leesfragment

‘De tweede slaap’ van Robert Harris

Meesterverteller Robert Harris is terug met een verrassende nieuwe thriller: De tweede slaap! Een onverwachte ontdekking uit het verleden zal de toekomst voor altijd veranderen…

1468. Een jonge pater, Christopher Fairfax, reist naar een afgelegen dorpje in Exmoor om de begrafenis van zijn voorganger te begeleiden. In de omgeving liggen oude munten, glasscherven en menselijke botten voor het oprapen, en de oude pastoor blijkt een bijzondere verzameling van deze artefacten te verbergen. Het lijkt er zelfs op dat zijn dood te maken heeft met zijn obsessie voor het verleden.
Christopher Fairfax wordt meegezogen in de geheimen van deze afgezonderde gemeenschap. Alles wat hij denkt te weten over zichzelf, zijn geloof en de geschiedenis van zijn wereld komt onder druk te staan.

Dinsdag 9 april
1. De verborgen vallei

Laat op dinsdagmiddag 9 april van het Jaar Onzes Herrezen Heren 1468 was in dat oeroude gebied in het zuidwesten van Engeland dat al sinds de Saksische tijd bekendstaat als Wessex, een eenzame reiziger te zien die zich te paard een weg zocht over de woeste heide. Mocht er een zorgelijke blik in zijn ogen liggen, dan kunnen we hem nageven dat hij daar goede redenen toe had. Er was al meer dan een uur verstreken sinds hij voor het laatst een levende ziel had gezien. De zonsondergang zou niet lang meer op zich laten wachten en als hij na de avondklok buitenshuis werd aangetroffen, riskeerde hij een nacht in de cel.

In het marktplaatsje Axford had hij halt gehouden om de weg te vragen. Voor een herberg had een groepje ongure mannen zitten drinken onder een uithangbord met een geschilderde zwaan erop. Nadat ze onderling wat hadden zitten ginnegappen over zijn rare accent en de spot met hem hadden gedreven omdat hij zo deftig praatte, hadden ze hem verzekerd dat hij om zijn bestemming te bereiken alleen maar rechtdoor hoefde te rijden, de ondergaande zon tegemoet. Maar nu begon hij te vermoeden dat ze een flauwe grap met hem hadden uitgehaald, want zodra hij de hoge muren van de stadsgevangenis was gepasseerd, waar drie geëxecuteerde misdadigers rottend in een ijzeren kooi hingen, en hij de rivier was overgestoken en het open land was binnengereden, waren er zware wolken komen opzetten aan de westelijke hemel, die de ondergaande zon volkomen aan het oog onttrokken. Achter hem was de hoge spits van de kerktoren van Axford allang weggezakt achter de horizon. Voor zich zag hij hoe de weg zich met vele bochten en glooiingen tussen de donkere, verlaten boshellingen en met gele brem doorschoten heidevelden door kronkelde en uiteindelijk verloren ging in de sombere duisternis.

En toen werd het plotseling doodstil.
En toen werd het plotseling doodstil, op de manier die in deze contreien vaak voorafging aan een weersomslag. Alle vogels zwegen, ook de wouwen die hem met hun hoge gekrijs, dat zo slecht bij deze grote rode vogels leek te passen, mijlenver hadden achtervolgd. Kille, grauwe mistflarden kwamen aanzweven over de verlaten heide en wikkelden zich om hem heen, en voor het eerst sinds hij die ochtend op pad was gegaan, voelde hij de behoefte om te bidden tot de heilige van zijn naamdag, die met het kindje Jezus op zijn rug het water was overgestoken.

Een tijdje later liep de weg een boshelling op. Terwijl hij steeds verder omhoog reed, ging de weg over in iets wat nauwelijks meer was dan een karrenspoor – een paar bruine voren in de aarde, met wat lukraak eroverheen gesmeten scherven blauwe leisteen en geel grind, aan alle kanten omspoeld door het wegstromende regenwater. Van de steile helling aan weerszijden van het pad rees de geur op van wilde kruiden – longkruid, citroenmelisse, look zonder look – en de takken hingen zo laag over de weg dat hij zich moest bukken en ze met zijn arm van zich af moest houden, waardoor er nog meer koud water op zijn hoofd plensde en in zijn mouw droop. Een smaragdgroene flits in de donkere stilte… en plotseling voelde hij zijn hart in zijn keel kloppen, al was het maar een doodgewone parkiet. Hij kneep zijn ogen dicht en slaakte een zucht van opluchting.

Toen hij ze weer opende, merkte hij een eindje voor zich een bruinig voorwerp op. Aanvankelijk leek het hem een omgevallen boomstam. Hij veegde het regenwater uit zijn gezicht en leunde voorover in het zadel. Een gedaante in een juten kiel met een monnikskap op duwde een karretje voort. Hij stootte zijn knieën in de flanken van zijn paard om het sneller te laten lopen. ‘God zij met u!’ riep hij omlaag naar de merkwaardige verschijning. ‘Ik ben een vreemdeling hier!’

De gedaante bleef echter zijn karretje voortduwen, nu met een zelfs nog grotere inspanning, zodat hij zich genoopt zag hem nogmaals in te halen. Deze keer liet hij zijn paard keren om zo het smalle pad te versperren. De kar lag vol met hoog opgestapelde balen wol. Hij trok de nekveter van zijn mantel los. ‘Ik heb geen kwaad in de zin. Mijn naam is Christopher Fairfax.’ Hij sjorde de natte stof omlaag en trok zijn baard omhoog om zijn witte halsdoek te laten zien. ‘Ik ben een man Gods.’

Een nat en smal gezicht keek met half dichtgeknepen ogen naar hem op door de regen. Langzaam en met tegenzin werd de kap naar achteren getrokken, zodat er een volkomen kaal hoofd zichtbaar werd. Water stroomde van de glimmende schedel; precies op de kruin zat een bloedkleurige moedervlek in de vorm van een halvemaan.

Fairfax droop van het water en begon zijn geduld te verliezen.
‘Is dit de weg naar Addicott St George?’

De man krabde aan zijn moedervlek en kneep zijn ogen stijf dicht, alsof hij zijn geheugen afpijnigde. ‘Adcut bedoelt u?’

Fairfax droop van het water en begon zijn geduld te verliezen. ‘Ja, goed dan… “Adcut”.’

‘Nee. Er is ’n tweesprong, een halve mijl terug. Daar neemt u d’andere weg.’ De man nam hem aandachtig op. Langzaam verscheen er een lepe uitdrukking op zijn gezicht – de trage uitgekooktheid van de plattelander. Het leek wel of hij op de veemarkt stond en een of ander beest keurend opnam. ‘U bent jong voor ’t werk!’

‘Maar oud genoeg, dunkt me!’ Fairfax dwong zichzelf om te glimlachen en boog. ‘Vrede zij met u.’

Hij trok aan de teugels, liet zijn bejaarde, grijze merrie keren en reed voorzichtig terug over het met plassen bezaaide pad tot hij de tweesprong had gevonden. Als je er niet op verdacht was, was die bijna niet te zien. Dus die ellendelingen in Axford hadden geprobeerd hem te laten verdwalen – iets wat ze nooit gewaagd zouden hebben als ze hadden geweten dat hij een geestelijke was. Hij zou de sheriff achter ze aan kunnen sturen. Ja, op de terugweg zou hij dat doen. Hij zou zorgen dat de lange arm van de wet met zijn volle gewicht op die stomme klorissen neerkwam. De kerker in, een boete. Een dag aan de schandpaal terwijl de drollen en de keien hen om de oren vlogen…

Dit tweede pad liep zelfs nog steiler omhoog. De oeroude bomen aan weerszijden van het pad stonden al volledig in blad, en leunden niet meer dan een voet of tien boven zijn hoofd naar elkaar toe, alsof ze elkaar iets wilden toefluisteren. Hun innig verstrengelde takken hielden het licht tegen, zodat het in deze klamme, vochtige tunnel al nacht leek. Hij sloeg zijn armen om de hals van zijn oude merrie en fluisterde met zijn mond vlak bij haar oor: ‘Kom op, Mary!’ Maar van ouderdom was het paardje zo halsstarrig geworden dat het eigenlijk meer weg had van een muildier, dus uiteindelijk moest hij afstappen en het aan de teugel meevoeren.

Te voet voelde hij zich nog kwetsbaarder. Hij had twintig pond in zijn geldbuidel om zijn onkosten te kunnen betalen – die waren de vorige avond penny voor penny door de deken voor hem uitgeteld – en veel reizigers waren al voor heel wat minder vermoord. Toen hij aan de teugels trok, gleden zijn voeten weg in de modder. Hoogst vermakelijk hoor, dacht hij bitter. De bisschop mocht dan slechts zelden glimlachen, maar dat wilde niet zeggen dat hij geen gevoel voor humor had. Iemand dertig mijl laten reizen, naar de uiterste buitengrens van zijn diocees, met zo’n opdracht, op een oude, afgeleefde merrie… In gedachten zag hij hoe zijn ordegenoten bijeenkwamen voor hun gebruikelijke vroege avondmaal en nu op de lange banken voor het vuur in de kapittelzaal zaten, terwijl de bisschop zijn smalle, grijzende hoofd boog om dank te zeggen. Zelfs in de rossige gloed van de flakkerende vlammen zag hij nog zo bleek als een oester, maar in die donkere oogjes van hem lag een verdachte schittering. ‘En ten slotte, laat ons bidden voor onze broeder in Christus, Christopher Fairfax, die op deze avond God dient… in een afgelegen oord…!’
Het ruisen van een of ander ellendig beekje leek hem te bespotten met een gorgelende lach.

Maar net toen hij begon te wanhopen verscheen er aan het eind van het overwoekerde pad een zachte gloed.
Maar net toen hij begon te wanhopen verscheen er aan het eind van het overwoekerde pad een zachte gloed en nadat hij nog enkele minuten lang moeizaam zijn paard had voortgezeuld, kwam hij in het laatste daglicht het bos uit en merkte hij dat hij op een heuveltop stond. Rechts zag hij een steile helling. Kleine weiden met lage stenen muurtjes die een aantal koeien, schapen en geiten omsloten. Krakkemikkige stallen, waarvan het door de winter verweerde hout zo grijs als tin was. Op de bodem van de vallei, ongeveer een mijl verderop, zag hij een rivier met een brug eroverheen. Daarnaast lag een kleine nederzetting, die voornamelijk bestond uit huizen met rieten daken rondom een vierkante stenen kerktoren. Hier en daar rezen donzige, grauwwitte rookpluimen op die langzaam verwaaiden in de donkergrijze hemel. De lage wolken joegen over de omringende heuvels, als golven die probeerden te ontkomen aan een noodweer op zee. Het regende niet meer. Hij had het idee dat hij de schoorstenen al kon ruiken. Hij dacht aan licht, warmte, gezelschap en eten, en in de vochtige, frisse avondlucht voelde hij zich weer wat vrolijker worden. Zelfs Mays stemming was nu zo sterk verbeterd dat ze hem toestond om weer op te stijgen.

Tegen de tijd dat ze het dorp binnenreden was het bijna donker. May liep met klepperende hoefijzers in een drafje over de stenen brug en stapte met een zompig geplons door het smalle modderige straatje. Omdat hij hoog te paard zat, kon hij door de vensters van de witgekalkte huisjes aan weerszijden naar binnen kijken. Sommige hadden voortuintjes met een wit hek, maar de meeste hadden de voordeur aan de weg. In enkele ramen brandden kaarsen en in een daarvan zag hij een bleek vollemaansgezicht, dat echter haastig verdween achter een gordijn. Hij hield halt bij de overdekte kerkhofpoort en keek om zich heen. Een pad van kasseien liep over het kerkhof naar de poort van een kerk die, zo vermoedde hij, hier al minstens duizend jaar stond, en misschien zelfs wel vijftienhonderd jaar. De rood-witte, een paar keer om de vlaggenstok gewikkelde vlag van Engeland en Sint-Joris hing nat en mistroostig halfstok.

Aan de andere kant van het kerkhof, achter de muur, zag hij een ernstig verzakt huisje met een rieten dak. Op de drempel was nog net de vale gedaante van een in het zwart gehulde vrouw te onderscheiden. Ze had een lantaarn in de hand en haar blik was op hem gericht. Even stonden ze elkaar over de bemoste grafzerken aan te kijken, maar toen pakte ze de lantaarn iets anders vast en zwaaide die heen en weer. Hij hief zijn hand op, gaf de merrie de sporen en reed om het kerkhof heen naar de wachtende gedaante toe.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief