader het niet meer kon aanzien.’

Het moet de zomer van 1911 zijn geweest.
Het moet de zomer van 1911 zijn geweest. Zoals vader zei: ‘Toen was de wereld nog de wereld.’

Hij lijkt nu zo jong voor die knevel, die als een nachtvlinder op zijn bovenlip is geland en de vlerken spreidt, op hun huwelijksportret, dat tot haar dood boven haar bed heeft gehangen. Ze staan er als twee zuilen van donker zout. Vader houdt zijn arm op, Moeder legt haar ene hand op zijn onderarm. De andere omklemt een bescheiden boeket van ontluikende jasmijnbloesem. Ze heeft haar lokken opgestoken, ze bedekken haar schedel als een helm. Onder haar kin gaat haar lange hals volledig schuil achter de kraag van een bloes die dusdanig op preutsheid gesteld lijkt dat ze liefst ook Moeders wangen, haar oorlellen, haar hele aangezicht had bedekt, alsof die bloes geen maaksel is, maar een vorm van begroeiing.

Alleen haar halsketting, die over de helling van haar ingesnoerde borsten glijdt en vrijelijk boven haar taille mag hangen, laat een illusie van vrijmoedigheid zien – en ook haar vingers, in de hoek van vaders elleboog, losjes, vertrouwelijk, in tegenstelling tot zijn net niet gebalde vuist. ‘Hij heeft kracht en sterkte in zijn armen,’ zeggen die vingers. ‘Maar ik draag in mij het geduld van de taaiheid.’

‘Ja, hij heeft er lang voor gespaard, voor die snor,’ zei ze soms wanneer we samen die foto bekeken.

Ze zei het met een lachje dat heel even iets van een innerlijk leven losliet.

Ze blikken elkaar niet in de ogen op dat portret. Er dalen geen watervallen van lelies, rozen of buikige engelenkinderen neer achter hun rug. Ze kenden hun plaats. Boerenvolk was wat we waren. De adel van de aarde, die aan de akkers en weiden het vlees en de gewassen onttrok waarmee iedereen zich voedde.

‘De grond,’ zei Moeder, ‘dat zijn wij. Hou de kom recht, niets vermorsen. De beesten hebben hun best gedaan. Ze hebben van gras en klaver en graan melk gemaakt. Ik weet niet hoe, maar ze doen het. En wij ook. We eten, we verteren, we zwellen op en zetten kinders op de wereld, levend of dood, zoals Onze-Lieve-Heer het belieft.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief