leesfragment

‘De onschuldigen’ van John Grisham

Hij werd veroordeeld voor een misdaad die hij niet had begaan. Een zaak die twintig jaar later in een nieuw daglicht komt te staan…

Ontdek hier de eerste pagina’s van de allernieuwste John Grisham De onschuldigen!

Het verhaal

Meer dan twintig jaar geleden werd in Seabrook, Florida de jonge advocaat Keith Russo in koelen bloede neergeschoten. De moordenaar liet geen spoor achter, er waren geen getuigen en geen duidelijke verdachten. Om de zaak toch op te lossen, schoof de politie de moord in de schoenen van Quincy Miller – een jonge zwarte man die ooit cliënt was van het slachtoffer. Bewijs werd vervalst, een veroordeling volgde spoedig en Miller verdween achter de tralies. Voor de rest van zijn leven. Niemand bekommerde zich nog om hem.

Ruim twintig jaar na de gebeurtenissen in Seabrook ontvangt Cullen Post een brief waarin Quincy Miller hem om hulp vraagt. Post is priester en advocaat, en het gezicht van Guardian Ministries – een kleine organisatie die zich inzet voor ten onrechte veroordeelden, met name zaken die niemand anders op zich wil nemen. Maar met de zaak-Miller haalt Post zich meer problemen op de hals dan hij ooit had kunnen bevroeden. Want de werkelijke moordenaars van Keith Russo willen koste wat kost voorkomen dat Miller alsnog wordt vrijgesproken. Deze invloedrijke mannen hebben destijds één advocaat vermoord, en ze zullen er niet voor terugdeinzen om nog een andere te elimineren om hun doel te bereiken…

Leesfragment

1

Duke Russell is niet schuldig aan de gruwelijke misdaden waarvoor hij is veroordeeld, maar toch zal hij daarvoor over een uur en vierenveertig minuten worden geëxecuteerd. Zoals altijd tijdens deze afschuwelijke avonden lijkt de klok, als het laatste uur dichterbij komt, sneller te tikken. Twee keer eerder, in andere staten, heb ik de countdown meegemaakt. De ene keer ging het volgens plan door en sprak mijn man zijn laatste woorden uit. De andere keer werd het tijdens een miraculeus einde afgeblazen.

Het aftellen gaat niet gebeuren, vanavond in elk geval niet.
Het aftellen gaat niet gebeuren, vanavond in elk geval niet. De hoogste leiding van de staat Alabama slaagt er misschien ooit in om Duke zijn laatste maaltijd te serveren voordat ze een naald in zijn arm steken, maar vanavond niet. Hij zit pas negen jaar in de dodencel. Het gemiddelde in deze staat is vijftien, twintig is niet ongebruikelijk. Er is een beroepsprocedure aanhangig gemaakt ergens in het Eleventh Circuit in Atlanta, en als die binnen het uur op het bureau van de juiste griffiemedewerker belandt wordt deze executie opgeschort. Dan keert Duke terug naar de gruwelen van eenzame opsluiting en in leven blijven om op een andere dag te sterven.

Hij is al vier jaar mijn cliënt. Zijn team bestaat uit een gigantisch advocatenkantoor in Chicago dat er duizenden proDeo-uren in heeft gestoken en een antidoodstrafgroepering uit Birmingham die niet erg groot is. Vier jaar geleden, nadat ik ervan overtuigd was geraakt dat hij onschuldig was, heb ik zijn zaak aangenomen. Op dit moment heb ik vijf zaken, allemaal onterechte veroordelingen, volgens mij tenminste.

Ik heb een van mijn cliënten zien sterven. Ik denk nog steeds dat hij onschuldig was, alleen kon ik dat niet op tijd bewijzen. Een is genoeg.

Voor de derde keer vandaag loop ik Alabama’s dodencellen binnen en ik blijf staan bij de metaaldetector bij de voordeur, waar twee fronsende bewakers hun territorium bewaken. Eén heeft een klembord in de hand en kijkt me aan alsof hij sinds mijn bezoek twee uur geleden mijn naam is vergeten.

‘Post, Cullen Post,’ zeg ik tegen de sukkel. ‘Voor Duke Russell.’

Hij scant zijn klembord alsof daar belangrijke informatie op staat, vindt wat hij zoekt en knikt naar een plastic mandje op een korte lopende band. Daarin leg ik, net als eerder, mijn aktetas en mobieltje.

‘Horloge en riem?’ vraag ik als een echte wijsneus.

‘Nee,’ gromt hij met tegenzin.

Ik loop door de detector, mag doorlopen en alweer mag een innocence-advocaat − die opkomt voor onschuldig veroordeelden − ongewapend de dodencellen in. Ik pak mijn aktetas en mobieltje, en loop achter de andere bewaker aan door een steriele gang naar een muur van tralies. Hij knikt, schakelaars klikken en klakken, de tralies schuiven open en dan lopen we door een andere gang, steeds dieper dit afschuwelijke gebouw in. We slaan een hoek om en daar wachten een paar mannen voor een stalen deur zonder raam. Vier dragen een uniform, twee een pak. Een van de laatsten is de gevangenisdirecteur.

Hij kijkt me ernstig aan en stapt naar me toe. ‘Hebt u even tijd?’
Hij kijkt me ernstig aan en stapt naar me toe. ‘Hebt u even tijd?’

‘Niet veel,’ antwoord ik.

We lopen bij de groep vandaan voor een gesprek onder vier ogen.

Hij is geen slechte man, hij doet alleen maar zijn werk, zijn werk dat nieuw voor hem is zodat hij nooit eerder een executie heeft uitgevoerd. Hij is ook de vijand, en wat hij ook wil, van mij krijgt hij het niet.

We gaan dicht bij elkaar staan, alsof we vrienden zijn, en hij fluistert: ‘Hoe ziet het eruit?’

Ik kijk om me heen alsof ik de situatie wil inschatten en zeg: ‘Jeetje, ik weet het niet, hoor. Volgens mij lijkt het op een executie.’

‘Kom op, Post. Onze advocaten zeggen dat het doorgaat.’

‘Jullie advocaten zijn stomkoppen. We hebben dit gesprek al eerder gevoerd.’

‘Toe nou, Post. Hoe liggen de kansen op dit moment?’

‘Fiftyfifty,’ lieg ik.

Dat verbaast hem en hij weet niet goed hoe hij moet reageren.

‘Ik wil graag naar mijn cliënt,’ zeg ik.

‘Natuurlijk,’ zegt hij, luider, alsof hij gefrustreerd is. Hij wil niet dat het lijkt alsof hij met me samenwerkt, dus beent hij weg.

De bewakers stappen achteruit, terwijl een van hen de deur opent.
De bewakers stappen achteruit, terwijl een van hen de deur opent.

In de Death Room ligt Duke met gesloten ogen op een veldbed. Voor deze feestelijke gebeurtenis heeft hij een kleine kleuren-tv en mag hij kijken naar wat hij maar wil. Het geluid staat uit, terwijl het kabelnieuws zich druk maakt over bosbranden in het westen. Op nationaal niveau is zijn countdown geen belangrijk nieuwsitem.

Elke staat heeft voor een executie zijn eigen stomme rituelen, die allemaal zijn ontworpen om zo veel mogelijk drama te creëren. Hier is een ‘vol contact’-bezoek van naaste familieleden in de grote bezoekruimte toegestaan. Om tien uur ’s avonds brengen ze de terdoodveroordeelde naar de Death Room, naast de Death Chamber, waar hij ter dood zal worden gebracht. Een geestelijke en een advocaat mogen bij hem zijn, maar verder niemand. Zijn laatste maaltijd wordt rond halfelf geserveerd en hij mag bestellen wat hij maar wil, behalve alcohol.

‘Hoe gaat het?’ vraag ik nadat hij rechtop is gaan zitten en glimlacht.

‘Heb me nooit beter gevoeld. Al nieuws?’

‘Nog niet, maar ik ben nog steeds optimistisch. We zouden snel iets moeten horen.’

Duke is achtendertig en blank. Voordat hij werd gearresteerd voor verkrachting en moord bestond zijn strafblad uit twee keer rijden onder invloed en een paar boetes voor snelheidsovertredingen; geen enkel geweldsmisdrijf. Toen hij jonger was, was hij een feestbeest en een herrieschopper, maar na negen jaar eenzame opsluiting is hij veel rustiger. Het is mijn werk hem vrij te krijgen, iets wat op dit moment een belachelijke droom lijkt.

Het is mijn werk hem vrij te krijgen, iets wat op dit moment een belachelijke droom lijkt.
Ik pak de afstandsbediening en zet de tv op een zender van Birmingham, maar laat het geluid uit.

‘Je lijkt vol vertrouwen,’ zegt hij.

‘Dat kan ik me permitteren. Ik ben niet degene die de naald krijgt.’

‘Je bent een grapjas, Post.’

‘Relax, Duke.’

‘Relax?’ Hij zet zijn voeten op de grond en glimlacht weer. Hij ziet er inderdaad vrij relaxed uit, gezien de omstandigheden. Hij lacht en vraagt: ‘Herinner je je Lucky Skelton?’

‘Nee.’

‘Ze kregen hem uiteindelijk wel, een jaar of vijf geleden, maar pas nadat ze hem drie keer zijn laatste maaltijd hadden geserveerd. Hij liep drie keer over de loopplank voordat hij de naald kreeg. Pizza met worst en een kersencola.’

‘En wat heb jij besteld?’

‘Biefstuk met friet, en zes blikjes bier.’

‘Dat bier kun je vergeten.’

‘Ga jij me hier vandaan halen, Post?’

‘Vanavond niet, maar ik ben ermee bezig.’

‘Als ik vrijkom duik ik meteen een bar in en drink koude biertjes tot ik helemaal lam ben.’
‘Als ik vrijkom duik ik meteen een bar in en drink koude biertjes tot ik helemaal lam ben.’

‘Dan ga ik met je mee. Hier is de gouverneur.’ Hij verschijnt op het scherm en ik zet het geluid aan.

Hij staat voor een rij microfoons en in het licht van camera’s. Donker pak, stropdas met paisleyprint, wit overhemd, elk geverfd haartje met gel precies op de juiste plek aangebracht. Een wandelende campagneadvertentie. Voldoende getergd zegt hij: ‘Ik heb de zaak van meneer Russell grondig opnieuw bekeken en uitgebreid met mijn onderzoekers besproken. Ik heb ook gesproken met de familie van Emily Broone, het slachtoffer van de misdaden van meneer Russell, en de familie is faliekant tegen het idee van clementie. Na afweging van alle aspecten van deze zaak heb ik besloten dat zijn veroordeling stand mag houden. Het bevel van de rechtbank zal worden gehandhaafd en de executie zal doorgang vinden. Het volk heeft gesproken. Clementie voor meneer Russell is derhalve afgewezen.’ Hij verkondigt dit met zoveel drama als hij maar kan opbrengen, daarna buigt hij en loopt langzaam achteruit bij de camera’s vandaan, waarmee zijn grootse optreden afgelopen is. Elvis has left the building.

Drie dagen geleden vond hij de tijd om me een gesprek van vijftien minuten toe te staan, waarna hij ons ‘privégesprek’ besprak met zijn favoriete verslaggevers. Als zijn beoordeling inderdaad zo grondig was geweest, zou hij weten dat Duke Russell niets te maken had met de verkrachting van en moord op Emily Broone elf jaar geleden.

Ik zet het geluid weer uit en zeg: ‘Dit verbaast me niet.’

‘Heeft hij ooit iemand clementie gegeven?’ vraagt Duke.

‘Natuurlijk niet.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief