leesfragment

‘De pop’ van Yrsa Sigurdardottir

0

Wanneer er een pop wordt gevonden in de netten van een vissersboot, neemt een vrouw die mee voor haar dochter. Vijf jaar later worden in dezelfde oceaan de resten van een  menselijk skelet gevonden. Terwijl de zoektocht naar de identiteit voortduurt, doet Huldar onderzoek naar de moord op een dakloze drugsverslaafde en houdt Freyja zich bezig met een vermeende kindermishandeling in een pleeggezin. Er is een getuige die de zaken met elkaar zou kunnen verbinden, maar zij is onvindbaar: het meisje dat jaren geleden de pop cadeau kreeg.

Lees hier alvast het eerste hoofdstuk van De pop, het nieuwste boek van het IJslandse thrillerfenomeen Yrsa Sigurdardottir.

Vijf jaar geleden

Hoofdstuk 1

De wind draaide en de oliestank van de luide motor van de kleine motorboot sloeg over het dek. De stank werd Dísa haast te veel, en ze trok de kraag van haar wollen vest op tot over haar neus. De bedwelmende geur van wolwasmiddel was minder erg dan de giftige walm van de motor. Frikki, de eigenaar van de boot, leek geen last te hebben van de vieze lucht, net zomin als Rósa, haar elfjarige dochter. Zij hingen over de reling, geconcentreerd en verwachtingsvol om te zien wat het net boven water haalde. Dísa bleef liever dicht bij de stuurhut, de nabijheid van iets stevigs in haar rug gaf haar rust. Ze probeerde te doen alsof dat niets te maken had met haar angst om te verdrinken en haar misselijkheid als gevolg van de golfslag, maar Frikki wist wel beter. Hij zei niets, maar volstond ermee af en toe met een bezorgd gezicht over zijn schouder te kijken. Rósa merkte er niets van. Ze was nog jong genoeg om haar belevenissen niet door zorgen te laten bederven, de zeldzame keren dat ze iets meemaakte.

Dísa was vroeger net zo geweest. Het was echter te lang geleden om die jeugdige onbezorgdheid nog te kunnen oproepen. In plaats van genieten van het moment, het zout op haar lippen proeven en de wind in haar haren voelen, kon ze de gedachte aan de ijskoude uitgestrektheid van de zee niet van zich afzetten.

Dísa drukte het idee van een zeemansgraf weg. Het zou toch zeker niet het lot van moeder en dochter zijn om nu te verdrinken, helemaal niet na wat ze al allemaal hadden meegemaakt. Ze concentreerde zich op wat ze voor zich zag. Er was weinig te zien als ze recht voor zich uit keek naar de horizon, niets meer dan het grijze zeeoppervlak en een bewolkte hemel. Daarom keek ze omhoog naar de meeuwen, die al om de motorboot rondcirkelden vanaf het moment dat ze van de pier waren vertrokken. Ze leken hun geduld niet te verliezen, al werd dat zwaar op de proef gesteld. Tot nu toe had deze tocht twee snotolven en nog wat kleine vissen opgeleverd. Ze hadden gevist met een lijn die aan iets was blijven hangen wat niet losliet. Frikki’s vruchteloze pogingen om de lijn los te krijgen hadden er uiteindelijk toe geleid dat hij hem had moeten doorsnijden. Daarna had hij met Rósa samen besloten om een net te proberen, maar helaas had ook dit nieuwe visgerei tot dusver niets opgeleverd.

Misschien was het uitblijven van vangst wel haar schuld.
Misschien was het uitblijven van vangst wel haar schuld. Zij had Frikki tenslotte gevraagd om niet te ver de zee op te gaan. Moeder en dochter zouden het waarschijnlijk niet overleven als de boot zonk, maar het idee dat ze tenminste naar de kust zouden kunnen proberen te zwemmen was wel prettig. Rósa zou worden geholpen door haar zwemvest en zijzelf zou toch goed genoeg moeten kunnen zwemmen na al dat schoolzwemmen in haar jeugd. In de motorboot was maar één zwemvest aanwezig en dat leek betere dagen te hebben gekend. Het was vies, leek zwaar en zou vast niet blijven drijven als de nood aan de man kwam. Ze moest er niet aan denken. Dan zou ze haar zelfbeheersing verliezen en naar Frikki gaan schreeuwen dat hij moest terugvaren.

Dísa draaide haar hoofd naar het land en was niet blij toen ze zag dat ze zich verder uit de kust hadden verwijderd dan haar lief was. De bebouwing was haast onzichtbaar geworden, lage gebouwen verdwenen en hoge gebouwen leken wel kleine hutjes. Het was haast niet mogelijk om te zien waar de zee begon en het land eindigde. Ze was dus niet duidelijk genoeg geweest, waardoor Frikki waarschijnlijk had gedacht dat het oké was om verder te varen, op zoek naar betere visgronden, toen ze niet tegensputterde. Of de stroming had de boot verder uit de kust gedreven. Dat zou niet voor het eerst zijn.

‘Er zit iets in het net, mama!’ Rósa keerde zich naar haar om. Haar gezicht straalde van spanning. De grijze muts die haar wilde haren bedekte, had dezelfde kleur als de sombere lucht, en even leek het of het bovenste deel van haar hoofd ontbrak. Alsof Rósa zonder voorhoofd en schedeldak was geboren. Haar in spijkerbroek gestoken benen kwamen uit het veel te grote, smerige zwemvest en leken nog magerder dan anders. Door de reusachtige mouwen van haar trui leek het alsof haar armen op geen enkele wijze bij haar benen pasten. Als een echte zeeman kon het Rósa niets schelen hoe ze er op dat moment uitzag. ‘Misschien vangen we wel zalm!’

Dísa lachte naar haar en deed geen poging om haar van die onwaarschijnlijke verwachting af te brengen. Vanaf het moment dat ze van deze tocht hoorde, een paar dagen geleden, had Rósa er voortdurend over gespeculeerd wat ze zouden vangen. Wat begon met een enkele kabeljauw om te koken was geëindigd met een kreeft die groot genoeg was voor een feestmaal voor Dísa, oma, opa en haar vriendinnen van school. En Frikki natuurlijk. Je mocht de kapitein niet vergeten, al kende Rósa hem nauwelijks. Haar dochter was er veel aan gelegen het goede te doen. Van kleins af aan had ze een zachtaardig en vriendelijk karakter. Het was een schat van een kind – en toch maakte Dísa zich zorgen over haar toekomst. Haar zorgen betroffen de bijzondere eigenschappen van Rósa. Naar haar oordeel waren dat nou net dingen waar ze weinig aan zou hebben in haar bestaan. Het ontbrak haar aan moed, initiatief en doorzettingsvermogen. Dísa vreesde dat het leven haar dochter zou verslinden en de resten zou uitspugen. Ze weet het aan de omstandigheden. Haar vaderloze dochter miste iets wat Dísa haar niet kon geven.

Ze had haar bezorgdheid over een dergelijk uitstapje van zich af gezet voor Rósa.
Daarom had Dísa het aanbod van Frikki om met de motorboot die hij samen met zijn broer en zijn vader bezat de zee op te gaan geaccepteerd. Ze had haar bezorgdheid over een dergelijk uitstapje van zich af gezet voor Rósa. Dísa had bedacht dat het vissen haar dochter wat harder zou maken en haar zou afleiden van dat eeuwige lezen. Je hoorde overal alleen maar dat kinderen steeds minder zouden lezen, maar met Rósa was het een heel ander verhaal. Boeken waren natuurlijk leuk en noodzakelijk, maar het leven speelde zich niet uitsluitend tussen boekomslagen af. Kinderen moesten ook zelf van alles ontdekken. Dat vond Dísa tenminste. Ze wilde niet dat haar dochter zou worden als zij. Altijd vervuld van zorgen over dingen waar anderen niet eens aan dachten.

Frikki keek achterom en lachte naar Dísa. Anders dan Rósa was hij blootshoofds en daardoor waaiden zijn haren alle kanten op. Het stond hem goed. Het buitenleven en het zeemansbestaan ook. Hij paste veel beter in deze omgeving dan op het kantoor waar ze allebei werkten. Zij op de afdeling waar de kentekenbewijzen van auto’s werden overgeschreven, hij bij de wettelijke registratie van zeelieden. Hun werk was niet bijzonder spannend of lonend. De werktijden kwamen Dísa goed uit omdat ze alleenstaande moeder was, maar ze was er nooit achter gekomen waarom Frikki voor dit werk had gekozen. Het plezier straalde niet bepaald van hem af als ze elkaar tegenkwamen in de kantine. Binnen de muren van het kantoor was hij onhandig en afwezig, hij bemoeide zich nauwelijks met mensen en gedroeg zich ongemakkelijk. Op zee leek hem alles vanzelf af te gaan. Je zag hem nooit aarzelen. Integendeel, hij was vastberaden en groots. Misschien had hij haar daarom wel mee de zee op gevraagd – samen met Rósa, toen ze zei dat ze niet gemakkelijk oppas kon vinden. Hij wist waarschijnlijk wel dat hij aan dek beter overkwam dan in de kantine tussen de breekbare kopjes en wiebelige tafeltjes. Hij was overduidelijk verliefd op haar.

‘Kom je niet kijken wat het is, mama?’ Rósa wenkte haar moeder.

‘Jawel, straks.’ Dísa deed of ze ernaar uitkeek, maar ze zou haar nogmaals moeten teleurstellen. Ze vreesde nog het meest dat Rósa wilde dat ze die kleine visjes op de bodem van de viskorf op het dek zou gaan koken. Ze duwde zichzelf af van de stuurhut en liep wankelend naar de reling. Daar stond ze naast haar dochter en staarde omlaag naar het blauwe zeeoppervlak, de diepte in. De ruwe zee leek niet van plan zijn buit prijs te geven en Frikki spande zich nog meer in.

Eindelijk verscheen het net. Frikki gooide het op het dek. Het lag nu niet zo vlak als eerder, toen de inhoud alleen maar een paar kleine bobbels tussen de knopen had gevormd. Onderin, bijna helemaal op de bodem, leek het alsof ze iets wonderlijks hadden opgevist. Het spartelde niet zoals de kleine visjes hadden gedaan, en daarom dacht Dísa eerst dat ze een steen naar boven hadden gehaald. Als dat al mogelijk was. Toen het haar lukte beter te zien wat er in het net lag, hield ze haar adem in. Ze kon er niets anders van maken dan dat ze kleine handjes zag. Als van een pasgeboren baby. Ze trok Rósa naar zich toe voordat haar dochter zou neerhurken om de vangst beter te bekijken. ‘Wat is dat in vredesnaam, Frikki?’ Ze had wakker gelegen van de gedachte te zullen verdrinken, vogelpoep op haar hoofd te krijgen, zeeziek te worden, een vinger kwijt te raken, in een scheepsschroef te belanden, dat een walvis de motorboot zou doen omslaan, dat ze tussen wal en schip zou vallen… maar een baby in het net was niet bij haar opgekomen.

Het vragende gezicht van Frikki stelde haar allerminst gerust.
Het vragende gezicht van Frikki stelde haar allerminst gerust. Ze hield Rósa stevig vast. Die stribbelde tegen om het beter te kunnen zien. Het maakte allemaal niets uit. Het dek was zo krap dat ze allebei alles zagen wat er gebeurde.

Frikki hurkte neer bij het net. Hij leek kalm te blijven, maar Dísa zag zijn vingers toch een klein beetje trillen toen hij zijn hand uitstrekte naar wat er uit het net stak. Ze trok een grimas en tuurde ernaar, ze wilde het tegelijk niet en wel zien. Toen Frikki opkeek, lachte hij, hij was zichtbaar opgelucht. ‘Het is een pop.’ Hij stond op en begon het net te legen.

Dísa liet Rósa los, die van de gelegenheid gebruikmaakte om naar Frikki toe te rennen. Ze keek gespannen toe hoe de vangst op het dek stortte: twee kleine vissen, zeewier, en de pop.

‘Aiaiai.’ Dísa vertrok haar gezicht opnieuw. ‘Wat is dat voor afschuwelijks?’ Ze deed drie stappen in de richting van haar dochter en Frikki om beter te kunnen kijken. Ze zwegen terwijl hun ogen gewend raakten aan het wonderlijke schouwspel. Het was een speelgoedpop, daar bestond geen twijfel over. Een pop die in uiterlijk en formaat op een klein kind moest lijken. De benen stonden in een zittende stand en vormden een v onder aan de witte buik. De ene arm was uitgestrekt, de andere hing langs het lichaam. De mond stond een klein beetje open, zodat de plastic lippen elkaar net niet raakten. Het gezicht had voor eeuwig een vragende uitdrukking. Precies zoals miljoenen andere poppen. Voor de rest herinnerde niets meer aan de etalage in een speelgoedwinkel.

De pop had overduidelijk lang in zee gelegen. Ze was overdekt met eendenmosselen, witte wormen en allerlei kleine levensvormen waar Dísa de naam niet van wist. Rond haar nek droeg de pop een fijne ketting. Je kon echter niet zien wat eraan hing, want de ketting ging zelf ook schuil onder levensvormen die als een schild rond haar borst hingen. Het ene oog was verdwenen en de oogkas was leeg. Het andere staarde glanzend onder een ooglid vandaan dat zich leek te kunnen sluiten als je haar neerlegde. De wimpers waren voor het grootste deel verdwenen. Ook een deel van haar haren was uitgevallen en had gaatjes achtergelaten die in nette rijtjes over haar hoofd liepen. Het haar dat over was, was donker en zat in een dichte, vervilte plak op haar hoofd. Niets aan haar was lief of schattig.

‘Van wie is ze?’ Rósa was de eerste die de stilte doorbrak.

‘Van niemand. Niet meer.’ Frikki zat nog op zijn knieën op het dek en staarde naar het gedrocht. ‘Misschien was ze lang geleden van een meisje.’

‘Wat doet ze in zee?’
‘Wat doet ze in zee?’ Rósa verwachtte nog altijd dat volwassenen antwoord hadden op alle vragen. Ze zou er spoedig achter komen dat dat niet het geval was.

‘Het meisje van wie ze was, was misschien op een boot en heeft haar overboord laten vallen. Of misschien heeft ze haar in zee laten vallen vanaf de pier en heeft de stroming haar hierheen meegenomen. Waarschijnlijk heeft de lijn waaraan het net vastzit haar van de bodem losgemaakt, waarna ze in het net terechtkwam.’ Frikki weerde zich kranig, vond Dísa. Er viel niets meer aan toe te voegen.

‘Ahhh, dat arme meisje.’ Rósa trok een verdrietig gezicht. ‘En die arme pop.’

Frikki boog zich over het net en leek de pop te willen optillen. Toen bedacht hij zich, hij wilde kennelijk niet de indruk geven een watje te zijn. Toen hij de pop oppakte, stroomde het zeewater uit de openingen waar de benen aan de heupen vastzaten. ‘Dan zullen we haar maar weer teruggooien in zee.’

‘Nee!’ Rósa schreeuwde het uit. ‘Ik wil haar hebben!’

Dísa trok weer een grimas. ‘Dat is niet ongevaarlijk, Rósa. Zie je wat er allemaal op haar zit? Dat leeft allemaal.’

Het tripje op zee had in ieder geval enig resultaat gehad. Rósa stond steviger in haar schoenen dan anders. ‘Toch wil ik haar hebben.’

Frikki wist zich met zijn houding geen raad en veranderde weer in de kantoorversie van zichzelf. Hij keek om beurten naar Rósa en naar Dísa, terwijl hij koortsachtig naar een oplossing zocht. Toen hij met een voorstel kwam, klonk dat wat voorzichtig. ‘Ik kan haar in een zak doen?’ Hij zei het op vragende toon.

Voordat Dísa dit kon afslaan, had Rósa het aanbod al aangenomen. ‘Ja. Doe haar in een zak. Dan kan ik haar schoonmaken als we thuiskomen.’ Ze keek naar haar moeder en lachte. ‘Misschien vinden we het meisje van wie ze was.’

Aan het ecosysteem op de pop te oordelen moest ze al enkele jaren in het water hebben gelegen. ‘Ik weet zeker dat degene van wie de pop was al niet meer met speelgoed speelt. Ze is haar vast allang vergeten.’

‘Misschien was het wel een jongen. Het hoeft niet altijd een meisje te zijn.’ Het was niet voor het eerst dat Rósa moderner bleek te zijn dan haar moeder. ‘En ik weet zeker dat de eigenaar nog altijd verdrietig is dat hij of zij haar is verloren. Dat zou ik wel zijn. Al was ik honderd jaar.’

Daar twijfelde Dísa niet aan.
Daar twijfelde Dísa niet aan. Rósa was niet het enige kind dat haar speelgoed als levende wezens beschouwde. Zelf had ze nog enkele dozen met knuffeldieren en poppen in de kelder van haar ouders die ze nog niet had kunnen weggooien.

Moeder en dochter kibbelden even terwijl Frikki er wat ongemakkelijk bij stond. Uiteindelijk kreeg Rósa haar zin en mocht ze de pop houden. Frikki was duidelijk opgelucht, hij klapte in zijn handen en stelde voor dat ze hun meegebrachte lunch maar eens moesten opeten.

Toen ze met de boterhammen gingen zitten, bleek niemand trek te hebben in de koekjes van Dísa of de goedkope cake die ze had meegenomen. De pop zat in de zak, maar ze stond nog altijd op hun netvlies, haar akelige uiterlijk maakte dat hun eetlust verdween. Zelfs de meeuwen waren vertrokken.

Toen Frikki zei dat ze maar niet meer verder moesten gaan met vissen, maakten moeder en dochter geen bezwaar. Hij keerde de boot en ze zetten koers naar de kust.

*

Rósa’s interesse ging niet verder dan dat ze de pop met rubberhandschoenen aan – op verzoek van haar moeder – uit de zak haalde, haar in de badkuip zette en haar vervolgens vergat. Dat ze haar zou afspoelen en schoonmaken stond niet op het programma. Daar zat de pop dan. Ze staarde met één oog naar Dísa toen ze naar de wc ging en nog steeds toen ze voor het slapengaan haar tanden ging poetsen. In plaats van die verschrikking weer terug in de zak te doen, maakte Dísa een foto van haar en plaatste die op Facebook.

Het kwam niet vaak voor dat zij iets bijzonders te vertellen had. Haar laptop was nog bezig reacties en likes te verwerken toen ze hem open op de salontafel neerzette en naar bed ging.

*

Die nacht schrok Dísa wakker. Het drong vaag tot haar door dat ze was gewekt door een vreemd geluid en ze ging rechtop zitten. Een hard kabaal dat niet thuishoorde in de stilte die ’s nachts in huis heerste. Ze sloeg slaperig het dekbed open en besloot te gaan kijken wat er aan de hand was.

De slaperigheid trok weg en Dísa herinnerde zich de lege blikjes die ze achter het gordijn op de vensterbank had gezet in een hoekje van de kamer waar ze zelden kwam. Het raam kwam uit op de achtertuin en de straat. Na de golf inbraken die door de hoofdstad was gespoeld had Dísa het het waarschijnlijkst gevonden dat dieven zouden proberen om daar binnen te komen. En dat het lawaai van de vallende blikjes hen zou wegjagen. Naar het volgende huis.

Als je het nieuws mocht geloven, was de inbraakgolf voorbij.
Als je het nieuws mocht geloven, was de inbraakgolf voorbij. Dísa had de blikjes laten staan, maar ze lette er niet meer altijd op of het raam dicht was. Had het open gestaan toen ze ging slapen? Ze herinnerde het zich niet, maar ze vermoedde dat het lawaai dat haar gewekt had van de blikjes was gekomen. Wat kon het anders zijn geweest? Ze stond stil bij de deur van de kamer terwijl ze andere mogelijkheden verzon, andere dan een inbreker. Een kat was het huis in gekomen. Bij de buren boven haar was een glazen vaas op de grond gevallen. Er was een opstootje op straat voor het huis. Een grote vogel was tegen het raam gevlogen. De televisie was ineens aan gegaan. Een aardbeving. Het kon van alles zijn.

Dísa ontspande zich een beetje. En voelde toen dat ze heel erg nodig moest plassen.

Ze liep naar de wc en won daarmee ook een klein beetje tijd. Ze vond het niet heel erg eng om dit inspectierondje te lopen. Ze wist zeker dat ze een hartaanval zou krijgen als ze iets groots als een kat zou tegenkomen. Maar toch. Ze was, gegeven de omstandigheden, ontzettend kalm. Ze was veel zenuwachtiger als er een flinke storm werd verwacht, ook al had ze geen trampoline in de tuin en al evenmin losse dakpannen. Ze ging op de wc zitten en was best tevreden over zichzelf. Dat duurde maar kort. In de kamer klonk het bekende geluid van de laptop als je die aanzette. Haar hart sloeg een slag over en toen bedacht ze dat de computer dat soms deed als er updates werden geïnstalleerd. Dat moest de verklaring wel zijn. Een inbreker ging niet tijdens een inbraak rustig zitten om het internet op te gaan.

Die griezelige pop staarde naar haar vanuit de badkuip. Dísa keek weg, plaste gehaast, maar kon het niet laten ondertussen naar de pop te staren. Ze keek als gehypnotiseerd naar het plastic oog, dat haar leek te volgen toen ze haar hand uitstak naar het wc-papier. Het was natuurlijk gezichtsbedrog, net als bij portretten van mensen die voor zich uit keken, uit de lijst. Niets om bang voor te zijn. Maar toch.

De blik van de pop was onmiddellijk vergeten toen er een ander geluid tot Dísa doordrong. Het was geen gerammel van blikjes. Geen kat. Geen opstootje. Geen vaas die in duizend stukken brak. En al helemaal geen aardbeving. Het was een bekend geluid.

De losse parketstrook in de gang voor de wc kraakte.

Dísa stond op met haar pyjamabroek op haar enkels en stapte naar de deur die ze gewoontegetrouw had dichtgedaan. Voor ze bij de deur was om hem te openen werd de deurkruk aan de andere kant vastgepakt. De deur ging langzaam open en het was net of er een grijns op het gezicht van de pop in de badkuip verscheen toen Dísa zag wie er in de deuropening stond. Daar had ze niet op gerekend.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief