leesfragment

‘De weigeraar’ van Ian McGuire

Ontdek hier een fragment van De weigeraar, een rauwe historische thriller voor de fans van Peaky Blinders van Ian McGuire.

Manchester, 1867: Stephen Doyle, Ierse veteraan van de Amerikaanse Burgeroorlog arriveert per schip vanuit New York. Hij is lid van de Fenians, een geheim genootschap dat als doel heeft de Engelse heerschappij over Ierland te beëindigen.

In de stad wacht hoofdagent James O’Connor op wat komen gaat. Zijn opdracht is om de aanslagen van de Fenians op alle mogelijke manieren te verijdelen. De levens van de twee mannen zullen onlosmakelijk met elkaar verbonden worden tijdens deze bezeten strijd om leven en dood in een bloedige tijd van wraak en wetteloosheid.

1

Manchester, 22 november 1867

Middernacht. Er staan veldkanonnen op Stanley Street en houten versperringen op elke brug en alle kruispunten. De feloranje vlammen van een stuk of tien wachtvuren reflecteren in de zwarte, bootloze Irwell. In het stadhuis aan King Street tikt James O’Connor de regen van zijn bolhoed, knoopt zijn overjas los en hangt beide kledingstukken aan de ijzeren haken naast de deur van de agentenwachtkamer. Sanders, Malone en vier of vijf anderen slapen op strozakken in de hoek, de rest zit verspreid aan tafels whist te spelen, te kletsen of de Courier te lezen. In de ruimte hangt de vertrouwde kazernelucht van te lang getrokken thee en Navy Cut, er staat een rek met Indiase clubs en zware oefenballen te verstoffen tegen de linkermuur en in het midden is een biljarttafel afgedekt met planken. Fazackerley, de wachtcommandant, krijgt hem in het oog en knikt.

‘Heb je wat?’

O’Connor schudt zijn hoofd.

‘Op een gegeven moment komt er wel iemand opdagen,’ zegt Fazackerley. ‘Een of andere stommeling die zich heeft volgegoten met bier. Er is er altijd wel een. Wacht maar af.’

O’Connor trekt een stoel bij en gaat zitten. Fazackerley vult een geblutste metalen theepot tot de helft met kokend water uit de kookketel en laat het twee keer rondwervelen.

‘Ik ben de enige wakkere Ier aan deze kant van Kings town,’ zegt O’Connor. ‘Alle anderen liggen veilig en wel in hun bed en doen wat de pastoor ze heeft aangeraden: uit de buurt blijven.’

‘Ik dacht dat die Fenian­jongens zich niet zoveel aantrokken van de zwartrokken.’

‘Ze luisteren alleen naar ze als het ze uitkomt,’ zegt hij. ‘Net als iedereen eigenlijk.’

Fazackerley knikt, glimlacht zelfs. Zijn gezicht is een stoppelige wirwar van rimpels en plooien, zijn wenkbrauwen zijn onverzorgd en zijn grijzende haar is dun en vet. Als hij geen stralende lichtblauwe ogen had gehad – meer de ogen van een zuigeling of een porseleinen pop dan van een man die de vijftig is gepasseerd – zou hij er misschien afgemat, afgetakeld hebben uitgezien, maar nu wekt hij zelfs in ruste de indruk licht geamuseerd en gretig, ja, zelfs in de bloei van zijn leven te zijn.

‘Ze hebben de cavalerie over Deansgate heen en weer zien draven,’ gaat O’Connor voort. ‘Ze hebben de kanonnen en de versperringen gezien. Ze zijn niet zo dom als je denkt.’

‘Er zitten er drie bij die er straks om acht uur niet meer zo slim uit zullen zien, volgens mij.’

Het is alweer negen maanden geleden sinds hij vanuit Dublin is overgeplaatst en hij is gewend geraakt aan de manier van doen van zijn Engelse collega’s.
Fazackerley houdt zijn hoofd scheef, hij trekt een verwrongen gezicht en kijkt scheel, maar O’Connor schenkt er geen aandacht aan. Het is alweer negen maanden geleden sinds hij vanuit Dublin is overgeplaatst en hij is gewend geraakt aan de manier van doen van zijn Engelse collega’s. Ze houden hem voortdurend voor de gek, ze proberen hem beet te nemen, ze zijn hem de hele tijd aan het voeren om te kijken hoe hij zal reageren. Op het eerste gezicht gaat het er vriendelijk aan toe, maar achter het grijnzen en lachen voelt hij hun wantrouwen. Wie is hij eigenlijk, vragen ze zich af, deze Ier die opeens is komen opdagen om hun te vertellenhoe ze hun werk moeten doen? Zelfs Fazackerley, die veruit het best te pruimen is, behandelt hem meestal als een vermakelijke vreemde snoeshaan, een of andere rare uitzondering op de regel, zoiets als een Apache die op bezoek komt, of een dansende beer. Andere mannen zouden zich beledigd voelen, maar O’Connor maakt zich er niet druk om. Hij heeft niet de behoefte om zichzelf nader te verklaren. Hij denkt wel eens dat het veel gemakkelijker is om verkeerd begrepen te worden.

‘Maybury wilde je zien zodra je terug was,’ zegt Fazackerley, hij recht zijn rug. ‘Hij is nu bij Palin.’

‘Maybury en Palin allebei? Wat willen ze van me?’

Fazackerley lacht. ‘Je bent een orakel, O’Connor. Wist je dat niet? Ze willen dat je hun de toekomst voorspelt.’

‘Als ze wat eerder aandacht voor me hadden gehad, had Charley Brett misschien nog geleefd.’

‘Zou best kunnen, maar daar zou ik maar niet over beginnen. Onze hoge heren en meesters worden meestal niet graag herinnerd aan hun vergissingen.’

‘Ik hoor trouwens dat Palin toch het veld zal ruimen als dit allemaal achter de rug is. Hij gaat met pensioen.’

‘Tja, politiemensen zijn nu eenmaal dol op roddelen,’ zegt Fazackerley. ‘Weeg je je kansen of je het kunt overnemen als hij vertrekt, Jimmy? Hoofdcommissaris van politie, zou je dat wel willen?’

Fazackerley proest het uit bij de gedachte, alsof hij net een geweldige mop heeft verteld. O’Connor drinkt zijn thee op, trekt zijn vest naar beneden en adviseert de brigadier beleefd om naar de hel te lopen.

Boven luistert hij even aan de deur van het kantoor. Maybury kent hij goed, maar de hoofdcommissaris heeft hij alleen van een afstandje gezien bij officiële gelegenheden – staand op een verhoging of zittend op een legerpaard. Palin is een kleine man die oogt als een militair. En daarbij, in het openbaar tenminste, stijfjes en een beetje zenuwachtig. Op de dag van de hinderlaag bevond hij zich elders, onbereikbaar, en daarom werd er niets ge daan met de verschillende niet mis te verstane waarschuwingen. Bij het hoofdbureau was er al een beambte voor ontslagen, maar nu ging het gerucht dat de minister van Binnenlandse Zaken, Gathorne Hardy, zich ermee had bemoeid en dat Palin uiteindelijk toch zal moeten terugtreden. Gedwongen pensioen op het platteland en zijn laatste levensjaren vol comfort en overvloed, wat zo ongeveer het onplezierigste is wat er bestaat voor een man als hij.

O’Connor hoort ze door de deur heen praten, Palins lage stem, Maybury’s interrupties zo nu en dan, maar hij kan niet verstaan wat ze zeggen. Hij klopt aan, het gesprek stokt en Maybury roept dat hij binnen mag komen. Geen van beide mannen glimlacht of staat op uit zijn stoel. Maybury, die van gemiddelde lengte is, gezet, met bakkebaarden en een wijnvlek op zijn wang, geeft een knikje. Palin neemt O’Connor sceptisch op, alsof hij hem eerder heeft gezien maar zich niet kan herinneren waar. De beide mannen zijn in hemdsmouwen en Palin rookt een sigaar. Er staan een pot mosterd en een fles azijn op tafel; in de blauwige lucht hangt de geur van worst.

‘De brigadier zei dat u me wilde spreken, meneer,’ zegt hij tegen Maybury.
‘De brigadier zei dat u me wilde spreken, meneer,’ zegt hij tegen Maybury.

Maybury werpt een blik op Palin, biedt hem de gelegenheid om als eerste van wal te steken, maar Palin schudt zijn hoofd.

‘Breng ons alsjeblieft verslag uit,’ zegt Maybury. Hij laat het klinken alsof dit een doodgewone, dagelijkse plicht is, alsof rechtstreeks rapporteren aan de hoofdcommissaris van Manchester midden in de nacht deel uitmaakt van zijn taak.

O’Connor haalt zijn opschrijfboekje uit zijn binnenzak en bladert het door.

‘Ik heb de hele dag door de stad gelopen,’ zegt hij. ‘En ik heb een paar informanten gesproken. Ik ben ervan overtuigd dat we vannacht niets te vrezen hebben. De ophangingen zullen probleemloos verlopen, dat weet ik zeker. Als er represailles komen, dan komen die later, wanneer de gemoederen een beetje bedaard zijn. En alle manschappen de stad hebben verlaten.’

‘Dus je hebt wel over represailles horen praten?’

‘O, er wordt een heleboel gepraat, meneer, net als anders, maar op dit moment is er niets bij wat we al te serieus moeten nemen.’

‘Dus de Fenians zijn bang voor ons,’ zegt Palin luchtig, alsof die conclusie voor de hand ligt. ‘Ons machtsvertoon heeft volgens de verwachtingen gewerkt.’

‘Op dit ogenblik wel,’ beaamt O’Connor, ‘maar ik verwacht dat de situatie over een maand of twee anders zal zijn.’

‘Hoe anders?’ vraagt Maybury.

‘De executies zullen woede losmaken. Er heerst nu al een sterke overtuiging dat de veroordelingen onrechtvaardig zijn en dat de dood van brigadier Brett op zijn ergst doodslag was, geen moord. Als de drie mannen worden opgehangen ligt het voor de hand dat anderen, die nu in de marge van de Broederschap opereren, actiever betrokken zullen worden. Op die manier kan de beweging in Manchester groeien en krachtiger worden dan eerst.’

Palin fronst zijn wenkbrauwen en gaat rechterop zitten.

‘Die redenering volg ik niet,’ zegt hij. ‘Wat jij suggereert is dat een ernstige straf in feite functioneert als aanmoediging voor anderen om eenzelfde misdaad te begaan. Waarom? Wat heeft dat voor zin?’

O’Connor kijkt naar Maybury voor steun, maar Maybury trekt slechts zijn wenkbrauwen op en glimlacht nietszeggend.

‘Als je martelaars maakt, is dat een krachtig gegeven, meneer.’
‘Als je martelaars maakt, is dat een krachtig gegeven, meneer.’

‘Martelaars?’ herhaalt Palin. ‘Die mannen zijn geen martelaars, het zijn doodgewone misdadigers. Ze hebben een politieman in koelen bloede gedood.’

‘Natuurlijk, daar ben ik het mee eens, maar in de Ierse delen van de stad denkt men er anders over.’

‘Dat vind ik onbegrijpelijk. Zijn je landgenoten echt zo dom? Leren ze het dan nooit?’

O’Connor geeft niet meteen antwoord. Hij herinnert zich nog goed dat ze het stoffelijk overschot van de oude rebel Terence MacManus in 1861 uit Californië repatrieerden en dat half Dublin naar buiten kwam om in de bruine mist en plenzende regen naar de begrafenisstoet te kijken. Ze hingen uit de ramen en stonden zes rijen dik op Mountjoy Square die dag, en toen de stoet bij de poort van de begraafplaats Glasnevin aankwam, was hij bijna drie kilometer lang. Twintigduizend Dubliners en je kon een speld horen vallen toen ze hem in het graf lieten zakken. Als je de Fenians een lijk geeft, geloof dan maar dat ze weten wat ze ermee aan moeten, denkt hij. Voordat ze Terence Bellew MacManus naar huis brachten, stelden de Fenians nog niet veel voor, maar de volgende dag waren ze de gezalfde opvolgers van de mannen van 1848. Allemaal helden die op hun kans wachtten. Een slimme man zal nooit de motiverende kracht van bloed en aarde onderschatten, maar Palin is niet slim. Dat zijn ze geen van allen.

‘De meesten van mijn landgenoten zijn arm en ongeletterd, meneer,’ legt O’Connor uit. ‘De Fenians buiten hun onwetendheid uit. Ze beloven hun vrijheid en een einde aan al hun lijden.’

‘De Fenians zijn fanatici.’

‘Dat is helemaal juist, meneer, maar fanatici laten zich niet gemakkelijk uit het veld slaan.’

‘Net zomin als wij ons eenvoudig uit het veld laten slaan,’ zegt Palin. ‘Dat is het punt, agent. Het Britse Rijk is geen slap of broos iets; het heeft wel ergere opstanden overleefd dan deze. Misschien moet je je vrienden vragen om die boodschap te verspreiden. Laat onze vijanden weten dat ze zich opofferen voor een hopeloze zaak.’

‘Dat is niet precies…’

Hij wil antwoord geven, maar Maybury kapt hem af.

‘Zijn vrienden verkeren niet in de positie om boodschappen te verspreiden, meneer,’ legt Maybury uit. ‘Daarmee stellen ze hun leven in de waagschaal.’

‘Natuurlijk,’ zegt Palin, ‘natuurlijk. Dat vergat ik even.’

Er valt een stilte. Een kooltje verkruimelt en valt door het rooster. Palin haalt twee keer zijn neus op en wrijft de punt van zijn sigaar in een lege koffiemok.

‘En hoe weten we of ze te vertrouwen zijn?’
‘Waar halen we die informanten eigenlijk vandaan?’ vraagt hij, zich tot Maybury wendend. ‘En hoe weten we of ze te vertrouwen zijn?’

‘Meestal bieden ze zich aan,’ legt Maybury uit. ‘Ze doen het voor het geld. Wat ze ons vertellen behandelen we met de nodige voorzichtigheid, maar soms is het bruikbaar. Als we weten wat de Fenians in hun schild voeren kunnen we het meestal in de kiem smoren.’

Palin krabt aan zijn kin en fronst zijn wenkbrauwen.

‘Dat soort mannen zijn parasieten. Ik verbaas me er soms over dat we ons zo verlagen.’

‘Om de schat te bemachtigen moet je soms door de stront zwemmen, meneer,’ zegt Maybury opgewekt, alsof hij een oud gezegde aanhaalt. ‘Daarvoor is O’Connor hier.’

Palin knikt, glimlacht en kijkt dan op. ‘Juist, ja. Dus dát doe je voor ons, O’Connor,’ zegt hij, zijn gezicht vertrekt een beetje door de onkiese formulering. ‘Door de stront zwemmen?’

‘Op een bepaalde manier zou je het inderdaad zo kunnen noemen, meneer.’

‘En heb je plezier in dit werk? Vind je dat het bij je past?’

O’Connor weet dat er nu de spot met hem wordt gedreven, dat Palin hem op zijn plaats zet. Hij is eraan gewend dat hij geplaagd wordt door zijn Engelse collega’s, toch verbaast het hem dat de hoofdcommissaris ook die behoefte voelt.

‘Ik doe mijn plicht, meneer,’ zegt hij. ‘Zo goed mogelijk. Ik ga ervan uit dat het werk dat ik doe enige waarde heeft.’

Palin haalt zijn schouders op. 

‘We leveren een afmattend gevecht tegen een nietige en irrationele vijand. Geen van ons zal er ooit een medaille voor krijgen, agent, dat verzeker ik je.’

O’Connor knikt, maar geeft geen antwoord. Hij kijkt naar zijn schoenpunten: gepoetst zwart leer tegen de werveling van rood en groen van Palins Perzische tapijt. Hij voelt de warmte van het haardvuur tegen zijn kuiten en rug. Hij heeft geleerd om zijn mond te houden bij dit soort gelegenheden. Er valt niet veel te winnen door te zeggen wat je denkt, weet hij, maar des te meer te verliezen.

‘Ga maar weer aan je werk,’ zegt Maybury. ‘Laat het ons weten als je iets belangrijkers hoort.’

‘En laat Harris nog wat koffie brengen,’ zegt Palin, zijn arm uitstrekkend naar de avondkrant. ‘Deze pot is al koud.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief