leesfragment

‘De stilte van de witte stad’ – Eva García Sáenz de Urturi

 

Ken jij de trilogie van De witte stad, de bestsellersensatie uit Spanje, al? Het eerste deel, De stilte van de witte stad, is nu in het Nederlands verkrijgbaar. Eva García Sáenz de Urturi neemt je mee in een heerlijke mix van spanning, mysterie, cultuur en geschiedenis.

Een leestip voor fans van Carlos Ruiz Zafón die ook van thrillers houden!

Ben je nieuwsgierig? Lees hier alvast de eerste pagina’s van De stilte van de witte stad!

 

Tasio Ortiz de Zárate is een briljante archeoloog die twintig jaar geleden werd veroordeeld voor een reeks bizarre moorden in het rustige stadje Vitoria. Hij staat op het punt voor het eerst de gevangenis te verlaten, als de misdaden weer beginnen: in de kathedraal van Vitoria wordt een jong stelletje gevonden: naakt en om het leven gekomen door bijensteken in hun keel. Niet veel later wordt in de Casa del Cordón, een bekend middeleeuws gebouw in de stad, een ander koppel vermoord. De jonge inspecteur en profiler Unai López de Ayala – beter bekend als Kraken – wil niets liever dan meer moorden voorkomen, maar een recente tragedie in zijn eigen leven maakt het hem moeilijk om deze zaak te behandelen als alle andere. Zijn onorthodoxe werkmethode wekt bovendien ergernis bij zijn baas. De tijd begint te dringen en de dreiging wordt alsmaar sterker: wie volgt?

1 De Oude Kathedraal

24 juli, zondag

Ik zat te smullen van de lekkerste pincho tortilla ter wereld, toen ik het telefoontje kreeg dat mijn leven zou veranderen.
Ik zat te smullen van de lekkerste pincho tortilla ter wereld, met het ei nog smeuïg en de aardappelen gaar maar knapperig, toen ik het telefoontje kreeg dat mijn leven zou veranderen. Ten kwade, moet ik erbij zeggen.

Het was de vooravond van Sint-Jacobsdag, het feest van Santiago Apóstol, en wij in Vitoria maakten ons op voor de viering van de Día del Blusa1, voor alle jongeren de aanloop naar de vrolijke festiviteiten van begin augustus. Het was zo druk en lawaaierig in het houten restaurant aan de Calle Prado waar ik probeerde dat heerlijke hapje te verorberen, dat ik naar buiten moest toen ik mijn mobiele telefoon voelde trillen in de zak van mijn overhemd, ter hoogte van mijn hart.

‘Wat is er aan de hand, Estíbaliz?’

Mijn collega stoorde me nooit op mijn vrije dag en de Día del Blusa en de vooravond daarvan, wanneer de hele stad op zijn kop stond, waren te heilig om zelfs maar aan werken te dénken.

Door de herrie van de fanfares en de uitzinnige horden die er hossend en zingend achteraan liepen, kon ik eerst niet verstaan wat Estíbaliz me probeerde te vertellen.

‘Unai, je moet naar de Oude Kathedraal komen,’ verzocht ze me dringend.

De klank in haar stem, die ondertoon tussen verbijstering en spanning, was ook heel ongewoon voor een vrouw die meer ballen had dan ik, en dat wil wat zeggen.

Er was iets ernstig mis, dat begreep ik meteen.

In een poging de herrie te ontvluchten, waar die dag moeilijk aan te ontkomen viel in de stad, liep ik onbewust in de richting van park La Florida in de hoop de decibellen achter me te laten die me beletten om ook maar enigszins productief een gesprek te voeren.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik, terwijl ik probeerde te ontnuchteren van de laatste slok rioja, die ik achteraf bekeken beter niet had kunnen nemen.

‘Je gelooft het niet, het is allemaal precies hetzelfde als twintig jaar geleden!’
‘Je gelooft het niet, het is allemaal precies hetzelfde als twintig jaar geleden!’

‘Waar heb je het over, Esti? Ik ben vandaag een beetje traag van begrip.’

‘De archeologen die bezig zijn met de restauratie van de kathedraal hebben twee naakte lichamen in de crypte aangetroffen. Een jongen en een meisje, met hun hand op de wang van de ander. Komt je dat bekend voor of niet? Kom alsjeblieft meteen, Unai. Dit is ernstig, dit is heel ernstig.’ En ze hing op.

Dat bestaat niet, dacht ik.

Dat bestaat niet.

Ik nam niet eens afscheid van mijn vrienden. Die zaten vast nog bij restaurant-bar Sagartoki, te midden van die mensenzee, en het was niet waarschijnlijk dat iemand van hen zijn telefoon zou opnemen als ik belde om te vertellen dat mijn Día del Blusa zojuist abrupt was geëindigd.

Met de woorden van mijn collega nog nadreunend in mijn achterhoofd liep ik naar het Plaza de la Virgen Blanca, passeerde mijn portiek en sloeg de Correría in, een van de oudste straten van de middeleeuwse stadskern.

Dat was een slechte keus. Er was geen doorkomen aan, het was stampvol in het centrum. Voor La Malquerida en de andere bars in de smalle straten van de oude stad stond het hutjemutje met Vitorianen en het kostte me meer dan een kwartier om naar het Plaza de la Burullería te komen, het pleintje achter de kathedraal waar ik met Estíbaliz had afgesproken.

Het plein was zo genoemd omdat hier in de vijftiende eeuw de markt van de burulleros werd gehouden, de stoffenwevers die de stad hadden veranderd in een welvarend handelscentrum, kloppend hart van het noordelijke gedeelte van het schiereiland.

Ik liep over het plaveisel van het plein langs het bronzen standbeeld van Ken Follett, die mij bezorgd aankeek, alsof de schrijver kon voorzien welk web van duistere intriges om ons heen werd gesponnen.

 

We waren allebei verrekte goed in het oplossen van zaken, maar minder goed in het naleven van de voorschriften.
Estíbaliz Ruiz de Gauna, evenals ik inspecteur bij de strafrechtelijke opsporingsdienst, had tijdens het wachten duizenden telefoontjes gepleegd, waarbij ze nerveus als een hagedis van de ene kant van het plein naar de andere schoot. Ze had halflang rood haar en voldeed met haar lengte van amper een meter zestig nét aan de toelatingseisen van het politiekorps, waardoor Vitoria een van de beste en koppigste rechercheurs die we hadden nét niet was misgelopen.

We waren allebei verrekte goed in het oplossen van zaken, maar minder goed in het naleven van de voorschriften. Na menige berisping voor ongehoorzaamheid hadden we geleerd elkaar te dekken. Wat betreft het naleven van de voorschriften… Daar werd aan gewerkt.

Er werd aan gewerkt.

Ik kneep een oogje dicht voor bepaalde verslavingen waarmee Esti nog steeds een gevecht voerde. Zij keek de andere kant uit als ik mijn meerderen niet gehoorzaamde en in mijn eentje op onderzoek uitging.

Ik had me gespecialiseerd in daderprofilering, vandaar dat ik meestal werd ingezet bij seriemisdaden: moordenaars, verkrachters… alle gespuis dat in herhaling verviel. Wanneer zich meer dan drie incidenten met een cooling-off-periode voordeden, was het een zaak voor mij.

Estíbaliz had voor de richting slachtofferwetenschap gekozen, de vergeten groep. Waarom uitgerekend deze persoon en niet die andere? Zij wist als geen ander haar weg te vinden in de databases van sicar, die alle mogelijke sporen van voetstappen en voertuigen bevatten, of SoleMate, een database met alle gangbare internationale schoenmerken en patronen van schoenzolen.

Zodra ze me zag, vergat ze haar mobiele telefoon en keek ze me met een bedrukt gezicht aan.

‘Wat is daarbinnen aan de hand?’ wilde ik weten.

‘Je kunt maar beter gaan kijken,’ fluisterde ze, alsof de hemel ons kon horen, of anders de hel, wie weet. ‘Hoofdcommissaris Medina heeft me persoonlijk gebeld. Ze willen een profileringsdeskundige zoals jij en ze hebben mij gevraagd om me te concentreren op de victimologie van de zaak. Als je het ziet, begrijp je het wel. Ik wil jouw eerste indruk van de plaats delict. De technische recherche is al gearriveerd, evenals de forensisch pathologe en de rechter. We gaan naar binnen via Cuchi.’

Zo werden we in Vitoria voortdurend herinnerd aan de ambachten van onze betovergrootouders: Herrería, Zapatería, Correría, Pintorería…
De Cuchillería was ook zo’n eeuwenoude straat waar in de middeleeuwen de gilden hadden gezeteld. Zo werden we in Vitoria voortdurend herinnerd aan de ambachten van onze betovergrootouders: Herrería, Zapatería, Correría, Pintorería… vernoemd naar de smidse, de schoenmakerij, de huidenmakerij en de ververij. Het oorspronkelijke bestek van de middeleeuwse, amandelvormige kern is door de eeuwen heen intact gebleven.

Ik bleef het merkwaardig vinden dat je een kathedraal binnen kon stappen door wat op het eerste gezicht een van de vele voordeuren in de straat was.

Twee van onze agenten bewaakten de ingang, een dikke houten deur op nummer 95. Ze begroetten ons en lieten ons passeren.

‘Ik heb de twee archeologen die hen hebben gevonden al ondervraagd,’ zei mijn collega. ‘Ze waren hier vandaag om wat werk in te halen, blijkbaar dringen ze er bij de Stichting van de Santa Maríakathedraal op aan om het gedeelte van de crypten en de grafkelder nog dit jaar af te ronden. Ze hebben de sleutels voor ons achtergelaten. Het slot is intact, zoals je ziet. Niet geforceerd.’

‘Vertel je me nu dat ze op de vooravond van Sint-Jacobsdag aan het werk zijn gegaan? Is dat niet een tikje… eigenaardig voor een Vitoriaan?’

‘Er is me niets eigenaardigs opgevallen aan hun reacties, Unai.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ze waren zich wezenloos geschrokken. Zo’n shock kun je niet fingeren.’

Akkoord, dacht ik. Ik vertrouwde de indrukken van Estíbaliz zoals het achterwiel van een tandem het voorwiel vertrouwt. Zo functioneerden wij, zo fietsten wij.

We stapten het gerestaureerde booggewelf binnen, waarna mijn collega de deur achter ons sloot. Eindelijk viel het feestgedruis stil.

Tot dusver maalde het nieuws over de ontdekking van twee lijken door mijn hoofd zonder echt tot me door te dringen, het stond te ver af van het vrolijke, zorgeloze geroezemoes om me heen. Nadat de deur eenmaal gesloten was, in die kloosterlijke stilte waarin het licht van de werklampen de houten trap naar de crypten zwak verlichtte, begon het reëel te worden. Niet dat ik dat wilde.

‘Zet je helm op, vooruit.’ Ze stak me een van de witte helmen met het blauwe logo van de stichting toe die voor alle bezoekers aan de kathedraal verplicht waren. ‘Met jouw lengte weet ik zeker dat je je hoofd gaat stoten.’

‘Nee, dank je.’ Ik negeerde haar en observeerde de ruimte.

Wat ook meespeelde was dat zij druk bezig was met de voorbereidingen voor haar bruiloft en dat ik weduwnaar was sinds…
‘Het is verplicht,’ hield ze vol. Ze overhandigde me het witte gedrocht, waarbij ze lichtjes met haar vingers over de rug van mijn hand streek. Het was een spel dat we speelden, met slechts één categorische regel: Tot hier en niet verder. Of eigenlijk was er nog een tweede regel: Vraag het me niet. Tot hier en niet verder. Nu er twee jaar waren verstreken zonder dat er iets was gebeurd, zag ik het als een status quo: zo gingen Estíbaliz en ik met elkaar om en we konden het uitstekend met elkaar vinden. Wat ook meespeelde was dat zij druk bezig was met de voorbereidingen voor haar bruiloft en dat ik weduwnaar was sinds… Nou ja, wat doet het ertoe?

‘Watje,’ mompelde ik en ik nam de plastic helm aan.

We passeerden de maquettes van het dorp Gasteiz, de eerste nederzetting waarop later de stad was gebouwd, en beklommen de trappen. Estíbaliz bleef staan om naar de juiste sleutel te zoeken die ons toegang zou geven tot het schip van de Oude Kathedraal, een van onze symbolen en vaker gerestaureerd en opgelapt dan mijn kinderfiets. We werden begroet door een bordje met de tekst WERK IN UITVOERING, rechts van de deur.

Ik kende alle emblematische gebouwen van de streek, ik had ze opgeslagen in mijn temporaalkwab sinds de dubbele moord in de dolmen een hele generatie Vitorianen in beroering had gebracht, twintig jaar en vier maanden geleden.

De dolmen La Chabola de la Hechicera ofwel ‘de hut van de tovenares’, de Keltische plaats La Hoya, het Romeinse dorp Salinas de Añana in de Zoutvallei, de Middeleeuwse Muur… Dit waren de decors die een seriemoordenaar uitkoos om Vitoria en de provincie Álava wereldwijd op de kaart te zetten van alle talkshows en journaals. Er waren indertijd zelfs toeristische routes uitgezet, zo eigenaardig en macaber waren die lugubere moorden geënsceneerd.

Ik was nog geen twintig toen het gebeurde en raakte er behoorlijk door geobsedeerd. Zodanig zelfs dat ik bij de politie ben gegaan. Ik volgde het onderzoek op de voet, met een spanning die niemand anders begrijpt dan zo’n monomane postadolescent als ik toen was. Ik analyseerde de weinige feiten die mondjesmaat verschenen in El Diario Alavés en dacht: dat kan ik beter. Wat een klungels, ze zien het belangrijkste over het hoofd: het motief, het waarom. Jawel, nog geen twintig jaar oud en ik dacht slimmer te zijn dan de politie, zo naïef was ik toen nog.

Wie had ooit gedacht dat Tasio Ortiz de Zárate de schuldige zou zijn?
Later sloeg de waarheid me harder in het gezicht dan een bokshandschoen en was ik even verbijsterd als de rest van het land. Wie had ooit gedacht dat Tasio Ortiz de Zárate de schuldige zou zijn? Ieder ander was me om het even geweest, mijn buurman, een clarissenzuster, de bakker, de burgemeester zelf… Het was mij om het even geweest. Maar niet híj, onze lokale held, meer dan een idool: een rolmodel. Tasio was televisiearcheoloog, de man die triomfen vierde met een programma dat met elke uitzending alle kijkcijferrecords brak, auteur van geschiedenis- en mysteryboeken die binnen enkele weken uitverkocht waren, de meest charismatische en charmante man die Vitoria decennialang had voortgebracht.

Intelligent, woest aantrekkelijk volgens de unanieme mening van iedere vrouw en bovendien in tweevoud.

Jazeker, in tweevoud. We hadden er twee om uit te kiezen. Tasio had een eeneiige tweelingbroer, identiek tot aan de manier waarop hij zijn nagels knipte. Niet van elkaar te onderscheiden. Net als hij een optimist en een rokkenjager, van goede familie, vrolijk, goed opgevoed, wellevend… Met hun vierentwintig jaar werden ze aanbeden door heel Vitoria en lag er een toekomst voor hen open die meer dan glansrijk zou moeten zijn: briljant, glorieus.

Ignacio, Tasio’s tweelingbroer, koos voor de paden van de rechtsorde. Hij ging bij de politie en groeide in die zware jaren uit tot de integerste man die we ooit in het korps hebben gehad. Niemand had kunnen denken dat hun verhaal zou aflopen zoals het is afgelopen. Het was allemaal te ellendig, te wreed.

Dat een broer het onweerlegbare bewijs vindt dat zijn tweelingbroer de meest gezochte en beruchte seriemoordenaar van de democratie is, dat hij zelf de opdracht moet geven om hem te arresteren, hoewel ze tot dan toe even onafscheidelijk waren als een Siamese tweeling. Ignacio werd verkozen tot man van het jaar, een held die respect afdwong, de man die het lef had om te doen wat maar weinigen van ons zouden doen: zijn eigen vlees en bloed veroordelen tot een leven achter de tralies.

Dat bracht me op een verontrustende vraag: zowel El Diario Alavés als El Correo Vitoriano, onze twee lokale kranten en geduchte concurrenten van elkaar, besteedde de laatste tijd uitvoerig aandacht aan het nieuws dat Tasio Ortiz de Zárate binnen enkele weken zou vrijkomen voor een weekendverlof, na twintig jaar detentie. En nu, juist nu, moest de stad met de laagste criminaliteitscijfers in heel Noord-Spanje twee lijken noteren op het macabere scorebord van de statistieken?

En nu, juist nu, moest de stad met de laagste criminaliteitscijfers in heel Noord-Spanje twee lijken noteren op het macabere scorebord van de statistieken?
Ik schudde mijn hoofd, alsof ik met dat gebaar de spookbeelden wilde afschudden. Ik dwong mezelf om de conclusies voor later te bewaren en me te concentreren op wat voor ons lag.

We betraden de pas gerestaureerde crypte en ik moest inderdaad mijn hoofd buigen vanwege de lage plafonds. De ruimte rook nog naar versgezaagd hout. Ik liep met een angstig voorgevoel over de grijze stenen platen, gepolijst, rechthoekig en zo perfect dat ze niets anders dan het werk konden zijn van een machine uit de eenentwintigste eeuw. Ze zagen er zo nieuw uit dat je bijna bang werd om ze vuil te maken. Twee robuuste zuilen voor ons torsten de last der eeuwen, de werkelijke fundamenten van deze oude kathedraal, die zich boog onder het gewicht.

Bij het zien van de twee levenloze lichamen kreeg ik braakneigingen. Maar ik hield me kranig.

Ik hield me kranig.

De technisch rechercheurs, met hun witte overalls en schoenhoezen, waren al enige tijd aan het werk op de plaats delict. Ze hadden schijnwerpers geplaatst om licht te werpen op de donkere crypte en zo te zien waren de foto’s al klaar, want ik zag diverse sporen van metingen op de grond. Estíbaliz vroeg om een schets van de plaats delict en na die zorgvuldig bestudeerd te hebben, gaf ze hem aan mij.

‘Zeg dat ze geen twintig zijn, Estíbaliz,’ smeekte ik hardop.

Elke andere leeftijd, maar geen twintig.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief